IN DE MAALSTROOM VAN DE KULTUURKRISIS.
De geestelijke situatie van onze tijd kan met een enkel woord worden aangeduid: kultuurkrisis. Over deze krisis-situatie bestaat reeds een zeer uitgebreide literatuur. Het is mij er niet om te doen deze situatie nu ook nog eens op mijn wijze te analyseren. Mijn doel is het aanwijzen van de uitweg uit de krisis-toestand en als ik mij hier met een beschrijving van de kultuurkrisis van het Westen bezighoud, doe ik dat, omdat het nodig is om te laten zien waar de oplossing gevonden moet worden.
De Westerse kultuur is hard op weg naar een dieptepunt. Aan de historikus dringt zich de vergelijking op met het laat-Romeinse rijk, kort voor zijn ondergang, toen dit uiterlijk nog imposant, innerlijk door en door voos en verrot was.]. Huizinga konstateerde reeds in zijn in 1935 verschenen boek: De schaduwen van morgen, algemene verzwakking van het oordeel, daling van de kritische behoefte, verzaking van het kennisideaal, verval van morele normen. Al deze verschijnselen hebben zich sindsdien in versterkte mate doorgezet. In, door en na de beide wereldoorlogen hebben de twee grote geestesstromingen van de Westerse wereld nl. het Christendom en een humanistisch Socialisme hun stuwende en dragende kracht grotendeels verloren. Christendom en Socialisme zijn beide stervend, al blijven namen en organisaties bestaan. Zelfs Christelijke theologen spreken over de dood van God en over het einde van het Christendom. De dood van het Socialisme zet in met de ondergang van het humanistisch en utopisch element, waarvan de wervende en inspirerende kracht van de socialistische beweging was uitgegaan. Het socialisme werd verlaagd tot een streven naar bepaalde politiek-ekonomische verhoudingen. De eerste, nog uiterst zwakke kiemen van een geheel nieuwe kultuur, die eens opbloeide onder de élite van de arbeidersbeweging en kleine groepen intellektuelen, gingen ten gronde. Deze korte bloei heeft in Nederland de grote socialistische dichters Herman Gorter, H. Roland Holst en Abraham van Collem voortgebracht. Zij zijn nu vergeten en hun gedichten worden op arbeidersvergaderingen niet meer voorgedragen. De jongeren van thans glimlachen er meewarig om, als ze ze al kennen. Het socialisme is nuchter en zakelijk geworden, een kwestie van efficientie in produktie en distributie. De hoge droom van een gelukkige, blije Mensheid over heel de wereld is verdwenen. Geschrokken van de erbarmelijke, geestelijke naaktheid van een zakelijk socialisme, hebben christen-socialisten gepoogd deze naaktheid te bekleden met de vergane mantel der christelijkewaarden. Lompen over een skelet; verschaalde wijn in een vermolmd vat. Dat was het religieuze socialisme.
Wanneer in mens en samenleving de droom, de utopie sterft, dan is ontbinding en verval onvermijdelijk. Alleen een verdwaasd en verblind intellektualisme kan zich verheugen over de verzakelijking van het leven.
De intellektualist is trots op zijn nuchterheid en houdt zichzelf voor een realist. Dromen beschouwt hij met een meewarig, geamuseerd glimlachje. Maar voor de realiteit, dat grote massa’s tot diepe apathie vervallen, juist omdat ze geen dromen en geen verwachtingen meer hebben, daarvoor is hij stekeblind.
Het tragische van de situatie, waarin we ons bevinden, ontstaat door de voortschrijdende, liever voortrennende technische ontwikkeling, die ongekende mogelijkheden schept enerzijds, doch anderzijds een menselijk leven hoe langer, hoe meer onmogelijk maakt. De menselijke, traditiegebonden geest is niet in staat de technische evolutie bij te houden. Alle psychologen kennen de taaiheid van de gedachte-en gevoelspatronen, die ons in de kleuterleeftijd zijn bijgebracht. De mens wordt door de gevolgen van de technische ontwikkeling, door de steeds verder gaande mechanisering en automatisering, overdonderd. Hij kan die gevolgen niet de baas. Hij tracht ze wel te beheersen, maar slaagt daarin niet of nauwelijks.
De problemen stapelen zich op en hij pakt ze overal aan, behalve juist daar, waar ze aangepakt moeten worden nl. in de ziel van de mens. De mens doet altijd, dat wat hij is. Daarom is er in feite maar één probleem, dat om een oplossing vraagt en dat is het probleem van de gedesintegreerde mens. Voor de geïntegreerde mens worden de moeilijkheden van bergen tot molshopen, voor de gedesintegreerde van molshopen tot bergen. Integratie van de mens is slechts in en door religie mogelijk. Hebt slechts geloof zo groot als een mosterdzaadje en ge zult bergen verzetten. De Christelijke religie is echter door haar wezen onmachtig deze integratie tot stand te brengen, omdat zij niet meer past in de 20-ste eeuw.
Met Christelijke religie bedoel ik niet het Evangelie, niet de Jezus-religie, maar het traditionele, kerkelijke Christendom. Nu mag het dengene, die in de Kerk zit, toeschijnen, dat er in de Kerk veel beweging is en dat er veel verandert, de buitenstaander ontwaart alleen maar een moeizaam, onwillig en onvoldoende bijtrekken van het been. Alleen een geheel nieuwe geloofsvisie kan uitkomst brengen.
In de moderne existentialistische philosofie komt het levensgevoel van de moderne mens, de algemene geestelijke krisis van onze tijd, duidelijk tot uitdrukking. Het blijkt, dat deze philosofie geen uitweg weet. Boven de geestelijke krisis uitkomen wil daarom zeggen boven het existentialisme uitkomen. Voor de existentialist is de wereld vreemd en gevaarlijk, de mens een absurd verschijnsel, neergeworpen in een doelloos Heelal, gekonfronteerd met een zinloos lot, losgeslagen van alle gemeenschap, hopeloos eenzaam, vervuld van angst, walging, verlorenheid en vertwijfeling.
Het is volkomen begrijpelijk, dat Sartre een mode-philosoof kon worden. Maar al weet hij geen uitweg, moed heeft hij, deze Franse schrijver. Hij peilt de diepe afgronden van de menselijke ziel en deinst ook voor de gruwelijkste werkelijkheid niet terug. Maar de existentialisten zijn zo onder de indruk van de krisis, dat ze het wezen van het menselijk bestaan als krisisachtig beleven. Toch is krisis naar zijn wezen juist niet permanent, maar voorbijgaand. Krisistoestanden zijn tijdelijke evenwichtsverstoringen; ze zijn uitzondering en stabiele toestanden zijn veel meer regel. Dat blijkt bij het overzien van de historische ontwikkeling en nog veel meer bij het overzien van de kosmische ontwikkeling. Maar de moderne mens is losgeraakt van het Verleden en omdat hij onvoldoende innerlijk richtsnoer heeft, is hij ook losgeraakt van de Toekomst. Hij is een ontwortelde en staat daardoor buiten de realiteit. Zeker, we leven in een uiterst gevaarlijke situatie. De dreiging met vernietiging door een atoomoorlog is wellicht minder groot dan de dreiging van een volledig ontmenselijkte wereld. Het gevoel van onmacht en absurditeit doordringt de existentialisten zozeer en beheerst hun gevoelsleven zodanig, dat het hun ervaringen misvormt en ze tot de onhoudbare opvatting brengt, dat absurditeit nu eenmaàl permanent in de mensenwereld aanwezig is. Maar niet het Universum is absurd, maar de psychisch zieke mens, die zijn eigen beleving van de absurditeit van zijn bestaan projekteert in het Heelal. Hoe begrijpelijk het ook is, dat het existentialisme de donkere aspekten van het leven verabsoluteert en de lichtzijde volledig negeert, het is toch onjuist. Daarom wil ik niet meedoen in het jammerkoor der twijfelaars en nihilisten, want de lichtzijde is er en wie kontakt heeft met God weet dat. Maar onze tijd is a-religieus. Religie is weggedrongen uit de samenleving en voor zover nog aanwezig, ondergebracht in daarvoor speciaal bestemde plaatsen en tijden. Door het steeds meer ontbreken van waarden, die alle gebieden van het leven tot een harmonisch geheel verenigen, valt dit leven in onsamenhangende brokstukken uit elkaar. Daardoor voelt de mens zich nergens echt meer bij betrokken en vindt hij alles zinloos. Desondanks is de mens een deel van een Kosmisch Geheel, van het Totale Zijn, van God! Maar welke betekenis heeft dat nog voor de ontwortelden? Zij weten het niet en voelen het niet. Voor hen is God inderdaad afwezig of nog erger dood. En de dichter A. van Collem schreef:
,,0, mensen, hemelen en aarde zijn in U!
En gij weet het niet.”
De technificering is het verst voortgeschreden in de Verenigde Staten, maar de amerikanisering heeft ook Europa aangetast en verbreidt zich over de hele wereld. De techniek schuift zich meer en meer tussen mens en mens. De auto, de televisie, de radio, de film verhinderen het kontakt tussen mens en mens. Ieder zoekt ontspanning op zijn eigen houtje. De mensen vervreemden niet alleen van zichzelf, maar ook van elkaar.
Bij de informatie door apparaten ontbreekt de zo noodzakelijke wisselwerking. Kranten en boeken zijn ook apparaten! Daarbij toont men een ongezonde voorkeur voor zgn. objektieve informatie. Objektieve informatie is zielloos. De informatie, die de moderne kommunikatie-middelen verschaffen, is steeds fragmentarisch. Een klein stukje informatie, gelicht uit het universele verband. Aan de op specialisatie ingestelde universiteiten is het niet beter. Nergens vindt men minder universum dan aan de universiteit! Zo ontstaat langzamerhand een vertekend beeld van de werkelijkheid en een hoeveelheid “kennis”, die zoal niet overbodig toch een ongeordende, chaotische kwantiteit vormt.
De moderne reklame dringt ons allerlei overbodige konsumptie-goederen op; ze versterkt de misvatting, dat ons geluk afhankelijk is van materiële waarden, van het hebben van dingen. De dingen hebben om ze te hebben, de dingen konsumeren zonder meer, ze gebruiken zonder ze lief te hebben, ze gebruiken zonder er eerbied voor te hebben, dat is ze misbruiken. De mens in de welvaartsstaat is arm, omdat hij zoveel dingen heeft en omdat hij niet meer weet, dat de diepste geluksgevoelens van de mensen ook zijn ongeluksgevoelens -niet afhankelijk zijn van materiële welvaart. Het bezit van de dingen vernietigt de vreugde, die we aan de dingen zouden kunnen beleven, indien we ze slechts gebruikten, d.w.z. er met liefde mee omgingen. De apparaten voor tele-kommunikatie dringen ons niet alleen overbodige goederen op, maar bedelven ons onder een stortvloed van overbodige informatie en dwingen ons tot konformisme. De T.V.-buizen moeten gevuld worden en dus maakt men nieuws in plaats van het te geven en spreekt men zonder iets te zeggen te hebben. Alles wijst in de richting van een definitieve depersonalisatie van de mens en in de wording van een genivelleerd standaardtype. Er is een enorm verlies aan inhoud, ja zelfs totale onverschilligheid voor de inhoud. De kunstenaars brengen geen nieuwe inhoud, maar zoeken naar nieuwe vormen. Vormen voor wat? Zelfs bij de kunstenaars wordt de techniek van hun vak doel in plaats van middel tot expressie. Wat zou hij trouwens moeten uitdrukken als er niets dan leegte is? Hetzelfde doet zich voor in de wijsbegeerte. Wie het philosofisch jargon met heel veel inspanning en moeite eindelijk heeft geanalyseerd, ontdekt dat die hele wijsbegeerte een ui is, allemaal schillen om niets. Wijsbegeerte als vak zonder meer is het einde van de wijsheid; kunst als vak zonder meer is het einde van de kunst. Ik citeer nogmaals uit Huizinga’s geschonden wereld:
“de struktuur van het moderne leven laat de persoonlijkheid niet tot wasdom komen. De halfbeschaafde is het produkt van onze tijd en de halfbeschaafde is de aartsvijand van de persoonlijkheid”.
De kommunikatie-media die werkelijke kommunikatie verhinderen, zijn de nivelleringsmedia van de halfbeschaafde voor de haHbeschaafde. Het onderwijs in de technische wereld versterkt de nivellering en ondermijnt geestelijke zelfstandigheid, waarzonder geen persoonlijkheid mogelijk is. Het onderwijs is intellektualistisch en formalistisch en nz.ar zijn wezen a-kultureel, a-religieus en a-menselijk. Het is aangepast en past zich steeds meer aan aan de veranderde maatschappij, maar er is geen enkel element in, dat boven deze maatschappij uitwijst en daardoor is de school bij uitstek een producent van geestelijke armoede, ongeacht of ,f;C met openbaar of christelijk onderwijs te doen hebben. Het ondenvijs draait niet om de levende mens, maar om de technische prestaties. Er wordt leerstof bijgebracht en dan Hagen we maar niet, wat voor leerstof. In de Christelijke scholen zegt men zijn gebedje op, zingt een psalm, vertelt een Bijbelverhaal en gaat dan over tot de hoogst onchristelijke orde van de dag. Als Maria ~10ntessori het gehele onderwijs en de gehele opvoeding wil baseren op de wezenlijke behoeften van het kind en alleen daarop, dan verheft zich het koor der duisterlingen en zingt met somber fronsen het erfzonde-lied. En de leiders der gemechaniseerde bedrijven brullen vol afgrijzen, dat zoiets onmogelijk is, maar dat het rythme van het bloed aangepast moet worden aan het rythme van de machines. Zo weerspiegelt zich de afwezigheid van levende religie en dus van ware kultuur in de geestelijke armoede in de school.
In 1950 publiceerde Riesmann zijn boek The Lonely Crowd, waarin hij de aandacht vestigde op de massalisering en de vereenzaming van de massa-mens.
Wie is eigenlijk een massa-mens?
Wat zijn zijn kenmerken?
De massa-mens is stellig niet de minder welgestelde. Hij kan arm zijn, maar ook rijk. Hij kan aan de buitenkant behoorlijk gepolijst zijn of vrij onbeschaafd en ruw. Dat doet er alles niets toe. Het verschijnsel massamens doorbreekt het klasse-verschil. De massa-mens heeft geen innerlijke rijpheid; hij heeft geen richtsnoer, geen geheel van waarden, geen kultureel levenspatroon. Wat hij wel heeft is een versimpelde, traditionele, cliché-achtige levensvisie. Hij is de halfbeschaafde, waarover Huizinga schreef. Voor hem is de geestloze ontspanningsindustrie geschapen, de bioscopen, de televisie, de dancings, de nachtclubs, de voetbalwedstrijden. Hij is altijd eenzaam, maar nooit alleen. Hij zit boordevol levensangst en vlucht in de grote kollektiviteiten. Hij is bereid vrijheid en zelfstandigheid prijs te geven voor veiligheid en materiële zekerheid. Hij is doorgaans erg fatsoenlijk en een net burger en konformist bij uitstek. Hij mist volledig persoonlijke visie, want hij kent geen geestelijke zelfstandigheid.
Is hij een zakenman, dan neemt de zaak zijn gehele leven in beslag. Verricht hij de eentonige arbeid in de gemechaniseerde bedrijven, dan ontleent hij daaraan geen vreugde en geen waarde. Hij werkt voor zijn vrije tijd. Maar hij kan met die vrije tijd niet al te veel doen, omdat hij daarvoor te weinig inhoud heeft. Hij kan zichzelf niet bezig houden en zichzelf niet vermaken; hij moet bezig gehouden worden en vermaakt worden, want de verveling ligt als een traag en log dreigend monster altijd op de loer. De plaats, waar de massa-mens wordt uitgebroed is de moderne wereldstad. Daar gaat het natuurlijke, aardgebonden, gemeenschapsgebonden levensgevoel ten gronde en ontstaat de beweeglij ke, haastige, nerveuze grote stadsmens. Door nivellering van het verschil tussen stad en platteland verschijnt hetzelfde type nu ook in kleine steden en in dorpen. Als enkeling voelt hij zich volkomen machteloos; hij zoekt de grote organisaties ep de sterke leiders, op wie hij de volle last der verantwoordelijkheid leggen kan. Maar hij ontvlucht persoonlijke verantwoordelijkheid. De atoomphysicus, de wapenfabrikant, de arbeider in de wapenindustrie achten zich als persoon niet verantwoordelijk. De behoefte aan veiligheid en zekerheid wordt meestal niet bewust gevoeld. De massa-mens leeft grotendeels onbewust en verdringt zijn angst en onbevredigdheid. De eeuwige konkurrentie en naijver leidt tot een voortdurende versnelling van het leeftempo. De onophoudelijke noodzaak om mee te doen in een uitputtende en verhardende kompetitie op elk gebied en de nooit aflatende eis om iets te presteren en steeds meer te presteren kweekt eèn onbewust verzet en een felle, maar verdrongen agressiviteit. Erger nog dan deze agressiviteit is een koude onverschilligheid voor de mede-mens. Men kan nu eenmaal niet tegen alle mensen ‘echten om hoger te klimmen op de maatschappelijke ladder en tegelijk de medemens liefhebben. Men moet zijn plaats in de maatschappij veroveren, zich op die plaats handhaven en ook nog trachten een hogere plaats en een daarmee overeenkomstig hoger inkomen te verwerven. Wat komt daarvan terecht als men zich al te zeer om de medemens bekommert? Men stelt het verontruste geweten gerust door kwartjes te gooien in kollekte-bussen. Gebrek aan liefde en geborgenheid, gevoel van hulpe. loosheid en machteloosheid tegenover een vijandige wereld, dat zijn de kenmerken van de neurotikus. De massa-mens is een neurotikus. Ondanks de toename van de vrije tijd neemt het aantal patienten van psychiaters en psycho-therapeuten voortdurend toe. Ook op dit terrein blijkt overduidelijk Ie trahison des clercs, het verraad der intellektuelen. De gemiddelde psychiater en psycho-paedagoog ziet het als zijn taak het gestoorde aanpassingsvermogen aan de maatschappij te herstellen. Maar het is juist die aanpassing aan een onmenselijke samenleving, die de stoornissen veroorzaakt. De aanpassing is dus slechts mogelijk door verharding en ontmenselijking. En deze taak hebben de psychiaters en psychologen, deze verraders van de mens, op zich genomen. Ze worden daarin vlijtig gesteund door vele Christelijke moraaltheologen, die elke poging om de mens tot mondigheid en geestelijke zelfstandigheid op te voeden als onchristelijk en in strijd met de Schrift afwijzen. Maar wie de mens werkelijk saneren wil, moet een ziekmakende maatschappij veroordelen en een opstandeling worden!
Het failliet van het Christendom en van het Humanisme in de beide wereldoorlogen en vooral in de uitzichtloze wereld van heden heeft geleid tot een algemene desillusionering. De ineenstorting der christelijke en humanistische waarden leidde tot wantrouwen in geestelijke waarden in het algemeen. Dit komt uiteraard het sterkst tot uiting bij de jongeren. De jeugd trekt zich terug uit de wereld van de geest en bepaalt zich tot de wereld van het lichamelijk-tastbare, tot de zintuigen en de aandriften, want die zijn tenminste echt. Het bloedwarme lichaam is er toch altijd en men ervaart het als het enig ware. De kunstuitingen worden geestloos, ja bijna inhoudsloos. In de literatuur, in de schilder-en beeldhouwkunst ontmoeten we gestolde brokken emotie, een verwarrend en verward zoeken naar en experimenteren met de vreemdste nieuwe vormen, waarbij elk gericht zijn door geestelijk-zedelijke waarden ontbreekt. In de muziek wordt de melodie losgelaten en keert men terug tot het rythme alleen. En in de modernste elektronische muziek geeft men zelfs het rythme prijs. Technisch is dat vaak heel knap, maar is deze wereld van geluiden en geruis nog muziek?
Fataal is de grote tegenstelling tussen opvoedingsideaal en samenleving. Het doel van de opvoeding is mensvormipg, menswording, persoonlijkheidsvorming. Men moet elkaar helpea(men mag zich niet altijd op de voorgrond dringen; men mag niet alleen maar aan zichzelf denken; men moet zich harmonisch in de groep invoegen; men moet met elkaar rekening houden. Dat is de geesteshouding van waaruit de opvoeder en de onderwijzer in de school zijn taak verricht. Het wordt hem trouwens voorgeschreven door de wet, het zijn de bekende christelijke en maatschappelijke deugden. Het overgrote deel der opvoeders in de scholen houdt zich daar ook aan. Ze vinden dit zelfs vanzelfsprekend. Maar in de samenleving buiten de school gelden andere normen! Daar domineren desintegratie en konkurrentie. Daar komt het erop aan zich zelf door te zetten. Daar staat een premie op egoïstisch gedrag en straf op menselijkheid. Daar moet met de ellebogen gewerkt worden; daar is de medemens bruikbaar of onbruikbaar materiaal; daar moet getrapt en gelikt worden om een plaats en er moet voortdurend geworsteld worden om een betere plaats. Daar is hardheid nodig en onverschilligheid voor het lot van de medemens. Hoe zou de mens zich in een dergelijke wereld ingeschakeld kunnen voelen in het maatschappelijk geheel? En als hij zich niet zinvol ingeschakeld voelt in de samenleving, hoe zou hij zich zinvol ingeschakeld kunnen voelen in het Geheel van het Zijnde? En is het zo onbegrijpelijk, dat het telkens herhaalde beroep op verantwoordelijkheid en gemeenschapszin vruchteloos blijkt? Is het niet een onbeschaamdheid kritiek op de jeugd te uiten? Hebben ze erom geHaagd in deze absurde wereld te worden geplaatst? Film en televisie vertonen altijd weer dezelfde thema’s in eindeloze variatie, de misdaad, de jacht naar geld, de oorlog, de spionage, sex in zijn meest stuitende en agressieve vormen en geven de jeugd daardoor een volkomen vertekend beeld van het leven. Waarom richten de moraal-predikers zich niet tegen hen, die deze bedrijven beheren en ervan leven? Ongeacht de situatie, waarin hij leeft en volwassen moet worden, heeft de puber het als puber al moeilijk. De puberteit is nu eenmaal een onvermijdelijke krisisperiode; in de psychologie spreekt men van een tweede geboorte. Maar hoe moet de puber daar doorheen komen als de maatschappij zelve in een krisistoestand verkeert? De tweede geboorte, dat is de ontwaking van het zedelijk bewustzijn. Maar in de wereld, waarin hij leeft zijn geen toekomstperspektieven, die inspirerend zouden kunnen werken.
Niemand weet, ondanks de futurologie, hoe de wereld er over vijftig jaar uit zal zien. Zal ze er nog wel zijn? Het is mogelijk, maar het is geenszins zeker. De jonge mens maakt zich los van de toekomst. Hij wil hier en nu leven en hij probeert uit het leven zoveel mogelijk lust te halen zonder al te veel rekening te houden met anderen. Hij slaagt daarin niet. Men vindt nu eenmaal geen geluk door terug te vallen op het uitsluitend zinnelijkinstinktieve. Er is geen geluk in de liefde als de eros wordt miskend en de liefde teruggebracht wordt tot sex. Velen zien alleen zichzelf en wat zij voor zichzelf kunnen bereiken. De jeugd studeert en legt examens af. Dat moet nu eenmaal, want anders krijg je geen baan. Zij aanvaardt de technificering volledig, onderwerpt zich aan haar onmenselijke regels en heeft zelfs neiging de techniek te verheerlijken. Zij laat zich degraderen tot een gespecialiseerde funktie in een oppermachtige, door technokraten geleide staat. Zeker, er zijn kritische minderheden, die het nationalisme en de specialisatie als kultuurziektek?-herkennen en zich pogen te verzetten. Maar de meesten zijn vrij willoz’e slachtoffers van de situatie. De zinneloze opvoering van het arbeids-en levenstempo, de onophoudelijke prikkeling van de gehoor-en gezichtsorganen leidt tot geestelijke afstomping, ondermijnt het koncentratie-vermogen en veroorzaakt een toename van het gebruik van drugs en kalmeringsmiddelen. De jongeren staan kritisch tegenover morele waarden, tegenover normen en idealen. Wanneer dan al die morele normen zoveel waarde hebben, waarom leeft en handelt men er dan niet naar? De jonge mens in de kultuurkrisis is een skeptikus. Hij heeft feitelijk nergens eerbied voor en zelfs weinig zelfrespekt. Hij is gericht op het materiële en dat wat vlak bij is, nuchter en praktisch en met een betrekkelijk beperkte belangstellingssfeer. Hij studeert wat hij nodig heeft voor zijn vak en niet veel meer. Hij is los van zijn medemens en los van de dingen en beseft nauwelijks hoe pathologisch deze situatie is. Want existeren, leven betekent deel hebben aan, en elk levend zijn is een samenzijn. En wanneer we dat in het geheel niet meer voelen, dan zijn we in de hel, in de hel, die Sartre zo beklemmend heeft beschreven in zijn totaalstuk Huis CIos, waarin ieder de beul is van de ander. Maar ondanks dit alles is toch een diep gevoel van onbehagen in de getechnificeerde wereld groeiende en vrij algemeen. Zal het tot een geestelijke vernieuwing leiden? Voorlopig valt alleen geestelijke moeheid te konstateren. Tallozen zijn geestelijk dakloos en geloven nergens meer in. Alle organisaties, alle partijen en alle kerken klagen, dat hun leden wel kontributie betalen, maar aan het daadwerkelijke leven van partij en kerk geen aandeel nemen. Het gemiddelde lid van vakbeweging, partij of kerk beschouwt zijn organisatie als een soort verzekering. Hij denkt er niet aan te bedanken, maar laat het werk over aan de enkelen.
Het meest opmerkelijke verschijnsel van een samenleving in kulturele ontbinding is de nozem. De nozems zijn de koortspukkels van een door en door zieke maatschappij. Het heeft zin ons tot slot met hen bezig te houden, want zij vertonen de mentaliteit van de gemiddelde massa-mens als het ware onder een vergrootglas. De nozem behoort tot de zgn. ongrijpbare jeugd. Men moet hem niet zoeken in de jeugdgroepen of in organisaties. Hij leeft in los groepsverband, liever in een soort kudde, want er is te weinig saamhorigheid om van groep te kunnen spreken. Hij lijdt aan kontaktloosheid en eenzaamheid. De nozems zijn wel bij elkaar, maar zij zijn niet samen. Ofschoon hij meestal voortkomt uit de lagere klassen, is dat toch geen regel. De nozem-mentaliteit doorbreekt het standsverschil. Hij is wantrouwend en verkeert in een permanente staat van krampachtige zelfverdediging. Het zelfverzekerd opzetten van een grote mond demonstreert zijn innerlijke onzekerheid en zijn onbewuste minderwaardigheid. Zijn onbegrepen onbehagen uit zich in baldadigheid, vernielzucht en grootdoenerij. Waardering heeft hij alleen voor physieke kracht. Keiharde onaandoenlijkheid is zijn ideaal en hij heeft een sterke neiging tot gewelddadigheid. Er is niets waar hij zo een hekel aan heeft als aan stilte. Hij heeft behoefte aan drukte en lawaai en als hij de stad verlaat, neemt hij een draagbare radio mee. Hij zal nooit een motor-of bromfiets zonder knalpot kopen. Het spreekt boekdelen, dat de motor zonder knalpot vrijwel onverkoopbaar is. Door grote, innerlijke leegte verveelt de nozem zich meestal. Daarom zoekt hij ruzie en is verzot op relletjes. Het is zijn opwindend tijdverdrijf. De nozem werkt, want hij wil geld verdienen, maar het leven is voor hem het amusementsleven. Dit amusement is echter volkomen steriel. Hij heeft een grote hartstocht voor dansen en bierdrinken. Zijn dansen is niet veel anders dan een soort sexueel schuifelen. De bioskoop speelt een grote rol in zijn leven; de schietende en zoenende filmheld is zijn ideaal. Liefde speelt geen rol in zijn leven, maar sex des te meer. Daarbij heeft hij een diepe minachting voor de vrouwen het vrouwelijke in het algemeen. Het gedrag van de nozem is dus geprononceerd onmaatschappelijk; hij is volledig a-politiek en heeft een afkeer van maatschappelijke verplichtingen. Voor een kollektivistische maatschappij is hij stellig ongeschikt, want hij is door en door een individualist. De nozem moet men vooral niet verwarren met de provo. Er zijn veel nozems en halfnozems. Er zijn maar heel weinig provo’s. De provo is een bewuste non-konformist. Hij reageert met afweer en opzettelijke provokatie op een wereld, die steeds meer onleefbaar wordt. Het is een positief protest tegen de levenssfeer van het grote stadsmilieu. Hij wil ook niet meedoen aan de jacht naar een goedbetaalde job. De provo heeft geen toekomstidealen. Hij zoekt oplossingen hier en nu, omdat hij hier en nu leven wil. Hij weigert te gehoorzamen aan de normen van de burgerij, die hij veracht en die hij met diepe minachting het klootjesvolk noemt. Nozem en provo zijn beide onmaatschappelijk. De nozem komt aan de geldende normen niet toe, de provo stijgt er boven uit. Er is niet de minste reden zich zorgen te maken over de provo. Integendeel. Waar men zich zorgen over moet maken, is over de grote meerderheid der fatsoenlijke mensen, want zij zijn het meest wezenlijke gevaar voor het voortbestaan van de mens door hun massale, gelijkvormige onbeweeglijkheid, hun eerbied voor het gezag en hun bereidheid tot kritiekloze aanpassing. De wordende persoonlijkheid, dit typische produkt van de Westerse kultuur, is misschien bezig te verdwijnen. Zal hij zich kunnen handhaven in een maatschappij, waar de rationele voorziening in de materiële behoeften der massa’s door machines het een en het al is? De zelfstandig denkende persoonlijkheid vervreemdt hoe langer hoe meer van een maatschappij, die steeds gelijkvormiger wordt. We staan zeker niet aan het einde van de technische revolutie; veeleer aan het begin. Het brengt velen in een gevaarlijke roes. De techniek bedwelmt ze en ze zien de mens niet meer. Ik echter wil trouw blijven aan de persoonlijkheid, trouw aan de mens, al leef ik in de onmenselijkste van alle tijden. De persoonlijkheid prijs geven, betekent mijzelf prijs geven. Hoe zou ik dat kunnen? Als het niet mogelijk is met God èn met de mensen te zijn, als de maatschappelijke situatie me dwingt tot kiezen, dan kies ik God en niet de mensen. Maar ik weet, dat het lijden dan onontkoombaar is, want ik heb de mensen nodig! Al heb ik deze boze, gruwelijke en geteisterde wereld verworpen, geen vlucht naar een privé-hemel is mogelijk. Waar ik alleen ben, daar is geen hemel, want zijn is mede-zijn!
IS GOD DOOD?
De geestelijke horizon van de gevormde en ontwikkelde mens van de 20ste eeuw is te ruim geworden voor de denk-en gevoelswereld van het traditionele Christendom. In onze verzakelijkte, a-religieuze samenleving wordt bij velen de religiositeit teruggedrongen naar diepe, onbewuste sferen van de ziel. Dikwijls ontstaat er een vage religiositeit, die geen vorm kan vinden. Tallozen worstelen met het konflikt tussen de wetenschappelijke inzichten en dierbare religieuze voorstellingen en gevoelens, die zij niet vermogen los te laten. De psychisch gezonde mens, de vitale mens gaat dit konflikt niet uit de weg. Evenmin akcepteert hij een blijvende splitsing van zijn persoonlijkheid in twee niet te verenigen delen. Scheiding tussen kennis en religie is een ontaardingsverschijnsel. De gezonde mens worstelt zich door het konflikt heen en er bovenuit totdat religieus gevoel en redelijk inzicht met elkaar in harmonie zijn. Hoe weinigen slagen daar echter in. Geweldig sterk is de macht van het gedachteen gevoelspatroon, dat ons als kind is ingeprent en zo blijven de infantiële bindingen en voorstellingen zich handhaven ondanks de toenemende diskrepantie met de nieuwe geestelijke horizon.