(IN DE MAALSTROOM VAN DE KULTUURKRISIS. vervolg1)
De statistiek kan ons inlichten over de toenemende onkerkelijkheid, maar deze cijfers zeggen niets over het verschijnsel van een toenemende a-religiositeit, die in de kerk stellig niet kleiner is dan daar buiten. De kerk in de Verenigde Staten is een typisch voorbeeld van een kerk, die zo met wereldse invloeden doortrokken is, dat men nauwelijks meer van godsdienst spreken kan. De daling van het kerkbezoek is dus volstrekt geen maatstaf. Er is echte religiositeit buiten de kerk. Er is a-religiositeit in de kerk. Het naar de kerk gaan, betekent trouwens niet zoveel meer. Het is een klein stukje van het leven, niet meer het gehele leven. In de sociale en politieke bewegingen is geen enkele invloed van het Evangelie merkbaar. De Christenen gedragen zich daar niet anders dan de nietChristenen. De religie is beperkt tot een zorgvuldig afgebakend klein plekje zonder verband met de rest van het leven. De invloed van een areligieuze samenleving doet zich echter ook binnen de kerk gelden. Zij, die in de kerk zitten en zich de gemeente van Christus noemen, zijn vreemden voor elkaar geworden, zelfs als ze elkaar aanspreken met broeder en zuster. Ze zijn even koud en onverschillig voor elkaar als de nietChristenen buiten de kerk en het is al mooi als ze elkaar niet haten. Het onvermogen en ook de onwil van de belijdende Christen om zijn overleefde dogmatiek los te laten, wordt het Christendom noodlottig. Men kan de traditionele voorstellingen van kruisdood, opstanding, uitverkiezing en oordeel nu eenmaal geen nieuw leven inblazen. Elke onbevooroordeelde bezinning op de fundamenten van het Christelijk geloof moet tot de erkenning van hun onhoudbaarheid voeren. Men tracht ze te handhaven door een volstrekte scheiding aan te brengen tussen geloven en weten. De Fundamentalisten blijven hardnekkig vasthouden aan wat vele eeuwen als onomstotelijke waarheid heeft gegolden, terwijl de vrijzinnige Christenen deze fundamenten van de Christelijke godsdienst hebben losgelaten. Wat zijn deze fundamenten?
1.
De onfeilbaarheid van de Bijbel als de enige openbaring Gods. In een meer vrijzinnige opvatting is de Bijbel geen openbaring, maar bevat hij de openbaring. Die openbaring moet er dan uitgehaald worden en eenvoudig i& dat niet. Niet iedereen is een exegeet. De Bijbel is dan geen boek voor Jan en alleman. Maar heel weinigen zijn bereid te erkennen, dat ook andere heilige boeken openbaring zouden kunnen bevatten. Wie daartoe komt, plaatst zich feitelijk al buiten het Christendom. Hoe weinig Christenen beseffen, hoe stuitend hun exclusivisme voor niet-Christenen zijn kan, Christelijke theologen, die op deze wijze het Christendom absoluut, stellen, plaatsen zich uiteraard buiten de godsdienstwetenschap. Er is immers geen enkele wetenschappelijke reden om het Christendom apart te stellen bij de onderlinge vergelijking der godsdiensten. Men kan goed begrijpen, dat ze hun eigen godsdienst als de hoogste vorm van religie zien, ook al is men het daarmee niet eens. Maar het Christendom als onvergelijkbare grootheid apart stellen is wetenschappelijk onaanvaardbaar. Een groot deel van de wetenschappelijke waarde van de geestesprodukten der theologen komt daardoor te vervallen. Er is een wetenschap van het Christendom mogelijk, maar een Christelijke wetenschap is onmogelijk, is bedrog, is als wetenschap vermomde dogmatiek.
2.
De maagdelijke geboorte’ en de menswording Gods. Het geloof aan de maagdelijke geboorte is een rudiment uit een magisch-primitieve denkwereld. Het Christendom zit trouwens vol dergelijke rudimenten. Lang voor het ontstaan van het Christendom bestond het geloof aan godenzonen uit maagden geboren. Door de opvatting der Christenen van God als de Totaal Andere wordt de menswording Gods iets onzinnigs en volstrekt onbegrijpelijk. Maar wanneer men uitgaat van de gedachte, dat God en mens wezensverwant zijn, dan is het mogelijk de idee der menswording Gods een geheel nieuwe en aanvaardbare inhoud te geven. Er kan dan ook een heel nauw verband gelegd worden tussen de menswording Gods en de Godwording van de mens. Het is hier niet de plaats om daarover uit te weiden. Elders in dit boek zal ik dit echter doen.
3.
Het plaatsbekledend zoenoffer van Christus. De gedachte van een God, die door het bloedig offeryan een onschuldige verzoend moet worden, behoort tot de meest barbaarse en primitieve aspekten van het Christendom. In het hoofdstuk over Jezus van Nazareth kom ik hierop terug.
4.
De lichamelijke opstanding van Christus en de heiligende kracht van zijn herrijzenis. Daar steunt voor de meeste Christenen het hele Christendom op. Hoe ver staan ze echter af van de mysticus Silezius, die zich aldus uitlaat:
“En al was de Christus duizendmaal in Betlehem geboren, en niet binnen in Uzelve, dan waart ge toch verloren! “
Silezius verwerpt dus de gedachte, dat de kruisdood van Christus de mens verlossen kan.
5.
De leer van de erfzonde. Noch in het Oude Testament, noch in het Nieuwe kan men deze leer aantreffen. Het is een wanprodukt van het Paulinisme.
6.
De wederkomst van Christus op de wolken. Het lijkt me juister hier maar stilzwijgend aan voorbij te gaan.
7.
Bij de katholieken komt bij deze fundamentele “waarheden” dan ook nog de doeltreffendheid der sakramenten.
Zo ziet dus de boodschap van het orthodoxe Christendom eruit en ik vraag me af, wat moeten we daar in de 20ste eeuw in hemelsnaam mee beginnen! Maar ook het vrijzinnig Christendom bevat geen mogelijkheden voor een herleving van de religie. Al kan de betekenis van de doorbraak uit de starre dogmatiek op het einde der 1ge eeuwen in het begin van de 20ste eeuw niet worden ontkend, toch was het modernisme geen echt religieus réveil. Het grote tekort van het radikale Christendom is, dat het niet radikaal genoeg is. De engelse bisschop Robinson erkent dat in zijn boekje Honest to God. Er is geen radikale vernieuwing binnen het Christendom meer mogelijk. Vernieuwing betekent in onze tijd uitbreken uit en uitstijgen boven de begrenzing van het Christendom. Dat daarbij de meest waardevolle kern van het Evangelie behouden kan blijven, zal ik duidelijk maken in het hoofdstuk over Jezus van Nazareth.
Welke zijn dan die overleefde en onvruchtbare opvattingen, die zelfs de meest vrijzinnige Christenen niet vermogen los te laten?
1.
De Christen, orthodox of vrijzinnig, ziet de mens als een wezen uit twee werelden, de wereld van de aarde, het lichaam, de aandriften, de materie, de natuur en de wereld van de geest, van het bovennatuurlijke. Dit dualisme kan heel scherpe vormen aannemen en tot een ware, pathologische haat tegen het “vlees” uitgroeien. En waar dit niet het geval is, wordt toch de geest als het hogere en het lichaam als het lagere beleefd. Voor de Christen is de geest uit God; hij vindt zijn oorsprong niet in het lichaam, niet in het natuurlijke, maar in het bovennatuurlijke. De radikale, Amerikaanse theoloog Hamilton konstateert nu echter en dat zeer terecht dat dit geloof in een bovennatuurlijke wereld achter deze natuurlijke wereld in onze tijd verloren is gegaan. Dit betekent dat dan ook elke hoop op een vervulling in het Jenseits verloren is gegaan. Maar het Christendom en de kerk staan en vallen met dit geloof aan het bovennatuurlijke. Hamilton spreekt dit ook uit. De uitspraak van Karl Marx, dat godsdienst opium is voor het volk moet eveneens in dit licht begrepen worden. Voor het Socialisme is hoop op vervulling in het J enseits opium, omdat het gericht is op en gelooft in een vervulling in het Diesseits. En we hebben gezien, dat het krisiskarakter van onze tijd het gevolg is van het verloren gaan van ook deze hoop, zodat helemaal geen hoop meer overblijft.
2.
Wanneer de mens niet meer kan geloven in een bovennatuurlijke we· reld, dan wordt daardoor ook het geloof in een persoonlijk voortbestaan na de dood geschokt. Toch houden de meeste vrijzinnig Christenen daaraan vast.
3.
Het Christendom is een theïstische religie. Voor de Christen is God Persoon, waarmee hij in een ik· Gij· relatie staat. God is niet alleen Persoon, Hij is ook mannelijk en de Christen bidt tot Hem: ” … Mijn Vader, die in de Hemelen zijt …”. De infantiële binding aan deze Godvader is bij Christenen zeer sterk. Volgens Freud is deze Godvader een projektie van de gezinsvader naar de hemel. Zonder Godvader stort het geloof van de Christen volledig ineen. God stuurt redding als de mens in nood zit; Hij laat niet af van het werk Zijner handen; Hij is de levende God, die zich met ieder van ons bezighoudt, zonder Wiens Wil geen musje van de daken valt.
” … Al die duizend, duizend samen
kent de Here bij de namen
en geen één ontgaat Zijn oog …”
Hij hoort en verhoort onze gebeden. Het is in die geest, dat dominees en priesters voortgaan met preken, dwars tegen een bittere, harde, steeds weer ontgoochelende werkelijkheid in. Maar langzamerhand wordt het voor de mens in de 20ste eeuw onmogelijk om daarin nog te geloven. Hij voelt zich allang niet meer veilig in Gods hand; hij voelt zich verlaten en verloren. In een bittere Duitse film ontmoet een uit Stalingrad teruggekeerde soldaat een vriendelijke, oude heer als hij bezig is naar zijn huis te zoeken in een door bommen vernielde straat. De oude heer stelt zich voor als de lieve God. Ach zo, zegt de soldaat, maar wanneer bent U dan eigenlijk lief?
4.
In de verhouding Schepper-schepping blijft elke Christen hardnekkig vasthouden aan de eigenheid Gods, aan het wezenlijk totaal anders zijn van God en aan de eenmaligheid van de schepping. Reeds Spinoza wist beter. Hij schreef over een permanente schepping; de schepping zelve is eeuwig en tussen schepping en Schepper bestaat geen wezenlijke tegenstelling. Maar de Christenen hebben een afkeer van alles wat naar pantheïsme neigt en daardoor staan ze zelfs afwijzend tegenover de Christelijke mystiek.
Zo kan er dus binnen het traditionele Christendom, hetzij orthodox, hetzij vrijzinnig geen sprake zijn van een nieuwe, levende religie. Er is in onze tijd geen andere mogelijkheid voor de herleving van een religieus leven dan in het pantheïsme. Feitelijk ligt ook voor Christenen de weg daarheen open. Zij moeten zich alleen afkeren van Karl Barth en zich verdiepen in de Christelijke mystiek. Alle mystiek berust op de wezenseenheid van God en mens. “God is niet meer de God, die van buiten af ingrijpt” aldus Paul Tillich, “Hij moet herkend worden als de grond van ons bestaan”. Maar juist dat hebben alle mystici gezegd en velen hebben het helder en indringend genoeg onder woorden gebracht. Eckehart, Jan Luyken, Ruusbroek, Silezius, William Blake, om maar enkele te noemen. De Christenen blijven hardnekkig doof voor hun stem. En bleef het daar nog maar bij. Maar zij protesteren als men de Christelijke godsdienst beschouwt als een godsdienst naast vele andere. De meesten hebben er niet de minste notie van hoeveel afkeer hun geborneerde superioriteitswaan en hun star exclusivisme wekt bij mensen van een andere religie en bij velen, die geen religie hebben of zeggen te hebben. Geven zij ons niet alle reden hun zogenaamde deemoed als huichelarij te beschouwen, als verkapte hoogmoed? Staat dan een mantaliteit, die in het Christendom de hoogste vorm van godsdienst ziet en die de Bijbel als de enige en uitsluitende openbaring Gods beschouwt niet op één vlak met rassistische zelfverheffing? De Indiër Vivekananda en vele Oosterlingen met hem zijn van mening, dat het hoofdkenmerk van de Westerse Christen schijnheiligheid is. De enorme diskrepantie tussen de Evangelische liefdeleer en de zgn. Christelijke politiek werkt verbijsterend op de Oosterling. Hij begrijpt niet, hoe zoiets mogelijk is en moet wel tot de konklusie komen van geraffineerde huichelarij. Toch vergist Vivekananda zich. De gemiddelde Christen is geen echte huichelaar, want hij is zich van deze tegenstelling niet of nauwelijks bewust. Vivekananda heeft niet voldoende inzicht in de eigenaardige vermenging en versmelting van burgerdom en Christendom, die het karakter en het gedrag der Christenen bepaalt. Het door elkander vloeien van Evangelische en burgerlijke moraal heeft geleid tot dat vreemde mengsel van God en Geld, dat we als traditioneel Christendom kennen. Dit griezelige mengsel is zo diep ingedrongen in de ziel van de Christen en zo met hem vergroeid, dat hij zelf er niet al te veel besef van heeft. Hij huichelt niet met opzet; hypokrisie behoort tot het wezen van het Christendom, omdat Evangelie en burgerdom nu eenmaal onverenigbare tegenstellingen zijn. Burgerdom is ondenkbaar zonder hoge waardering voor vlijtige arbeid, sobere spaarzaamheid, bezit en de vorming van macht om dat bezit te beschermen en te vergroten en niet te vergeten het gebruik van geweld als middel daartoe. Maar bezit, macht; geweld passen slecht in een religie, die uitsluitend op liefde wil steunen en die leert: “Zoek eerst het Koninkrijk Gods en al het andere zal U worden toegeworpen”. Maar de gemiddelde Christen zoekt op de allereerste plaats het bezit. Overigens moet gezegd worden, dat de humanistische burgers geen haar beter zijn dan de Christenen en net zulke pharizeeërs, want humanisme en bezit verdragen zich evenmin. Waar èn Christen en humanist beide met hetzelfde walgelijke sop van het Bezit zijn overgoten, is de tegenstelling tussen hen van geen enkele betekenis meer.
Nu hebben door de ontwikkeling van de techniek de machtsmiddelen een gruwelijk en vernietigend karakter gekregen. En nu zijn Christen en humanist verontrust. Ze doen niet alsof ze verontrust zijn, ze zijn het werkelijk. Maar veel verder dan verontrusting komen zij niet; daaruit blijkt hun zielige machteloosheid. Een radikale breuk met de bestaande samenleving durven ze niet aan, omdat de Christen meer burgerlijk dan Evangelisch denkt en de humanist meer burgerlijk dan humanistisch. De eerste Christenen wezen de toenmalige Romeinse wereld van macht en geweld volledig af en ze bleven daarbij, al wierp men hen voor de leeuwen. Maar de Christenen van onze tijd zijn zelf machthebbers en bloeddorstige leeuwen geworden, heel wat afgrijselijker dan de leeuwen, die de eerste Christenen verscheurden. En zij trachten daarbij de Evangelische liefdegrijns te handhaven. Het is niet moeilijk de verbijstering van een Vivekananda te begrijpen.
En nu is de God der Christenen stervende en het zijn Christelijke theologen, die zeggen, dat Hij al dood is. De Duitse theologe Dorothée Sölle beweert, dat God overbodig geworden is. Nu de mens veel kan, wat hij vroeger niet kon en waarvan hij verwachtte, dat God het voor hem doen zou, nu heeft hij God niet meer nodig. Wij, mensen, bekleden nu Zijn plaats, zegt Sölle. Hoe meer de mens zelf in macht toeneemt, hoe meer God overbodig wordt. En zo heeft de mens de behoefte om op een transcendentale macht te steunen verloren. Dorothée Sölle heeft maar zeer ten dele gelijk. Zeker, er zijn mensen genoeg, die de enorme mogelijkheden van de moderne techniek naar het hoofd gestegen is. Maar de onmacht om de technische verworvenheden te gebruiken, om een leefbare, harmonische samenleving op te bouwen is zo klaarblijkelijk en de bedreiging met vernietiging, die juist door deze verworvenheden mogelijk is geworden, is zo groot, dat men rustig zeggen kan, dat in geen enkele voorafgaande tijd het leven zo vol onzekerheid, uitzichtloosheid, angst en dreiging is geweest als juist nu. En in zulk een situatie zou de mens geen behoefte hebben aan steun, bescherming, zekerheid, veiligheid? Hij geeft zelfs zijn vrijheid prijs, als hij denkt daarmee veiligheid te winnen. Erich Fromm heeft ons duidelijk gemaakt, hoezeer de mens bevreesd is voor vrijheid en zelfstandigheid. Neen, niet de behoefte aan steun van God is minder geworden, integendeel. Maar het vertrouwen, dat die steun inderdaad van God zal komen, is verdwenen. Het aantal mensen, dat gelooft door de middelen der techniek leven en samenleving te kunnen ordenen is niet zo groot. De feiten zelf geven zulk een naïef vertrouwen dan ook volstrekt geen steun. Neen, de mens wordt wel technisch knapper tot in het voor leken onvoorstelbare, maar hij wordt niet geestelijk rijper, niet mondiger. En daar ligt juist de wortel van het gevaar. Gevaarlijk speelgoed in handen van kinderen. Kinderen? Neen, dat is een veel te mooi woord. De mens is verworden tot een agressief, gevaarlijk, ziek geworden dier. Hamilton zegt, dat God op deze aarde niet meer aanwezig is en blijkbaar ook niet in de hemel. We zullen het zonder Hem moeten doen, zegt hij. Bonhoeffer verklaart, dat God zich uit de wereld laat verdringen. Maar Luther zei reeds, dat God de aarde in handen van de Duivel had gegeven en dat deze Heer der wereld was. Altizer wacht nog op Godot, op een soort wonder, een doorbraak van de Heilige, een nieuw besef van sacraliteit. Wat dat dan voor een besef moet zijn, weet hij niet. Ik zal echter in dit boek over deze nieuwe sacraliteit spreken. Al deze theologen zijn geen atheïsten. Geen mens, die Gods afwezigheid ervaart als een diepe smart, kan men een atheïst noemen. Hij weet wel, dat God werkelijkheid is, maar hij heeft met deze goddelijke Werkelijkheid geen kontakt meer en dus jammert hij: God is dood! Dat is een wanhoopskreet. De werkelijke atheïst merkt niet, dat God afwezig is. Hij loochent niet Gods aanwezigheid, want hoe zou hij iets kunnen loochenen, dat hij als niet werkelijk beschouwt. De atheïst verklaart, dat hij best kan leven zonder God, zonder religie. Het is volstrekt niet ondenkbaar, dat de mensen zullen leren leven zonder God en dat ze daarbij geen gemis meer zullen voelen en geen wanhoopskreten meer zullen slaken. Maar ze zullen dan opgehouden hebben mensen te zijn. Het gebrek van de God-is-dood-theologen en van vele anderen is, dat ze niet kunnen inzien, hoe onverbrekelijk het verband is tussen God en menselijkheid. Vooral veel humanisten zijn volledig gespeend van een dergelijk inzicht. We doen het zonder God, zegt Hamilton, maar we houden vast aan Jezus van Nazareth. Maar de horizontale bindingen, de bindingen tussen de mensen, steunen op, vinden hun grond in de vertikale binding, in de binding met het Transcendente. Wanneer het bewustzijn van een metaphysische, van een transcendentale Grond van het bestaan gaat ontbreken en de noodzaak ervan niet meer wordt gevoeld, dan leidt dit verdwijnen van de vertikale binding onontkoombaar tot het losser worden en uit elkaar vallen der horizontale bindingen. En wat blijft er dan over van de mens? Wie God afschaft terwille van de humaniteit, zal ook de humaniteit verliezen. Wie God afschaft, schaft de mens af! De oorspronkelijke, menselijke gemeenschappen hadden alle een sacraal karakter. Het is een fout gemeenschap zuiver sociologisch te willen verklaren. Zonder sacraliteit is er geen gemeenschap denkbaar en alleen een nieuwe sacraliteit kan de mens van nu tot nieuwe gemeenschapsvormen brengen.
In de radikale theologie vervlakt het Christendom tot een machteloos ethicisme. Het lijkt me onjuist hierin een voortzetting of een herleving te willen zien van het 1ge eeuwse modernisme. Het verloren laten gaan Van de vertikale binding met het Absolute, met God en het zich uitsluitend bepalen tot een horizontale ethiek was stellig niet de bedoeling van de modernisten der 1ge eeuw. De God-is-dood-theologie is een nieuw verschijnsel en slechts te begrijpen als een gevolg van de geestelijke krisis, die na en door de tweede wereldoorlog is ontstaan. De radikale theologie is geen herleving van de religie, maar het in ontbinding verkerende lijk van het Christendom. Het is zeer begrijpelijk, dat de orthodoxe Christenen er zich met weerzin van afwenden. Maar het orthodoxe Christendom kan men moeilijk levend noemen. Het is een gebalsemde mummie en kan in die toestand nog lang voortbestaan. Karl Barth heeft deze mummie stevig ingemetseld in twaalf dikke delen dogmatiek, die over 25 jaar hoogstwaarschijnlijk door niemand meer zullen worden gelezen. Als de mensheid behouden blijft, dan zullen de historici uit het jaar 2500 de mummie misschien ontdekken en er met verbazing en afkeer op neerkijken.
De wanhoop die spreekt uit de kreet God-is-dood, is niet alleen ontstaan door het verloren gaan van het geloof in en het vertrouwen op een God daarboven. De wanhoop heeft nog diepere wortels. Nu wil ik de gevolgen van het verdwijnen van het traditionele Christelijk Godsbegrip niet bagateliseren. Voor velen is dat inderdaad verschrikkelijk, omdat hun behoefte aan een dergelijke God niet verdwenen is. Maar toch, de dood van een God is niet het ergste. Zijn de Olympische goden ook niet gestorven? En voor wie betekent Ammon-Ra nog iets, of Osiris, Mardoek, Odin? En nu is het de beurt van de God van Abraham, Isaäc en Jacob om te worden bijgezet in het historisch museum. Hij is tenslotte een Godsbegrip, een voorstelling van God en niet God zelf. Geen enkele voorstelling van of gedachte over God is identiek met God. God is ondoorgrondelijk en er kan dus nooit een adequaat Godsbeeld zijn. Maar als we dat niet of niet voldoende beseffen, dan geeft de ineenstorting van onze Godsvoorstelling ons het gevoel, dat God dood is. We moeten echter onze overleefde Godsvoorstelling door een betere vervangen, die mogelijk later ook wel weer overleefd zal zijn. Maar wat doet dat ertoe! De Godsvoorstelling is God niet. En de krisis, waarin de ondergang van zijn Godsvoorstelling de mens ongetwijfeld brengt, zou veel gemakkelijker overwonnen worden, als hij besefte, dat wat de mens over God denkt, hoe hij zich God voorstelt van veel minder betekenis is dan het werkelijke kontakt, dat de mens met God hebben en houden kan binnen in zijn eigen ziel. Dit levende kontakt met God in ons is niet atbankelijk van de Godsvoorstelling. En het is hier, dat de diepste wortel van de wanhoop van de mens van onze dagen ligt. Hij heeft het vermogen verloren dit kontakt met God binnen in hem tot stand te brengen of misschien moet ik zeggen, tot stand te laten komen. Hij is van God vervreemd. Dat is niet alleen het tragisch lot van enkele weinige gestudeerde theologen, maar het lot van millioenen. Ondanks de woorden: het Koninkrijk Gods is binnen in U, ondanks Tillich’s vermaning om God binnen in ons te zoeken, ondanks de talloze, duidelijke uitspraken en getuigenissen der mystici, blijft de mens van God vervreemd en lijdt hij aan Godverlatenheid. Hij schreeuwt, dat God dood is, maar hijzelve is het lijk. De visionair en mysticus William Blake schreef:
” … de toegangen of verbindingen met het Absolute zijn geleidelijk verstopt geraakt … “
Dat is meer dan 200 jaar geleden en eerst nu beginnen enkele dieptepsychologen te ontdekken, hoe juist dit is. Geen krisis kan iets veranderen aan de werkelijkheid, dat de mens opgenomen is in en deel heeft aan een kosmisch Geheel, aan het Totale Zijn, aan de levende, eeuwige God. Maar hij weet het niet en voelt het niet. Voor de ontwortelden heeft het geen betekenis meer. Zij kunnen de weg naar het Transcendente niet vinden. J .P. Sartre schrijft:
” … dit zwijgen van het Transcendente verbonden met het voortduren van de godsdienstige behoefte, is de grote kwestie … ”
De ontwortelden menen, dat God dood is, of afwezig en dat Hij zwijgt. Maar God zwijgt niet! Het zijn wij, die niet horen. God is niet dood! Het zijn wij, die niet leven. Maar uit onze godsdienstige behoefte, uit onze religieuze honger blijkt, dat we nog niet helemaal dood zijn. God is ook in de ongelovigen en in de ontwortelden. De mens van nu vertoont het tragische beeld van de reiziger in de woestijn der samenleving, die omkomt van dorst, vlakbij de heldere bronnen des eeuwigen levens. De dichter A. van Collem schreef:
,,0, mensen, hemelen en aarde zijn in U!
En gij weet het niet! “
Sartre heeft de grote-kwestie juist geformuleerd. Het Transcendente schijnt te zwijgen en wij zijn religieus ondervoed. Dus behoren we ons af te vragen: “Hoe komt het, dat we God niet meer horen? Hoe komt het, dat wij maar zo gedeeltelijk leven en dat we niet steeds helemaal van God vervuld zijn? Hoe vinden we de weg naar God terug?