(IS ER EEN TRANSCENDENTE WERKELIJKHEID? vervolg 2)
sche objekten een zeer gekompliceerde struktuur. Geen organisme zonder eiwit. De eiwitmolekule kan uit meer dan duizend atomen bestaan; de bouw van zulk een eiwitmolekule is zeer ingewikkeld. Een anorganische ontwikkeling, die in biljoenen jaren moet worden gemeten, is aan , de vorming van het eenvoudigste, eencellige organisme vooraf gegaan. Is de geest geworteld het organische, het organistine zelf is weer geworteld in het anorganische en zo verlIest zich de ziel van de mens in dei diepte, in de Oergrond van het Tijdeloze. De kegel heeft geen grondvlak; de Oceaan des levens is bodemloos en oeverloos. En deze Oceaan des levens is God, waaruit wij zijn geboren, waarin en waardoor wij leven en waarheen wij terugkeren als ons uur gekomen is. De Brahmaanse wijzen, die de Oepanisjads geschreven hebben, wisten dit, toen zij zeiden Brah man en Atman, wereld en ziel zijn één. Maar de Christen in de Westerse wereld meent, dat zijn godsdienst de hoogste vorm van religie is en hij blijft vasthouden aan de kinderlijke opvatting, dat het lichaam een huis is, waarin de ziel woont en die het lichaam verlaat, als dit sterft. En deze lichaamloze, persoonlijke ziel zou dan eeuwig voortbestaan! De mens kan de Eeuwigheid slechts bereiken in het Nu, als hij de tijd vergeet. Daarom noemde Aldous Huxley zijn roman Time must have a stop. De Engelse mysticus Hugo of St. Victor zegt:
“The way to ascend to God is to descend into one’s self.”
Onze religieuze ervaringen ontstaan als reaktie op het Transcendente, dat in ons is. Wie het Transcendente loochent, loochent alle religie. Wie de religie loochent, loochent de mens. Want er is geen menswording zonder God en menswording betekent Godwording. Karljaspers meent, dat dit slechts voor een geestelijke elite mogelijk is, die aangeraakt door het Transcendente, een nieuwe adel zal vormen. En wat zal er met de anderen gebeuren? Zal deze nieuwe adel te midden van de a-religieuze massa’s kunnen leven? Zal zij hen kunnen leiden naar een hogere vorm van leven? Of zullen de robots elkaar en de nieuwe adel vernietigen?
HET BEGRIP OVER GOD IS NIET IDENTIEK MET GOD.
Heel wat verwarring ontstaat bij theologische diskussies, doordat men het eigen Godsbegrip onopzettelijk gelijkstelt met God. De mens, die dat doet is er zich niet van bewust, dat zijn voorstelling van God niet identiek is met God, dat hij zelfs geen adaequate voorstelling hebben kan, omdat God principieel ondoorgrondelijk is. Om de inhoud van het Godsbegrip wordt echter een grote strijd gestre den en die strijd is onvermijdelijk. Het gaat daarbij om de volgende tegen stellingen:
1. Is God Persoonlijk, een Persoon, een Gij of Onpersoonlijk, een Het?
2. Is God ver weg, daarboven en buiten ons of is God vlakbij, in de diep te in onze eigen ziel?
3. Is God Vader of is God Moeder?
4. Is God wezensverschillend van mens en schepping, de Totaal Andere, of is God wezensverwant met mens en schepping?
5. Is er één God of zijn er meer Goden?
Deze vijfde tegenstelling is in onze tijd nauwelijks meer van belang. Des (46) te groter is de betekenis van de eerste vier tegenstellingen, waarover de strijd feitelijk nog beginnen moet. Er is hier geen kompromis mogelijk en ook niet wenselijk. Zo kies ik dus openlijk en onverzoenlijk partij tegen het traditionele Godsbegrip, dat God ziet als een Persoon, als Iemand, daarboven en ver weg, als Hemelse Vader en totaal anders dan de mens. In een zeer primitief stadium is een berg, een rivier, een steen een God. In een hoger stadium woont een God of meerdere Goden op een berg, in een rivier, in een steen. Jahve is hoogstwaarschijnlijk eens zulk een steengod geweest. Bij de meeste antieke kultuurvolken wordt het Goden beeld gezien als de zetel van de God of Godin. Zo wordt het Goden beeld de belichaming van wat Rudolf Otto het numineuze noemt. Het numineuze dat is het Transcendente. De antieke kultuurgoden bestaan wel niet uit dezelfde stof als de mensen, maar ze zijn geenszins abstrak ties, zoals in een weer hoger stadium de God der Ouistenen. De voorstel ling der Goden ontstaat, doordat de mens zijn innerlijk naar buiten pro jekteert, uiteraard zonder zich daarvan bewust te zijn. Zodra hij zou we ten, dat dit gebeurt, zou hij niet meer in de realiteit van zijn Goden kun nen geloven. Jung zegt:
“Bild ist Seele”
Ook de niet-stoffelijke Godsvoorstelling ontstaat op dezelfde wijze. Maar God wordt dan een heel groot Ik, een Super-Ik. God is geest, zo leert het Christendom. Ook de Christen herkent in deze God, die geest is, geen projektie, noch heeft hij inzicht in het tegenstrijdige van een Persoon -een begrip, dat zonder dimensie, zonder afgrenzing zinloos is – levend in een boven-dimensionale wereld. Het betekende een grote stap vooruit in de geestelijke ontwikkeling van de mens, toen men zich God niet meer voorstelde in een of andere lichamelijke vorm, hetzij als dier, hetzij als mens met een dierenhoofd, hetzij helemaal als mens. Het Godsbegrip wordt abstrakt. Toen de Romeinen Jeruzalem veroverd had den en de tempel was gevallen, rukte keizer Titus het gordijn voor het Allerheiligste opzij. Hij wilde de God der Joden zien. De Joodse God bleek een onzichtbare God te zijn. Ook in de Islam leeft een sterke af keer van godenbeelden. De reformatorische Christenen verdragen zelfs geen heiligenbeelden. De eenzijdige vergoddelijking en verabsolutering van de geest, spreekt duidelijk uit de aanvang van het J ohannes~Evange lie: In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. En Christus wordt genoemd het vleesgeworden Woord. Met heel wat meer rech t zou men hem het woord geworden lichaam kunnen noemen. Een lichaam zonder geest is bestaanbaar, een geest zonder lichaam echter niet. Kinderen zien God vanzelfsprekend als een persoon. Ze zijn in dit opzicht niet anders dan de primitieven. Men ver telt van Teilhard de Chardin, dat hij als kind een altaar bouwde en er stukken ijzer en kristal op legde, die hij aanbad. Maar de religieusiteit van het kind is toch allereerst op de ouders gericht. Zijn ouders zijn zijn Goden, 0p.permachtige, onbegrijpelijke wezens, waarvan het volstrekt afhankelijk is. Bij de ontdekking van de onvolmaaktheid van de ouders, wordt dan de vader naar de hemel geprojekteerd. Deze naar de hemel geprojekteerde God is uiteraard anthropomorf, al blijft de voorstelling van een oude man met een baard, zittend op een wolk, natuurlijk niet lang gehandhaafd. Maar God blijft mensachtig. Hij wil iets met de mensen; Hij bekommert Zich om hen; Hij verhoort hun gebeden of kan ze (47) verhoren, als Hij dat wil. Volgens Max Scheler is het Persoon-zijn van God innerlijk evident. Ik zal nog duidelijk maken, dat de Christen het zo moet zien en voelen vanuit de Oedipus-situatie, maar ik kan nu reeds verklaren, dat voor mij het Persoon-zijn van God geenszins evident is, integendeel, ik vind het geloof in een persoonlijke God infantiel en ook redelijk onaan vaardbaar. Natuurlijk, wanneer we vragend of sprekend met God in ver binding treden, dan ligt het voor de hand, dat we personifiëren, omdat we zelf persoon zijn. Als de dichter zegt: “Natuur, wat zijt Ge schoon! Na tuur, wat zijt Ge wreed! “, dan weet èn de dichter zelf èn de lezer, dat de Natuur geen persoon is. Rümke, die als psycholoog alles afweet van de projektie van het vaderbeeld naar de hemel, zegt, dat het Godsbeeld niet overdekt mag worden door het vaderbeeld. Hij spreekt over een zuiver Godsbeeld. Hoe ziet dat zuivere, niet overdekte Godsbeeld er dan eigen lijk uit? Daarover vertelt Rümke niets. En ik vraag me verwonderd af, of hij werkelijk zou menen, dat de mens zich een zuiver, een adequaat Godsbeeld vormen kan. Het lukt de Christen dus niet te begrijpen, dat zijn God een projektie van zijn innerlijk is en hij zal wel heel veel moei te hebben om in te zien, dat ook Hemel en Hel naar buiten geprojekteer de, psychische toestanden zijn. De invloed van de opvoeding doet zich hier gelden en zo blijft hij hardnekkig vasthouden aan zijn geprojekteer de Godvader tegen alle redelijkheid in. Dat dwingt hem dan weer de rede op de mestvaalt te gooien, ofschoon hij anderzijds juist de rede ziet, als een element, waardoor de mens wezenlijk van het dier verschil t. Maar het Christendom zit vol met dergelijke tegenstrijdigheden en dubbelhar tigheden. Als dan de hopeloze uitzichtloosheid, de geestelijke verwarring, de verlorenheid van onze tijd de moderne Christen wanhopig maakt, dan schreeuwt hij, dat God dood is en wil hij zonder God proberen te leven en hij kan de weg tot God in de diepte van zijn eigen ziel niet vinden. Vastgekleefd aan oude dogma’s is hij blind voor de weg, die de mystici hem wijzen. Het is zeer wel mogelijk voor een mens alle projekties terug te nemen; hij wordt er volstrekt niet armer door, integendeel, hij ontdekt dan het gehe le universum, hij ontdekt God zelf in zijn eigen ziel. Maar de meeste Chris tenen zouden zich hopeloos ongelukkig en verlaten en verweesd voelen, als ze hun beschermend en behoedend Opperwezen moesten prijsgeven. Bij de rangschikking der godsdiensten in hogere en lagere is het kriterium anthropomorfisme heel goed bruikbaar. Want de hoogste Godsbegrippen zijn volledig vrij van anthropomorfe trekken. Dan zijn begrippen als heils plan, wil, bewustzijn, Subjekt, Persoon, Geest geen van alle op God toe passelijk, want deze begrippen zijn alle ontleend aan het menselijk be wustzijn en daarna verabsoluteerd. Het zijn kenmerken van de mens, niet van God. Paul Tillich vindt het noodzakelijk, dat God getransponeerd wordt van de hoogte naar de diepte. “Wanneer U weet, dat God diepte betekent, weet U al heel veel van Hem”, zegt hij. Zeer zeker, maar het wordt dan toch onmogelijk deze God, die diepte is, langer als Persoon, als Opperwezen te beleven. Hier begint het einde van het Theïsme en is alleen een pantheïstisch Godsbegrip nog mogelijk. De mystici hebben al tijd geweten, dat God diepte betekent en dat deze diepte in onze eigen ziel is. Het pantheïstisch Godsbegrip vinden we in de Oepanisjads (Brah ma en Atman zijn één), in Boeddhistische geschriften (Nirwana) en in het Chinese Tao Tê King (Tao). In al deze geschriften wordt het Godde lijke ervaren als een onpersoonlijk Het. Toch is het niet eenvoudig voor vele Christenen de personalistische Godsopvatting los te laten. Het gehe (48) le gevoelscomplex, dat in de leh-Du relatie besloten ligt, wordt afgebro ken, als hij tracht God binnen in zich te zoeken. Hij moet dan de gedach te opgeven, dat God zich om hem bekommert, dat hij voor God van be lang is. Ik moet mij bekommeren om God, want Hij is de grond, waaruit en waardoor ik leef. Maar vanuit deze eeuwige Oergrond zelf ben ik van niet de minste betekenis, een volstrekt waardeloze eendagsvlieg. Het Zijn legt tegenover de enkeling een grandioze onverschilligheid aan de dag, zegt Nicolaï Hartmann. Dat is inderdaad geen geloof voor kleine, angsti ge, hulpeloze kinderen, maar voor volwassen, geestelijk gerijpte mensen. Ook voor millioenen Hindoes ligt het pantheïstisch Godsbegrip te hoog; ze hebben hun persoonlijke Goden. En de grote Christelijke mystici be reikten hetzelfde inzicht als de wijzen uit India en het antieke China. William Blake en Silezius heb ik al geciteerd. Zo spreekt Richard of St. Victor:
” … if thou wishest to search out the deep things of God, search out the depths of thine own spirit …”
In 1727 schreef Ernst Lange:
,,0, Gott, Du Tiefe sonder Grund wie kann ich Dich zur Genuege kennen? ”
En Bernard van Cligny:
,,0, wer doch gar waere ertrunken in der Gottheit Urgrundsee, damit er waere ganz entsunken allem Kummer, Angst und Weh.”
Eckehart verwijt de Christenen, dat ze “den ganzen Gott drauszen ha ben” en Hem daarom nooit in zichzelve kunnen beleven. Eckehart maakt verschil tussen de begrippen Gott en Gottheit. Gott noemt hij eine Funk tion der Seele, die wird und vergeht. De psycholoog herkent hier onmid dellijk de wisselende inhoud van het menselijk begrip over God. Deze God is dus relatief. Maar Gottheit is het zichzelf niet wetende, volstrekt onbe wuste Totale Zijn, geheel en al ondoorgrondelijk. Daarvan kan men ten slotte niets zeggen of doordenken, noch door intuïtie iets weten, behal ve dat het is. God kan men niet begrijpen, zegt ook Luther, maar men voelt hem toch. Volgens Spinoza is God de enige en absolute Substantie en de dingen, die wij in de wereld ontmoeten, zijn slechts modi van deze Substantie en dus niet wezenlijk verschillend ervan. God is dus de bodemloze, oeverloze Oceaan, de verborgen Afgrond, de onpeilbare Diepte, de heilige Moeder schoot, de eeuwige Duisternis. En Suso laat zich als volgt uit:
” … En daar komt de ziel in de verborgen ongenoemdheid en in de wonderbare vervreemding (nI. van het begrensde Ik. M.v.P.) En daar is de grondeloze, diepe Afgrond van alle kreaturen … daar sterft de geest … geheel levend in de wonderen der Godheid … ”
En het is toch niet zo moeilijk in te zien, dat als God de diepte in ons is, dat God dan onmogelijk zijn kan Bewustzijn, Geest, Licht, Rede, Logos, (49) Woord! En dat God ook niet mannelijk kan zijn, maar juist vrouwelijk is, want deze Diepte is het rusteloos barende. Het licht ontstaat uit het donker. De Christen vermag het niet te begrijpen. Hij spreekt van een eeuwig Licht. Hij snapt niet en kan en wil niet inzien, dat bewustzijn voort kan komen uit wat hij “dode” materie noemt. Er is geen dode ma terie. Er is geen Rijk van de Dood, dat gruwelijke schrikbeeld der men sen. Dood is er alleen gezien vanuit het individuele. Vanuit het Totale Zijn bestaan er slechts overgangen. De Christen is een materialist. En zo heeft hij vergeten, zegt William Blake, dat alle godheden in de menselijke boezem wonen. En zo kan hij niet zien, dat God gestalte aan neemt in elk phenomeen. Maar de pantheïst ziet en ervaart God in elk afzonderlijk objekt en hij ziet en ervaart hun samenhang, ondanks hun afzonderlijkheid. Als ik zeg, God is eeuwig, oneindig, ondoorgrondelijk, alomtegenwoordig, dan zijn dit geen eigenschappen van God. De gram matikale vorm is misleidend, want deze woorden proberen juist uit te drukken, dat God geen eigenschappen heeft; ze zeggen wat God niet is. Maar weten en voelen kan ik, dat God overal aanwezig is, dat Hij overal aktief bij betrokken is, ja dat Hij louter aktiviteit is, dat er geen energie is buiten Hem. Hij is de enige bron van alle energie en van alle kreativi teit. Silezius wist het ook.
“Geen stofje is zo klein, geen hutje zo benauwd, waarin de wijze niet Gods heerlijkheid aanschouwt.”
En William Blake:
” … God is in de laagste werkingen, zo goed als in de hoogste oor zaken. Alles op aarde is het Woord Gods en in zijn wezen is het God … ”
Blake geloofde, dat de mensen goden zijn of althans behoorden te zijn. En de Griekse denker Epikurus stelde de mensen de goden ten voorbeeld, die zorgeloos speelden in hun hemelse verblijven. En hoort Silezius eens:
“Mens, blijf toch niet slechts mens; gij moet tot het hoogste komen. Bij God worden alleen maar goden aangenomen.”
De Oergrond van de eigen ziel, die tegelijk de Oergrond van alles is, was en is het uitgangspunt van alle mystici in welke tijd en in welk kultuur milieu zij ook geleefd hebben of leven. En allen verwerpen de scheiding tussen aards en bovenaards, tussen natuurlijk en bovennatuurlijk, tussen tijd en Eeuwigheid. Alleen hun terminilogie is verschillend en afhankelijk van hun kultuurmilieu. Maar het is niet moeilijk daar doorheen te zien en zich te verbazen en te verheugen over hun volkomen eenheid. . Sommige theologen noemen God het excentrisch Centrum en plaatsen Hem zodoende buiten de schepping. Maar God is niet excentrisch en Hij is evenmin een Centrum, want Hij is het Umgreifende, het Allesomvatten de. Het probleem, waarmee de Christen worstelt, maar dat voor de mysti cus en de pantheïst – elke mysticus is een pantheïst! helemaal geen probleem meer is, is de relatie van God tot de schepping. En deze relatie spitst zich toe in de relatie God-mens. God is de mens en de wereld te boven gaande Werkelijkheid en als zodanig kan Hij natuurlijk nooit het produkt zijn van de menselijke geest. Ludwig Feuerbach mag zeggen, dat (50) niet God de mens heeft geschapen, maar de mens God, indien met God dan bedoeld wordt de menselijke voorstelling van God. En toch is ook dan de uitspraak van Feuerbach maar ten dele juist, want de mens vormt zich een Godsbegrip onder invloed van het Transcendente, van waaruit hij daartoe wordt gedreven. Er is geen Transcendentaal veld, Geest of God buiten de schepping, zegt Merleau Ponty terecht. Het Transcenden tale en het phenomenale veld zijn één; beiden zijn God. Dus ook de schepping is God, is eeuwig.
De natuurwetten zijn door de mens geformuleerde regelmatigheden, waardoor hij zich handhaaft en oriënteert in het leven. Hij zou deze wet ten nooit hebben kunnen formuleren, als het Totale Zijn geen geordend Geheel was. In den beginne was de Tohoewobohoe, het ongeordend door elkander, weet Genesis te vertellen. En ook andere scheppingsmythen ver halen van een Oerchaos, die door een Oerheber tot Kosmos werd omge vormd. Maar het is de primitieve, egocentrische en geocentrische menta liteit, die uit deze mythen spreekt. Want vanuit het Totale Zijn gezien is en was er nergens Chaos. Wanneer de vraag gesteld wordt: “Hoe kan een organisme, een geordend geheel, ontstaan uit ongeordende, dode mate rie? “, dan luidt het antwoord: “De materie is niet dood en nog veel minder ongeordend. Ook het eenvoudigste atoom is een geordend ge heel. De ondergang van een deelgeheel is geen blijk van Chaos, want steeds nieuwe deelgehelen worden juist uit en door die ondergang gebo ren.”
In de Joods-Christelijke traditie bestaat er een oneindige afstand tussen de ene God, Schepper van alle dingen, enerzijds en de Schepping en het schepsel anderzijds. De opvatting van het totaal anders zijn yan God is kenmerkend, zowel voor het Jodendom als voor het Christendom. Ge dachten over de wezensverwantschap van Schepper en schepping, van God en mens, zijn steeds als ketters afgewezen en hoe het met de ketters zelf vergaan is, weet ieder. Het traditionele Christendom is hevig gekant tegen het God willen zijn van de mens. Maar in het Evangelie wordt van de mens verlangd, dat hij volmaakt zal zijn, zoals zijn Vader in de hemel volmaakt is. Desondanks staat de Christen voortdurend met opgeheven wijsvinger en dreigend voorhoofdgefrons te waarschuwen tegen hybris. Zo wordt wat allerhoogste deugd is in het Evangelie, het streven om aan God gelijk te zijn, tot allerergste ondeugd in het Christendom. Het is nog een afgrijselijker ondeugd dan de sexuele begeerte. Wanneer zullen we dan toch eindelijk eens verlost zijn van deze barbaarse, mens onterende, aarde ontluisterende, levenhatende godsdienst? Dat deze Christelijke godsdienst nauwelijks iets met het Evangelie te maken heeft, ja er een stuitende karikatuur van is, zal ik nog aantonen.
De opvatting, dat tussen God en mens een afgrond gaapt, de fundamen tele scheiding tussen God en wereld, tussen het Heilige en het profane, tussen Hemel en aarde, leidde en moest leiden tot de ontgoddelijking en ontluistering van de wereld. De gevolgen daarvan waren en zijn helaas nog steeds uiterst funest, vooral op het gebied van de sexualiteit. Het hei lige mysterie der sexuele aantrekking werd door het Christendom ver anderd in de zonde van de lusten des vlezes. Van alle kwaad, dat de Chris telijke godsdienst onder de mensen heeft aangericht – en dat is heel wat – is dit ongetwijfeld het allerergste. De arme Soeren Kierkegaard sprak over het oneindige, kwalitatieve verschil tussen mens en God. Ik noem hem arm, omdat hij daaronder leed en omdat hij niet in staat bleek (51) zich los te worstelen uit de knellende en misvonnende greep van zijn Christelijke opvoeding. De vergoddelijking van de mens betekent vol strekt niet de opheffing van het menselijke. De mens is en blijft mens, maar hij kan een Godmens zijn, ja als Godmens is hij eigenlijk pas mens. Hoe dieper en inniger de relatie van de mens met het Transcendente is, des te dichter nadert hij de Godmenselijkheid. Maar ook in de meest vol ledige éénwording met God blijft de mens toch mens, hij blijft schepsel. Eerst door de dood verzinkt hij volledig in het Transcendente. Maar daar van weet hij dan niets, want in het Transcendente is geen bewustzijn. God heeft noch is bewustzijn. Zonder de mens zou God niet weten, dat Hij bestond, zegt Eckehart heel karakteristiek. In het traditionele Chris tendom is de godmenselijkheid een exklusivistisch monopolie van Jezus. Tussen Jezus en de mens bestaat dan een kwalitatief verschil. De Christenen bekommeren er zich niet om, dat zij daardoor de zo gebiedende eis van het Evangelie om volmaakt te zijn als de Vader in de hemel, tot onzin maken. Maar vanuit de wezensverwantschap van Jezus en de mens, van God en de mens is het helemaal geen onzin, maar de hoogste en al thans principieel vervulbare eis, die aan de mens gesteld kan worden. Er zijn altijd mensen geweest, die uitermate gevoelig waren voor de aan raking van het Transcendente. Men kan zulk een mens een mysticus noe men, maar het is beslist niet zo, dat een mysticus een bijzonder soort mens is of een orgaan of vermogen zou hebben, dat andere mensen mis sen. Alle mensen bezitten het vennogen om religieuze of mystieke er varingen te hebben. Ik maak geen onderscheid tussen de begrippen mys tiek en religie. Volstrekte ongevoeligheid voor het Transcendente moet beschouwd worden als een ziekte. Maar het is de ziekte van onze tijd. De enkeling kan door intense aanraking van het Transcendente, dat hem vrijwel geheel in beslag neemt, tot orgaan van dit Transcendente worden. Voor zijn minder gevoelige medemensen wordt hij dan een middelaar tussen hen en God. Op deze wijze ontstonden en ontstaan de typische figuren van de profeet, de priester, de magiër, de hervonner, de ziener, de heilige. Zij zijn allen middelaars maar ze zijn zeer verschillend. Waarin ze verschillen zal ik bij het onderwerp profetisme bespreken. Niet alleen het officiële Christendom ook het orthodoxe Jodendom en de Islam zijn sterk gekant tegen de belichaming van het Goddelijke. In het Christendom is het gereserveerd voor Christus, in wien God mens geworden is. Hij is het eenmalige vlees geworden Woord. Maar in een pantheïstische religie wordt de lichaamloze, vonnloze, woordloze, stem loze, redeloze God tot lichaam in de ster en de steen, in de plant en het dier en Hij wordt tot woord, tot stem, tot rede in de mens. Alle zijnden zijn belichaming van het Goddelijke. Dat blijft zo, al zijn er nog zoveel blinde mensen voor wie een boom gewoon een boom is en een mens ge woon een mens. En de primitieve animist, die een steen en een boom als God aanbidt, een kleine jongen, die stenen en kristallen op een altaar legt, staan dichter bij de werkelijkheid, de goddelijke werkelijkheid een andere werkelijkheid is er niet dan de hedendaagse Christenen.
Een jonge leerling wandelde eens met zijn oude, wijze Goeroe in de avondschemering. Er was veel over God gesproken die dag. De jonge man liep daarover na te denken. Plotseling vraagt hij: “Meester, zeg mij, waar is God eigenlijk, waar woont Hij? ” Er kwam geen antwoord. De regels verbieden de leerling zijn vraag te herhalen of een andere vraag te stellen. Daar verschiet aan de hemel een ster. “Daar” sprak de Goeroe, omhoog (52) wijzend. De leerling begreep, dat dit het antwoord was op zijn vraag en hij was verrukt. Even verder passeert een troep olifanten. De laatste hief zijn staart op en liet iets vallen. “Daar” riep de Goeroe, wijzend op wat gevallen was. De leerling was ontsteld en verbijsterd. Hij was ook nog maar een leerling!
WAT IS RELIGIE?
Religie komt van het latijnse woord religio. Het is niet van zoveel belang, wat de eigenlijke betekenis van dit woord is. Men verklaart de betekenis op twee manieren:
1. religio betekent de binding aan de Godheid of binding van de Godheid door een toverspreuk. Indien dit de betekenis is, dan ligt daaraan ten grondslag het geloof, dat men God dwingen kan door het uitspreken van bepaalde formules. Die toverspreuken moeten dan op een bepaal de manier, op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip worden uitgesproken. Hier ligt de basis van veel godsdienstig ritueel.
2. religio komt van het werkwoord relegere, dat in acht nemen betekent. (in tegenstelling met het werkwoord neglegere, dat veronachtzamen beduidt). Religio betekent dan het in acht nemen van het taboe.
In onze tijd wordt het woord religie dikwijls gebruikt in de betekenis van verbondenheidsbeleving. Bij de beschrijving van het religieuze ge voelsleven zal blijken, dat dit heel wat meer omvat dan de beleving van verbondenheid. Uiteraard is het werkelijk belangrijke niet de betekenis Van het woord, maar het wezen van de religie. Daarover bestaat geen eensgezindheid. Bij de meeste schrijvers over dit onderwerp gaat het daar bij om de relatie tussen de mens en God. De mens is eindig, God is on eindig; de mens is tijdelijk, God is eeuwig; de mens is ruimtelijk begrensd; God is onbegrensd; de mens is veranderlijk, God is onveranderlijk. Men late zich hierbij niet misleiden door de grammatikale vorm. De zgn. eigenschappen van God zijn helemaal geen eigenschappen. Oneindig be tekent niet eindig, eeuwig betekent niet tijdelijk, onbegrensd betekent niet begrensd en onveranderlijk niet veranderlijk. Van God kan dus al leen maar gezegd worden wat Hij niet is. Hij heeft geen eigenschappen. Alleen het in ruimte en tijd begrensde kan eigenschappen hebben. God is het kenmerkloze. Elke eigenschap, die we God toekennen is dus altijd een projektie.
De mens ervaart de relatie tussen zichzelf en God in zijn eigen ziel. Op een andere wijze kan hij dat niet ervaren. Die psychische ervaringen, die optreden door die relatie kunnen dus religieuze ervaringen genoemd wor den. Veel van deze religieuze ervaringen hebben alle religies gemeen, maar stellig niet alle. Er zijn heel belangrijke religieuze gevoelens, die niet algemeen zijn, maar gebonden aan een bepaald Godsbegrip en aan een bepaalde kultuur. De wijze, waarop de enkeling over zijn religieuze gevoelens spreekt, de verwoording, is vanzelfsprekend afhankelijk van het karakter van het individu en van de kultuur, waartoe hij behoort. Het is echter onjuist te menen, dat alleen de verwoording verschilt, maar dat de gevoelens bij alle mensen, ongeacht plaats en tijd gelijk zouden zijn. Religie is niet op de allereerste plaats denken over God of over de relatie tussen mens en God. Religie is het weten van Gods werkelijkheid, (53)