Pantheïstisch Pleidooi

05/03/2009

Hoofdstuk 2

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 15:46

IS ER EEN TRANSCENDENTE WERKELIJKHEID?

Het woord transcendentie heeft in de loop der jaren verschillende betekenissen gehad sinds Augustinus het werkwoord transcendere het eerst gebruikte. Ik zal me niet met al die betekenissen bezighouden. Voor mijn doel heb ik meer dan genoeg aan een onderscheiding van het Chris­telijke en het pantheïstische begrip transcendentie.

De konceptie van een totaal andere wereld, wezenlijk van de onze verschillend, een volstrekt andere Werkelijkheid buiten ruimte en tijd, staat in de Joods-Christelijke traditie centraal. Het is de bovennatuurlijke we­reld, de civitas Dei, de stad Gods van Augustinus. Het geloof aan deze bovennatuurlijke wereld is de basis van het specifiek Christelijk geloof in een persoonlijke onsterfelijkheid. Maar de erkenning, dat er een trans­cendente Werkelijkheid bestaat, dat is een Werkelijkheid, die de mens principieel te boven gaat, behoeft volstrekt niet in te houden, dat deze Werkelijkheid totaal anders is, wezenlijk van de menselijke werkelijkheid verschillend. Er is geen wezenlijk verschil tussen de mensen en dat wat de mens te boven gaat, geen wezenlijk verschil tussen mens en God. De transcendente Werkelijkheid en de fenomenale werkelijkheid zijn één.
De transcendente Werkelijkheid is het Totale Zijn, is God. Dat rechtvaardigt het gebruik van hoofdletters bij de aanduiding ervan. De menselijke werkelijkheid is dat deel van God, dat voor ons mensen kenbaar is. Men store zich toch niet aan het gebruik van het woord God als aanduiding van de Transcendentie. Indien de Christenen het willen reserveren voor hun totaal andere, persoonlijke God, dan kunnen ze het woord van mij kadeau krijgen. Ik ben er niet zo erg aan gehecht, dat ik het helemaal niet los kan laten. Maar ik blijf het toch gebruiken, omdat ik eraan gewend ben en ik gebruik het zoals Spinoza het bleef gebruiken en vele mystici. Theologisch gesproken zijn God en Zijn Schepping één en zijn beide eeuwig. Wanneer ik onder het woord schepping het Totale Zijn wil verstaan, dan is de schepping God. Wanneer ik echter onder schepping versta de fenomenale werkelijkheid, dan is de schepping niet God, maar dat deel van God, dat voor de mens kenbaar is. Daardoor heeft dus elk verschijnsel in de schepping een transcendentaal aspekt, een transcendentale dimensie. Indien de poorten der waarnemin$ werden geopend, aldus William Blake, dan zou alles aan de mens verschijnen, zoals het werkelijk is, nl. oneindig. Maar de mens heeft zichzelf op­gesloten en ziet alles slechts door de nauwe kieren van zijn hol. Het lijkt ons niet juist zonder meer uit te gaan van het bestaan van een Transcendentie zonder ook maar enige poging te ondernemen, duidelijk te maken, dat er inderdaad een Transcendentie is en hoe we dat zo zeker kunnen weten. (32)

Enerzijds verwerp ik een bekrompen positivisme, waarin alle besef, dat de werkelijkheid heel wat meer is dan de mens bevatten kan, verloren is gegaan en anderzijds een levensvijandig, aanmatigend spiritualisme, dat een wezensvreemde, zuiver geestelijke werkelijkheid poneert en er zich geen zier om bekommert, hoe dan deze wezensvreemde Transcendentie in onze menselijke werkelijkheid ingrijpen kan. Het positivisme ontkent, dat er grenzen zijn aan het menselijk denken, althans principieel onoverschrijdbare grenzen. Wat principieel onkenbaar is, dat bestaat ook niet voor de positivist. De overschatting van het den­ken bij een filosoof als Hegel is verbijsterend. Hij laat zich aldus uit:

….. het Heelal bevat niets, wat aan de kracht van het denken weer­
stand zou kunnen bieden. Het moet zich voor het denken openen
en zijn schatten tonen … “

Hieruit blijkt wel een typisch a-religieuze verabsolutering van het denken. Kant echter zag en erkende de grenzen van de menselijke rede, al zag hij er terecht de enig mogelijke, kritische instantie in. Na Kant komt het Westen tot het inzicht, dat de din~en, het bestaande, in het jargon der vakfilosofen de zijnden, een verschÎ]ningskarakter heb­ben. Men spreekt van een kopemikaanse omwenteling in het kentheore­tisch inzicht, waarin een primitief materie-realisme definitief wordt over­wonnen, althans bij de wijsgeren. De dingen verschijnen en verdwijnen; zij ontstaan en vergaan. De enige voor ons kenbare wereld, aldus Kant, is de zingtuiglijk ervaarbare. Maar deze wereld der objekten ontstaat door de struktuur van onze zintuigen en van ons denken. Zij ontstaat doordat wij door middel van onze zintuigen met een onbekende werkelijkheid in verbinding treden. Zij is niet geheel en al door ons en uit ons voortge­bracht, zoals het solipsisme beweert, maar zij kan er zonder deze onbe­kende Werkelijkheid helemaal niet zijn. En zo is het dus heel goed denk­baar, dat er een Werkelijkheid is, die niet denkbaar is. Het besluiten tot het bestaan dezer Werkelijkheid is zelfs onontkoombaar. Er kan trouwens van eindigheid en van eindige objekten helemaal niet zinvol gesproken worden, als men geen oneindigheid vooronderstelt. Maar oneindigheid is voor de mens onvoorstelbaar. We hebben God gelijk gesteld met het Totale Zijn. Dan is God ook de enige Werkelijkheid en er is geen werkelijkheid, die niet God is. En hier­mee zijn we dan volledig in het pantheïsme aangeland, dat de enige vorm van religie is, die voor de mens van heden redelijk aanvaardbaar is en hem niet plaatst tegenover een onoplosbaar konflikt tussen religie en wetenschap. Elk zijnde, elk ding, ster en steen, plant, dier en mens is deelgeheel van het Totale Zijn, dat de empirische werkelijkheid ver te boven gaat. God is in elk zijnde aanwezig. De mystici hebben dat altijd geweten en zijn niet teruggeschrokken, al waren zij Christenen, voor pantheïstische uitspraken.

Het is één van de vele innerlijke tegenstrijdigheden van het Christendom, dat het enerzijds hardnekkig vasthoudt aan de idee, dat God een boven­natuurlijke, persoonlijke Transcendentie is en dan toch anderzijds de ge­dachte van de immanentie Gods, van God in de mens, niet resoluut af­wijst. Maar de idee van een persoonlijke Transcendentie, een totaal ande­re Transcendentie is onverenigbaar met een immanentie Gods. Hoe zou een totaal andere God in kunnen grijpen en werken in onze wereld?(33)

De psychologie heeft allang duidelijk gemaakt, dat de Christelijke God­vader een projektie is. Een God echter, die in alles is, kan juist daardoor niet wezenlijk verschillend van ons zijn. Hij behoort tot ons wezen, ja is ons wezen. En stellig is Hij geen Persoon. Inhaerent aan het begrip per­soon is het begrip begrenzing. Men kan niet van persoon spreken zonder de persoon af te grenzen van wat niet persoon is. Maar God is het onbe­grensde en zelfs het Christendom leert, dat Hij alomtegenwoordig is. God is niet wil, laat staan willekeur. Een vrije wil, die zich in een wezens­vreemd Transcendente bevindt, kan niet in een gedetermineerd bewust­zijnsproces ingrijpen. Er is geen onafhankelijk Ik, geen kreatief Ik. Alle kreativiteit komt juist uit het Niet-Ik. Het Ik kan het stuur zijn van ons gedrag, heel vaak is het maar een stuntelig stuur, maar het is nooit drijfkracht, nooit motor. Alleen de aandriften zijn de enige drijfkrachten van alle gedrag bij mens en dier. Het Ik heeft niet het vermogen in de strijd der motieven naar willekeur in te grijpen. Het sterkste motief over­wint, ook als het Ik er zich niet mee identificeert. We zeggen dan: “Ik was mezelf niet”. En de motieven zijn geworteld in de aandriften. Aandriften zijn psycho-physische verschijnselen. En zo bestaat er geen lichaamsvrij denken of willen. Sommigen zeggen, dat het absoluut deter­minisme door de hedendaagse atoomphysici is losgelaten. Deze atoom­physici vermogen mij echter niet te overtuigen. Zeker, de wetten van de atoomphysici worden als waarschijnlijkheids­wetten uitgedrukt, die in sommige gevallen een graad van zekerheid ver­krijgen. Blijkbaar is het onmogelijk de wetten van de macro-physica toe te passen in de micro-wereld van het atoom. De plaats van een deeltje kan onmogelijk vooruit bepaald worden, zodat men wel genoodzaakt is met waarschijnlijkheden te werken. Maar betekent dit nu, dat de plaats van het deeltje onbepaald is? Het betekent alleen, dat de plaats van het deeltje onbepaalbaar is en de mens dus de grens van de voorspelbaarheid heeft bereikt. Dat is een argument voor de beperktheid van het mense­lijk kenvermogen, maar het is geen argument tegen het determinisme. Ook al is dus de onmogelijkheid gebleken op dit terrein der micro­physica te weten, hoe de wereld er het volgend ogenblik uit zal zien, be­tekent dit volstrekt niet, dat dit toekomstig moment niet volledig be­paald is door het Totale Zijn, waarin alles met alles samenhangt en waar­in geen willekeur noch vrijheid bestaat of mogelijk is. Het Transcendente – Karl Jaspers spreekt van het Umgreifende – is geen objekt. Het is ook geen Subjekt met een hoofdletter, geen Gij. Het is niet wil, niet bewustzijn, niet geest, niet psyche, niet liefde, niet ge­rechtigheid, niet eeuwig licht. Ik kan niet zeggen, wat het is, alleen wat het stellig niet is. !Iaar ik weet, dat het is. En niet alleen, omdat kennis en logisch denken mij daartoe dwingen, maar veel meer, omdat ik Gods aanwezigheid in mijn eigen diepste innerlijk ervaar, zoals alle mystici dat ervaren hebben, hoe verschillend hun denken over Gods eigenschappen ook geweest moge zijn. Mystiek verenigt, maar theologie scheidt. De theologische opvatting van het Totaal Andere, van de Totaal Andere laat echter geen plaats voor mystiek en de afwijzende houding van de theoloog Kar! Barth tegenover de mystiek, zelfs tegenover de Christelijke is vanuit zijn standpunt vanzelfsprekend en logisch. Vanuit een panthe­ïstische religie is dan de gehele Barthiaanse theologie volstrekt waarde­loos. Een persoonlijke God kan niet binnen in elke mensenziel zijn, maar een onpersoonlijk Transcendente kan dat heel best. Nu kan Paul Tillich (34) de Christenen wel vermanen om God niet daarboven en daarbuiten te zoeken, maar binnen in hen en beneden in de diepten der eigen ziel, maar dan vereist dit een loslaten van het persoonlijk Godsbegrip. Het is de tragische situatie van de moderne Christen, dat zijn verstand het hem onmogelijk maakt, langer nog aan God daarboven en daarbuiten te gelo­ven, maar dat zijn emotieve leven aan zijn Hemelse Vader gebonden blijft. Het is niet voldoende in te zien met het verstand, dat het Transcendente binnen in ons is. Om het niet meer te projekteren en te personifiëren is een geestelijke rijping nodig, waaraan velen niet toe zijn. Projektie en personificatie van het Transcendente zijn psychische processen, die in een primitieve geestesgesteldheid thuis horen. Het is merkwaardig bij  Christelijke theologen te lezen, dat zij de primitieve religie niet erken­nen als werkelijke religie, maar er een soort voorphase van de religie in zien. Het komt mij echter voor, dat de primitieve religie meer werkelijk dan het volkomen spekulatieve geloof in het bovennatuurlijke. De primitieve mens maakt dat onderscheid niet. Hij gelooft wel in een onzienlijke wereld, maar ziet deze wereld niet als bovennatuurlijk en wezenlijk anders dan de natuurlijke wereld. De Christelijke anthropoloog dat erin, omdat hij zelf zo is en denkt. Maar de primitieve mens kent geen onstoffelijke geest of geesten. Zijn abstraktie-vermogen schiet trouwens tekort voor de voorstelling van een God, die zuiver geest is of voor een ziel, die onstoffelijk is. Edward Clodd vertelt van primitieven, die de hut van een gestorvene wekenlang niet aanvegen, om de daar nog vertoevende ziel niet te beschadigen. Men kan van God niet zeggen, dat Hij bestaat. Bij bestaan denken wij aan objekten of aan een subjekt. Beide bestaan en vergaan. Maar God be­staat niet en vergaat niet. Hij is. Wijsgeren spreken wel van het Niet-Zijn. Lao Tse noemt in het Tao Te King dit Niet-Zijn het Lege. En dit Niet­-Zijn is dan alleen gebruikt in tegenstelling tot de tijdelijke zijnden en heeft dus geen negatieve, maar juist een zeer positieve inhoud en bete­kenis, want het is de grond van alle zijnden en het is in alle zijnden en dus ook in de menselijke ziel. Eckehart zegt:

” … er is iets in de ziel, dat ongeschapen is … “

De leer van het kollektieve onbewuste komt dit bevestigen. De mens van onze dagen begint het besef van een Transcendentie te ver­liezen. Hij denkt te kunnen leven zonder God. Nog veel minder voelt hij en weet, dat hij aan de Transcendentie deel heeft. Het Christendom is daar zeker mede verantwoordelijk voor. In zijn redeloze afkeer van het pantheïsme heeft het de mens al te zeer eraan gewend zijn God daar­boven in het jenseits te zoeken. Zo voelt de mens zich niet deel van en opgenomen in een onzichtbare ordening en beseft hij niet, dat al zijn lijden slechts voortkomt uit het niet meer harmonisch in deze onzicht­bare ordening ingepast te zijn, ofschoon hij daar krachtens zijn wezen desondanks toe behoort. Hij zal het opnieuw moeten leren en als hem dat niet lukt, zal hij ten gronde gaan. Religie kan men zeer goed het verlangen van de mens noemen om tot de transcendentie in de juiste verhouding te staan, om één te zijn met het Transcendente, waarin zowel het natuurgebeuren als zijn eigen leven en lot hun grond hebben. Opgesloten zijn in het tijdelijke, het kontakt met het Eeuwige verloren hebben, kan de mens in een toestand van ver­twijfeling brengen. De verbreking van het kontakt tussen het bewuste Ik (p35) en de diepten van het Onbewuste, waar God woont, leidt eveneens tot het los worden van de verbindingen met andere objekten; zelfs het mede ­subjekt, de medemens wordt daardoor tot objekt en alle objekten te sa­men een willekeurige, losse verzameling zonder onderlinge samenhang. De mens voelt zich dan volkomen alleen, een zinloos ding temidden van vele andere even zinloze dingen. Hoe begrijpelijk worden dan de uitingen van bepaalde existentie-filosofen, als ze spreken van angst, eenzaamheid, verlorenheid en vertwijfeling. Toch kan geen enkel mens blijvend de kon­frontatie met het Eeuwige vermijden. Hij weet, dat hij sterven moet en aan de dood is geen ontkomen. Existentie-filosofen spreken van een grenssituatie, waarin de mens zijns ondanks gesteld wordt tegenover de Transcendentie en er een vaag besef tot hem doordringt, dat er iets is, dat zijn eindige wereld overschrijdt. Geheel teruggevallen op zichzelf, kan hij zich dan bewust worden “an zijn gruwelijke verlorenheid, zijn vol­strekte nietigheid, zijn eindigheid, zijn onbelangrijkheid. Zulk een toe­stand kan hem tot het besef brengen van zijn transcendentale dimensie, al gebeurt dit helaas lang niet altijd.
Maar als dit besef doordringt, dan weet de mens, dat hij niet identiek is met zichzelf en dat geen ding identiek is met zichzelf en dan zou hij de uitspraak van William Blake met Heugde als juist kunnen erkennen. De onzichtbare ordening kunnen we ontdekken door onderzoek en denken, maar de eigenlijke kracht van de religie schuilt in de beleving van de aan­wezigheid Gods. Het is een innerlijke ervaring, die bij de gelovige van zodanige kracht en intensiteit kan zijn, dat hij helemaal geen behoefte heeft aan bevestiging door onderzoek en denken. Denken ligt trouwens de meeste mensen niet. De religieuze mens ervaart Gods werkelijkheid als een volstrekte evidentie in hem en redeneringen, bewijzen, theorieën, dogmata laten hem vrij onverschillig. Als ik toch tot dergelijke redeneringen mijn toevlucht neem, dan doe ik het niet, omdat ik dit voor mijzelf zo nodig heb. Wat mijzelf betreft kan ik dit boek ongeschreven laten. Maar ik schrijf voor hen, die Gods aan­wezigheid niet voelen of nog altijd tevergeefs hun ogen naar omhoog slaan. Laten ze eens luisteren naar Jan Luyken:

“Ook ik dacht Gij waart verre

Op enen troon, hoog boven maan en sterren.

En ik hief menigmaal mijn oog

In diep verzuchten naar omhoog.

Maar toen Ge U beliefde te openbaren,

Toen zag ik niets van boven nedervaren!

Maar in den grond van mijn gemoed,

Daar werd het lieflijk en zoet!

Daar kwaamt Gij uit der diepte opwaarts dringen

En als een bron mijn dorstig hert bespringen! “

Wie dat zo als Jan Luyken ervaren kan, die gelukkige heeft geen logische betogen van node. Hij behoeft zelfs dit boek niet te lezen. Hij heeft het niet nodig. Dit boek is geschreven voor hen, die jammeren, dat God dood is en voor de velen, voor wie God dood is, maar die helemaal niet meer jammeren, volledig opgesloten als ze zijn in de tijdelijkheid, voortzeulend in de sleur der dagen, lust najagend, terwijl ze eeuwig onbevredigd blij­ven, zich uitputtend in zinloze daden, niet beseffend, dat de mens zon­der God neerdaalt tot het dier en daar ver beneden, niet begrijpend, dat (36) hij voor de keuze staat God te worden of tot Robot te verworden. Esse est Deus, het Zijn is God! De a-religieuze mens voelt dat niet en weet het niet. Godverlatenheid, Zijnsverlatenheid is de grote ziekte van onze tijd. De oude God, de traditionele Christelijke HIemelse Vader is dood en een nieuwe God is er nog niet. Zal Hij komen? Moeten we op Hem blijven zitten wachten? Is dat niet een wachten op Godot, die nooit komt? Of moeten we een speurtocht ondernemen naar de aetiolo­gie van deze afgrijselijkste van alle kwalen?
Toen het bewustzijn opdook uit de ondoorgrondeliJke diepten van het Zijn, ontdekte de mens zijn eigen afzonderliJkheid. Het gevoel van iden­titeit ging verloren en het besef van uniciteit werd geboren. De breuk met wat Alfred Adler het Urwir noemt, de breuk met God was onver­mijdelijk. Het Christendom heeft altijd een diep besef gehad van die breuk en van de diepte van de val van God weg. Zondeval, zeggen de Christenen en in hun barbaarse visie wordt het bestaan van de mens als zodanig al tot schuld. Hoevelen spreken nog met sombere stem over erfzonde en vergallen de simpelste levensvreugden met hun stuitend gepreek over hel en verdoemenis! Hoe kon de mens zover van God afvallen? Dat is de meest klem­mende vraag. En is er dan geen weg terug, althans een weg omhoog, een vereniging met God op een hoger, nu bewust niveau? Kan de identiteit
worden hersteld, zonder dat de uniciteit verloren gaat? Heidegger zegt, dat we getuigen van het Zijn moeten zijn, d.w.z. het To­tale Zijn moet in ons tijdelijke, individuele zijn altijd aanwezig en voel­baar zijn. We behoorden zo te leven, dat het gevoel van Gods aanwezig­heid ons nooit verlaat. Het Eeuwige moet in ons zijn op elk moment. De religieuze mens is zich steeds diep bewust van de aanwezigheid van het Transcendente. Hij ontmoet het en ervaart het in alles even diep. Maar ook de religieuze mens ontkomt niet geheel en al aan de ziekte van onze tijd, de Godverlatenheid. Maar hij weet dan, wat hij mist. Hij probeert niet vergoeding te vinden door een zinloos streven naar bezit, geld, macht of status. Wat betekenen deze gewone doeleinden der mensen voor hem, die de onmetelijke vreugde van Gods nabijheid heeft ervaren!
Ik heb hierboven een reeks vragen gesteld en het antwoord weggelaten. Maar dat is uitstel, geen afstel. De bioloog von Uexkuel lanceerde het begrip Umwelt. Het kan ons hel­pen bij het verwerven van het inzicht, dat de wereld, die wij ervaren, een selektie is uit het Totale Zijn en niet de gehele, laat staan de adequate werkelijkheid. Von Uexkuell probeerde te weten te komen, hoe het dier zijn eigen milieu ervaart. Hij trachtte dit af te leiden uit het gedrag en uit de struktuur der zintuigen van het dier. In de hersenen van het dier wordt de Umwelt opgebouwd door een selektie uit de ontvangen prikkels. Elke soort leeft in zijn eigen specifieke Umwelt. Daarna bracht hij dit begrip over op de wereld van de mens en kwam tot de konklusie, dat het ook daar geldt. De mens bouwt zijn Umwelt net zo op als het dier. Maar er zijn verschillen. Op de eerste plaats is de Umwelt van de mens heel wat uitgebreider. Op de tweede plaats kan deze Umwelt van de mens onbe­perkt worden uitgebreid, terwijl het dier steeds in dezelfde Umwelt blijft leven.
Ook de mens bouwt dus zijn wereld op uit zijn omgeving. Hij doet dat als lid van de soort mens; hij doet het tevens als lid van een bepaalde maatschappelijke groep en tenslotte kan hij het ook nog zuiver individu­eel doen.(37)

Maar zijn wereld is en blijft steeds een geselekteerde wereld, al is hij zich van de selektieve werking van zijn psyche meestal niet bewust. De selektie als groepslid is historisch bepaald. Bij de interpretatie der ge­gevens is het individu gebonden aan het gegeven kultuurmilieu, dat echter niet als relatief wordt herkend, maar als natuurlijk en vanzelfsprekend wordt ervaren. Niet alleen als lid van de soort, maar ook als groepslid is de mens Umweltgebonden. Karl Marx formuleerde dit door te zeggen:

“Het maatschappelijk zijn bepaalt het bewustzijn”.

Door het verstand is echter de Umwelt van de mens zeer variabel. De enkeling kan uit zijn Umwelt uitbreken en dan in een andere, meer uitge­breide Umwelt terechtkomen. Als hij de groepsgebondenheid doorbreekt is er dus sprake van een individuele selektie. Dat is echter noch eenvou­dig, noch gemakkelijk. Er behoort veel moed toe, want men komt dan onvermijdelijk buiten de groep te staan, zo niet tegenover de groep. Het sociale karakter van de mens is oergegeven. Daarom vermijdt de ge­middelde mens vaak onbewust en onopzettelijk het kontakt met andere werelden, die hem niet alleen buiten zijn groep brengen, maar die hem ook het onmisbare gevoel van zekerheid en geörienteerd zijn ont­nemen. Plessner beweert, dat een permanente openheid en bereidheid tot vernieuwing, hij noemt het Weltoffenheit, een ideaal is, dat slechts door weinigen wordt bereikt. En de diepte-psychologie heeft ons ge­leerd, welk een geweldige, vasthoudende kracht de in de kinderjaren opgedane denk- en gevoelspatronen hebben. Meestal blijven zij hun in­vloed uitoefenen gedurende het gehele leven. Zo wordt het wel begrijpe­lijk, hoe de diskrepantie ontstaan is tussen een wereld, die zeer snel ver­andert en de menselijke geest, die dat maar heel langzaam doet. Ook Karl Marx begreep dit, toen hij sprak van de traditie, die als een ontzag­lijk zware Alpdruk rust op de geest van de arbeiders en ze belet tot een nieuw bewustzijn te komen. En Wilhelm Reich, leerling van Marx en van Freud, kenmerkte het gezin als een ideologie-fabriek, waar de ouders zonder te weten wat ze doen, de traditionele denkvormen en gevoelspa­tronen onuitwisbaar inenten in de ziel van hun kinderen. Maar ook voor de enkeling, die zich vermag te bevrijden daaruit, die in staat is tot een persoonlijk, zelfstandig en onafhankelijk denken, blijft gelden, dat zijn wereld Umweltgebonden is. Want ons eigen lichaam en ons denken, schept de wereld, waarin we leven, de elementen ervan se­lekterend uit de totale Werkelijkheid. En zo bereiken we het inzicht, dat hoever en hoe diep we onze Umwelt ook vermogen uit te breiden, de ervaarbare werkelijkheid zelf boven zichzelve uitwijst. De ondoorgronde­lijkheid Gods vloeit voort uit een aan de mens als tijdelijk en ruimtelijk begrensd wezen, inhaerente beperktheid. En Bergson vergist zich, als hij meent, dat de intuïtie tot de ware natuur der Werkelijkheid zou kunnen doordringen. Van hoe grote betekenis de intuïtie ook is, zij is evenals het denken een beperkt vermogen. De ontdekking van von Uexkuell sluit dus volledig aan bij de uitspraak van Kant, dat ruimte en tijd menselijke aanschouwingsvormen zijn. Kant begreep dat het objekt, het ding een schepping was van de struktuur onzer zintuigen en de struktuur van ons denken. Hij zag in, dat achter de dingen een onzichtbare en onkenbare Werkelijkheid verborgen was. Hij sprak van het Ding an sich. Dat was geen gelukkige benaming. want al ken ik de ware aard der Werkelijkheid niet, ik kan begrijpen, dat zij geenszins (38)

lees verder op Hoofdstuk 2 vervolg1

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress