(IS ER EEN TRANSCENDENTE WERKELIJKHEID? vervolg 1)
dingelijk van aard is. Dingen ontstaan als reaktie op het Totale Zijn. Dit Zijn is geen som van dingen noch van Dingen an sieh. Het is onjuist om te spreken van het verborgen wezen van het ding, alsof het ding heel iets anders zou zijn dan zijn wezen. Het ding en zijn wezen zijn één. Het ding is het wezen, zoals het zich aan ons voordoet, terwijl de totaliteit ervan verborgen blijft. Maar het is dwaas om het verborgene het eigenlijke te noemen. God is niet boven, niet ach ter, zelfs niet in de dingen. Hij is de dingen en nog veel meer dan dat. God is alles en alomtegenwoordig! Het onophoudelijk veranderen der dingen kan men Gods scheppen noe men. En dat scheppen is geen doelgerichte arbeid volgens een bepaald plan, maar eindeloos gevarieerd spel. Gods handelen is een veelvuldig doelloos zijn. De Zen-Boeddhist Yokadaishi zegt:
“Alle dingen zijn voorbijgaand. Men moet inzien, dat dit zo is en het voorbijgaan volledig accepteren.”
En ik voeg er aan toe:
“We moeten dankbaar zijn voor dit voorbijgaan, voor onze kort stondigheid, want alle waarden en alle vreugden zijn slechts daar door mogelijk. Er zijn geen eeuwige waarden, noch eeuwige vreugden! ”
Laten we deze Pali-woorden eens overdenken!
Anicca -dit betekent, onbestendig is het lichaam, onbestendig is de geest, onbestendig is de wereld.
Dukkha -dit betekent, het lijden ontstaat, doordat men zich vastklampt aan het onbestendige en de onbestendigheid niet wil akcepteren.
Zoekt nu in hemelsnaam in deze laatste uitspraak geen askese, geen ver zaking van de wereld. Laten we de dingen liefhebben, maar er ons niet aan vastklampen. Ja, men kan ze alleen liefhebben, als men hun kort stondigheid aanvaardt. Want de dingen zijn als bloemen, die bloeien en verwelken. Wanneer zullen we nu eindelijk eens ophouden met dat zinloze, infan tiële gehunker naar eeuwige bloei en eeuwige bloei en eeuwige liefde! Het Totale Zijn is als een Niet-Zijn; het heeft geen eigenschappen, geen attributen. God heeft doel, wil noch plan. Alleen eindige, onvolkomen wezens kunnen willen. Alleen onvolkomen en dus behoeftige wezens ge dragen zich, kunnen doeleinden hebben en strevingen. God is evenmin liefde of gerechtigheid. Hier volgt een citaat uit het boek Sohar glans), dat door Mozes Ben Sjem Tov geschreven werd omstreeks het jaar 1300. Het is een mystiek geschrift, uitsluitend bestemd voor ingewijden, want de daarin verkondigde denkbeelden wijken ver van de traditionele af en het was in die tijd levensgevaarlijk er zich mee bezig te houden.
“Voor enige vorm was geschapen, voor enig beeld was voortgebracht, bestond Hij alleen, zonder vorm, aan niets gelijk. En wie zou zich Hem kunnen voorstellen, zoals Hij toen was? Daarom is het verbo den Hem voor te stellen onder welke vorm ook, zelfs onder Zijn Heilige Naam, zelfs door een letter of een punt. Wee degene die het zou wagen Hem te vergelijken met Zijn attributen. Men moet Hem (39) zich denken boven alle kreaturen en boven alle attributen! Wan neer dit alles is weggedacht, heeft Hij geen attributen, geen beeld, geen aanschijn.”
In het Tao Tê King, geschreven ongeveer 500 jaar voor Christus in het oude China vindt men dezelfde gedachten. Mozes Ben Sjem Tov had daar stellig niet van gehoord. Van God kan ik dus alleen zeggen, dat Hij de grond van mijn bestaan is en tegelijk de grond van elk bestaan. En dus wijst mijn redelijk inzicht de opvatting af, dat de mens een in zichzelf ge sloten monade is. Er is geen sprake van een scheiding tussen de ene be staansvorm en de andere. Het “Tat twam asi” (= dat zijt gij) geldt voor al het bestaande. En God is de kracht, waarin, waaruit en waartoe alle dingen zijn. Elk ding, elk objekt, elk verschijnsel duurt, het verandert zonder ophouden. De zijnden hebben geen statisch, maar een dynamisch karakter. Het zijn processen. Elk objekt verschijnt en beweegt zich van uit zijn verleden naar zijn toekomst om tenslotte weer te verdwijnen. Alle objekten verschijnen, duiken op uit het Transcendente en verdwijnen weer in het Transcendente. Tijdens hun korte bestaan – ook de levens duur van een ster is van uit de Eeuwigheid gezien kort – blijven zij met het Transcendente verbonden, zoals de golf verbonden blijft met de Oce aan. Het Transcendente is de Oermoeder, de eeuwig barende Moeder schoot van al de zijnden. Steeds weer nieuwe objekten worden geboren en gaan weer onder en worden tot nieuwe objekten omgevormd. Zo vol gen de verschijnselen elkaar voortdurend op; zij duren in opeenvolging. En deze voortdurende overgangen der tijdelijke dingen is slechts moge lijk en slechts denkbaar door de werkelijkheid van het Transcendente, het Absolute, dat eeuwig is, dat zonder opeenvolging duurt, dat onver anderlijk is, dat niet bestaat en niet vergaat, dat slechts is. Elk verschijn sel is daarom tegelijk vergankelijk en onvergankelijk. Het vergankelijke is het eenmalige, het unieke, het nooit als zodanig weerkerende. Het onvergankelijke is de Grond, waarin en waardoor het bestaat. Maar deze Grond is niet het eigene van het individu, het is het onpersoonlijke, het kollektieve, want er is maar één Grond, waaruit al het bestaande, de oneindige verscheidenheid van het vele, te voorschijn komt. En deze Grond is God. Zo wordt het duidelijk, dat God in alles is en dat God alles is. In de psychologie van Jung wordt deze allerdiepste laag van het Onbe wuste het Zelf genoemd. Dat is al een zeer slechte benaming voor een onpersoonlijk Niet-Ik. Taalkundig behoort het woord zelf bij het woord ik; Ik en Zelf zijn feitelijk identiek. Ik ben hetzelf, zo zegt men. Het kan dus alleen maar verwarrend werken als men een zo uitgesproken onpersoonlijke kategorie, een gemeenschappelijk Onbewuste, Zelf noemt. Het woord zelf verliest daardoor zijn zin.
Mogelijk hebben we te doen met een onopzettelijke poging van het Ik om op geraffineerde wijze het on persoonlijke toch nog tot een soort privé-Zelf te maken. De ontwikkeling van de natuurkunde, speciaal van de kernphysica, verge makkelijkt het inzicht in het niet-dingelijk karakter der Werkelijkheid. Alle zijnden zijn opgebouwd uit moleculen en deze weer uit atomen. Lang heeft men deze atomen beschouwd als de ondeelbare bouwstenen van het Heelal. Nu weet vrijwel iedereen, dank zij de atoombom, dat zij niet ondeelbaar zijn, dat zij gesplitst kunnen worden, dat zij een gekom pliceerde struktuur hebben, althans de grote atomen. Het oeratoom, het waterstofatoom, heeft de eenvoudigste struktuur. Het bestaat uit een (40) kern, die positief geladen is en uit een veel kleiner negatief geladen deel tje, het elektron, dat vergeleken met de grootte, op enorme afstand om de kern heen cirkelt. Het atoom is dus grotendee~~ leeg. Hoe zouden we niet denken aan het Lege uit het Tao Tê King? Men heeft het atoom wel vergeleken met een zonnestelsel in het klein. Uit traditie gebruikt men nog het ruimtelijk begrip deeltje, maar juister is het van krachtvelden, van elektrische spanningstoestanden te spreken. Materie is elektriciteit, zei Rutherford. Materie is energie, die door de struktuur onzer zintuigen op ons een ruimtelijke indruk maakt. Materie kan in energie overgaan en omgekeerd. En daarmee is de gehele tegen stelling tussen een ruimtelijke en een niet-ruimtelijke wereld van de baan. Zo is dus ook ons lichaam dat deel van de ziel, dat we ruimtelijk ervaren. En het is niet woonplaats van de ziel. Het Totale Zijn is een oceaan van energie, een oeverloze en bodemloze Oceaan, waaruit de objekten als kortstondige golven omhoog stijgen en weer neerdalen. Is ook de mens dan niets anders dan zo een kortstondige golf, even op duikend uit de eeuwige Oeroceaan des levens? Juist dit is hij en niets anders. En hij zal moeten leren dankbaar te zijn voor de kortstondigheid van zijn bestaan in plaats van er over te jammeren en te hunkeren naar een verlenging van zijn onbelangrijk Ik tot in het oneidige. Ons verschij nend in eindeloze verbijzondering is toch het individu voor God zonder belang. De verlenging van het Ik tot in het oneindige heeft niets van doen met Eeuwigheid. We ontsnappen niet aan het tijdelijke door het te ver lengen, maar door het Eeuwige te ervaren in het Nu. Alleen de mens, die een onvervuld en onbevredigd bestaan lijdt, kan zich troosten met de hoop op een vervulling in het J enseits. Maar wie volledig leeft in het Nu, wie geheel en al vollevend in het leven staat, die heeft deel aan het Eeuwige en daardoor geen behoefte aan een eindeloze verlenging van zijn bestaan. Wie in God leeft, heeft het eeuwige leven, hij leeft in het tijdeloze. De in zijn Ik opgesloten mens reageert maar matig en leeft daardoor maar matig. Ingeklemd in het pantser van ruimte en tijd, over schat hij mateloos de betekenis van zijn eigen persoon, zijn individuali teit. Hij heeft nauwelijks meer bewustzijn van zijn relatie met het Niet Ik, met het Totale Zijn. Hij ervaart het als een losse verzameling van objekten buiten hem zonder enige samenhang en feitelijk zonder zin. En hij is geneigd zichzelve niet anders te zien. Doordat hij bijna geen kontakt meer heeft met zijn Zijnsgrond kan hij ook geen werkelijk kon takt met het andere en de anderen hebben. Eenzaamheid is zijn droevig lot. Zulk een leven kan men toch niet waarlijk leven noemen; het is wel degelijk een vorm van dood. En als tenslotte ook het lichaam sterft, ver andert er daardoor niet zo heel veel. Hij was immers allang dood; hij wist het alleen niet. De a-religieuze mens is een levend lijk en van zulke levende lijken is de wereld vol. Zij bieden een tragische aanblik, ver smachtend van dorst vlak bij de wateren des eeuwigen levens. Waarom openbaart God zich niet aan hen? Waarom komt bij hen dan helemaal niets uit der diepten opwaarts dringen om ze weer levend te maken, zo als bij Jan Luyken? Is levend zijn d.w.z. in God leven, want er is geen ander levend zijn, dan het onverdiende voorrecht van enkelen? Hebben de gereformeerde Christenen dan gelijk als ze zeggen, dat slech ts enkelen uitverkoren zijn en de rest verdoemd is? Hebben de zaligen het recht te juichen en te jubelen in de hemel, als de verdoemden lijden in de hel? De van God vervreemden, de ontwortelden, de in een zinloos bestaan ronddolenden, zouden zich in moeten keren tot hun eigen diepte om (41) God te ontdekken, maar ze doen dat niet; ze hebben voor het Eeuwige geen tijd. Maar meestal kunnen ze ook niet, al zouden ze willen. De ver bindingskanalen tussen het Bewustzijn en de diepten van het Onbewuste zijn vol puin gestort. Hoe is dat gebeurd? Kan het puin niet worden op geruimd? Kan de verbinding niet worden hersteld? De levende lijken overstromen de wereld met hun dode woorden, maar de levende mens dwaalt als een eenzame door de woestijn, die de mensen hun samenleving noemen. En zijn stem gaat verloren tussen het luid geklepper der geraam ten. Is het dan zo moeilijk in te zien, dat de mens is als een blad aan een boom? De bladeren mogen dan aan de buitenkant los van elkaar zijn, maar ze zijn toch verbonden door twijg en tak en stam en hun levens sappen ontvangen ze uit één en dezelfde bron. Geen enkel blad is los en onafhankelijk van het andere. Mens en dier, plant en steen en ster, ze zijn alle de met elkaar verbonden bladeren aan de eeuwige boom des levens. De bladeren vallen; de boom blijft. Maar wie dat niet weet en dat niet voelt, diens leven is een stuntelig brok rampzaligheid en zijn daden zijn als het vruchteloos gespartel van een vlieg in een spinneweb. Ongelukkig de mens voor wie God verborgen is. Maar die verborgenheid komt voort uit de geslotenheid der ziel. En die geslotenheid is een ziekte. Kan de mens van deze ziekte genezen worden?
Laat ik voorlopig mijn poging voortzetten om de lezer te konfronteren met het Transcendente; nu op een geheel andere wijze. De Vaalser berg in Nederland is 300 m hoog; de Mount Everest bereikt een hoogte van 9000 m. Het verschil is voor ons mensen geweldig groot. Maar de astronaut, op grote hoogte boven de aarde cirkelend, ziet dat verschil nauwelijks. Voor hem is de aarde een flauw gerimpelde bol en vallen de verschillen in hoogte vrijwel weg. Wij leven op de oppervlakte van deze bol. Wij kunnen er niet al te diep in doordringen en ons ook niet al te ver ervan verwijderen. Zeker, het zal de mens wel gelukken de maan te bereiken en misschien nog andere planeten van ons zonnestelsel. Maar uit het zonnestelsel, waarvan de aarde deel uitmaakt, kan de mens nooit ontsnappen. De zon is niet enige ster, maar één van de meer dan een millioen sterren, die samen de Melkweg vormen. De zon staat niet in het midden en is niet de grootste. We kennen geen andere planeten dan die van ons eigen stelsel, maar waarom zouden ook niet andere sterren van de melkweg planeten hebben? En waarom zouden op die onbekende planeten ook niet bewuste wezens kunnen leven? Het is niet redelijk om aan te nemen, dat zoiets onmogelijk is. Toch is het zeer waarschijn lijk, dat we het nooit zullen weten. De dichtst bijzijnde ster is vier licht jaren van ons verwijderd, d.w.z. dat het licht over die afstand vier jaren doet bij een snelheid van 300.000 km. per sekonde. Een dergelijke snelheid is volstrekt ondenkbaar voor welk ruimtevaartuig dan ook, zodat we vele tientallen jaren nodig zouden hebben om de meest nabije ster te bereiken. Dat wat men in pralerige trots de verovering van de ruimte noemt, is kosmisch gezien, niet meer dan een klein sprongetje omhoog van een kind. De Melkweg is niet het enige komplex van sterren. De astronomen hebben er vele ontdekt. Meer dan een millioen! En elk van hen bestaat zelf weer uit millioenen sterren. Enkele van deze zgn. nevel vlekken zijn zo ver van ons verwijderd, dat het licht er een millioen jaren over doet, aleer het ons bereikt. Nu zijn de astronomen tot de konklusie. gekomen, dat deze nevelvlekken zich met toenemende snelheid van ons en van elkaar verwijderen. Het Heelal dijt onophoudelijk uit. Onophoude (42) lijk? Eddington, die de theorie van een uitdijend Heelal verkondigde, nam aan, dat de beweging der nevelvlekken door een of andere oorzaak vanuit een middelpunt begonnen moest zijn, dat de beweging ook weer zou ophouden en dat dan de terugkeer tot het middelpunt zou beginnen. Er is echter niets dat daar op wijst. Blijkbaar kon Eddington de gedachte van een zich onbegrensd uitdijend Heelal niet verwerken. Een uitdijend en weer inkrimpend Heelal valt nog net binnen ons voorstellingsvermogen, is althans denkbaar. Maar een zich eeuwig uitdijend Heelal tot in het eindeloze, valt geheel en al buiten ons bevattingsvermogen. Maar als dit toch juist is, hoe komt het dan, dat het Heelal in het midden niet hele maal leeg is? Het is niet leeg. Blijkbaar wordt steeds nieuwe materie ge vormd, die zich tot nevelvlekken formeert, die zich weer uit elkaar be wegen. Ad infinitum! En in deze onbegrijpelijke, beklemmende onein digheid draait ergens een miniem klein, donker bolletje rond zijn as en rond de zon. En op de oppervlakte van dit kosmische zandkorreltje kruipen drie milliard wezentjes rond, die bewustzijn hebben en waarvan velen menen, dat God zich speciaal met hen en hun kleine zorgjes en pijntjes bezig houdt. Al die duizend, duizend samen, kent de Heere bij de namen. Wordt het nu eindelijk niet eens tijd, dat we daarover heen komen en af leren antropocentrisch en geocentrisch te denken? In de oneindigheid van de tijd is de duur van ons leven niet meer dan een lichtflits. Dan dooft ons leven uit en wordt door andere levens vervangen, steeds weer nieuwe. En als eenmaal de zon is afgekoeld, zal alle leven op ons zandkorreltje verdwijnen. Voor God doet dat er niets toe. Spelend schept en vernietigt Hij steeds weer nieuwe werelden, die als glinsterende vonken ontspringen aan zijn vingers.
“Hoe verder wij de zee der Eeuwigheid bevaren, hoe ondoorgrondelijker en donkerder haar baren! ”
Zo schreef Silezius. Het verschrikt U? Het beklemt U bovenmate? Ge voelt U nietig, ja vernietigd in deze gruwelijke werveling van kosmische nevels? Dat is goed voor U! Leert deemoed, de diepe deemoed van de religieuze mens. Komt tot de ontdekking, dat de deemoed van de Chris ten verkapte hoogmoed is. Want hoe hoogmoedig moet de mens wel zijn om te kunnen geloven, dat God zich speciaal met hem zou bezighouden en zich zou bekommeren om zijn heil. Dat is een geloof voor kleine kin deren, niet voor volwassen mensen. Leert ook lachen om een grote dwaas die Hegel heette en die meende, dat het Heelal op den duur geen gehei men meer voor ons zou hebben en zich voor ons denken openen zou. Maar Silezius, deze stralende mysticus, heeft een schone troost voor U en heft U op uit Uw sombere verlorenheid.
“Ikzelf ben de Eeuwigheid, als ik de tijd vergeet, als ik om God en God om mij wordt tot een kleed.”
De menselijke psyche is de bron, waaraan alle kulturele en religieuze ver schijnselen ontspringen. Maar wat is dat de menselijke psyche? Sinds Freud weten we, dat het bewustzijn slechts een uiterst klein deel is van pe psyche. Het overgrote deel van onze ziel is onbewust. Om de beschrij ving te vergemakkelijken, maak ik gebruik van een beeld en stel de psyche voor als een kegel, die ik door horizontale sneden in lagen verdeel. Daar (43) door kan ik een topografische terminologie gebruiken, ofschoon we ons bewust moeten blijven, dat de ziel onruimtelijk is en dat de “lagen” sferen van helderheid beduiden. En het woord helderheid of licht is op zijn beurt weer een symbool voor bewustzijn, terwijl ik dan het Onbe wuste donker kan noemen. Waarom kies ik het beeld van een kegel? Het bewustzijn is eng; het kan maar weinig tegelijk bevatten. Hoe hel derder de inhoud is, des te kleiner is de omvang. Naar de diepte toe neemt de inhoud toe, maar de helderheid af. Er komen schemerachtige “lagen” en tenslotte wordt het helemaal donker. Een echte kegel heeft een grondvlak. Mijn kegel heeft geen grondvlak; hij stijgt omhoog uit het bodemloze als een golf uit de Oceaan. Is dan het Onbewuste identiek met het Transcendente? Is de golf identiek met de Oceaan? De golf is tijdelijk; de Oceaan is eeuwig. De golf is in zijn diepte niet van de Oceaan gescheiden. De kegel heeft geen grondvlak. Vanaf de geboorte stromen de indrukken op ons toe als een onafgebro ken stroom. Van al deze indrukken blijft in onze ziel een residu achter, al laat de ene indruk een veel dieper spoor na dan de andere. Ons verle den gaat dus niet verloren; het blijft in ons. Wij zijn steeds ons verleden. Als het werkelijke proces niet zo ingewikkeld was, zou men kunnen den ken aan een filmstrook, die zich in onze hersenen oprolt en steeds dikker wordt, ons gehele leven door of aan een computer, waarin elke dag nieuwe gegevens worden opgestapeld. Het overgrote deel van al deze in drukken komt maar zelden in ons bewustzijn. We hebben ze vergeten; ze zijn gezakt beneden de drempel van het bewustzijn en in een diepere “laag” terecht gekomen. Ze staan niet meer willekeurig tot onze beschik king; ze gehoorzamen niet aan de wiL Hun opduiken in het bewustzijn en hun weer verdwijnen daaruit geschiedt volgens een bepaalde wetmatig heid. Voorstellingen verdwijnen uit ons bewustzijn tegen onze wil en wil len we gaarne iets vergeten, dan blijft het vaak hardnekkig in ons bewust zijn hangen. Die vergeten voorstellingen vormen echter allerminst een dode verzameling. Het onbewuste is geen rommelzolder, waar vergeten I voorwerpen opgeborgen liggen. Het onbewuste is blijvend aktief; het doet in zijn geheel mee, zelfs bij de opbouw van de allereenvoudigste waarneming. Zeker mogen we zeggen, dat de waarneming meer bevat van onszelf dan van het waargenomene, ja zelfs het waargenomen objekt ont staat als produkt van een psychische opbouw. De waarneming is aller minst een fotografie. Vele mensen spreken naïef over rekening houden met de werkelijkheid en dat we met onze beide benen op de grond moe ten staan. Ze hebben er geen flauwe notie van, hoezeer ze leven in hun eigen werkelijkheid en hoe klein die werkelijkheid is. De vieze druppel slootwater, waarin ze leven, is voor hen de realiteit. En ze staan met hun beide benen in de werkelijkheid als op de bodem van een vat, helaas heel vaak een vuilnisvat. Wat zouden ze daar kunnen zien? Door de psycholoog C.G. ]ung heeft het begrip Onbewuste een veel die pere en rijkere inhoud gekregen dan dit oorspronkelijk bij Freud en ook bij Adler het geval was. Bij Freud is het Onbewuste identiek met het ver drongene. Het is het eeuwig dreigende, de agressieve driften, het boze, het a-sociale, de infantiele, egoïstische wensdromen en strevingen, het niet tolereerbare, dat indruist tegen alle moraal.
Bij Freud treedt het sexuele complex het meest op de voorgrond, bij Adler het dressaat. Een complex is een verdrongen geheel aan voorstellingen en daarmee ver bonden emoties, dat vanuit het onbewuste zijn invloed doet gelden op het menselijk gedrag, een invloed, die des te groter is, naarmate we er (44) minder weet van hebben. Een dressaat is een onbewuste, starre houding, die tot “Leitmotiv” van het levensplan geworden is en het de mens on mogelijk maakt tegenover zijn medemensen een open, redelijke houding aan te nemen. Bij Freud zowel als bij Adler is het onbewuste zuiver indi vidueel. Het ontstaat door verdringing onder invloed van de opvoeding. Jung ontkent dit niet, maar hij acht het onjuist het onbewuste uitsluitend te zien als een soort verzamelplaats van het verdrongene, al is het dat ook. Volgens Jung zijn in onze ziel nog veel diepere “lagen” aanwezig, waarin de residuen van het gehele menselijke verleden aanwezig en werkzaam zijn. Hij spreekt van het kollektieve onbewuste. Dit moet niet zo verstaan worden, alsof het onbewuste van elk mens gelijk is aan dat van een ander, maar dat er feitelijk maar één algemeen onbewuste is, waaruit het indivi duele omhoog rijst als een golf uit de zee. Wanneer we geboren worden is onze ziel dus geen blanke lei, waarop het leven zijn indrukken zal gaan schrijven. Onze ziel is bij de geboorte reeds grotendeels volgeschreven met de ervaringen van ons voorgeslacht vanaf het eerste verschijnen van de mens op aarde ongeveer een millioen jaar .geleden. Jung vergeleek met elkaar de droombeelden van normale, volwassen kultuurmensen, de mythische symbolen van natuurvolken en de waanvoorstellingen van psychotici. En hij kwam tot de ontdekking, dat in alle drie gevallen gezelfde oerbeelden steeds weer terugkeerden en dat ze in de dromen van de kultuurmens en in de waan van de psychoti cus spontaan worden gevormd. Hij noemde ze arche-typen. Zo is het ganse verleden van de mensheid in elk mens afzonderlijk aanwezig, niet als dood materiaal, maar als werkzame kracht. Elk mens is des mensen zoon of doch ter. Maar hiermee zijn we nog niet afgedaald tot de allerdiepste “lagen” van de psyche. Er zijn nog diepere lagen. Want ook de ziel der allereerste mensen was geen blanke lei. Want zij verschijnen aan het einde van een biologische ontwikkeling, die in millioenen jaren moeten worden geme ten. In die lagen bevindt zich ons biologisch erfdeel, de instincten, die we met de dieren gemeen hebben. De instincten zijn de enige drijf krachten van het menselijk gedrag, van alle menselijk gedrag. De geest steunt geheel en al op deze biologische basis en er is niets in de geest, dat niet in het instinct zijn aanvang neemt en waarin het instinct niet mee doet. Vegetatief, animaal en menselijk gedrag hebben dezelfde oorsprong. Hoe lang zal de mens zich nog tegen dit inzicht verzetten? Hoe lang zal hij nog vasthouden aan de onzinnige fiktie een dubbelwezen te zijn? Wanneer zal hij tot de erkenning komen, dat de Natuur de Moeder is van de geest en niet de vijandin? De instinkten zijn diep met het lichamelijke verweven; een instinkt is een psycho-physische aandrift. Het lichaam is de diepe, bloedwarme, levende, donkere oergrond van de geest, zijn voeder en zijn drager. Daarom is één zijn met ons lichaam onze allereerste opgave, volstrekt onmisbaar voor onze integratie en ons geluk. Eenheid met ons lichaam is de weg naar ons heil, dat is naar het heel-zijn van lichaam en geest. De Christen, die meent een wezen uit twee werelden te zijn, kan die heelheid alleen bereiken in de dood. Hij zoekt een fiktief heil in een illusoir Jenseits. Het woord lust heeft voor hem een demonische klank en het komt hem absurd voor de boze lusten des vlezes in overeenstemming te brengen met de hoge aspi raties van zijn geest. En zo blijft hij dan een gespleten wezen, al maar jammerend: “Zwei Seelenwohnen, ach, in meiner Brust.” Ook het allereenvoudigste organisme heeft vergeleken met de anorgani (45)