(Het religieuze gevoelsleven vervolg1 )
Tussen de motievenstrijd van het dier en de motievenstrijd van de mens is dus alleen dit verschil, dat de mens zich in de pauze voor het handelen, bewust wordt van die strijd. Het heeft feitelijk geen zin het woord mo tief uitsluitend te reserveren voor de bewuste wilshandeling. In de diepte” psychologie wordt veelvuldig gesproken over onbewuste motieven. Mo tief betekent beweegkracht en valt samen met het begrip instinkt, dat aandrijvende kracht betekent. Wanneer een der motieven het sterkste is gebleken, zeggen we, dat we hebben gekozen. Nu mogen we het gevoel hebben, dat we in volkomen vrijheid, dus geheel willekeurig, kiezen, in werkelijkheid is onze keuze volkomen bepaald door de krachtsverhou ding der elkaar bestrijdende motieven. Zoals de kracht van de wil geheel en al bepaald wordt door de kracht der motieven, zo is de richting van de wil, het wilsbesluit, door de onderlinge krachtsverhouding der motie ven volkomen gedetermineerd. Evenmin als welke andere funktie van de psyche dan ook, is de wil een geïsoleerd vermogen. Het wilsbesluit is de resultante van de totale persoonlijkheid.
De Keulse psycholoog Lindworsky gebruikt de term motievenkultuur. Hij verstaat daaronder het aanbrengen van levenswaarden door de .opvoe ding. Maar in een wereld als de onze, die juist gekenmerkt wordt door ontbinding van waarden, staat de opvoeder voor een bijna bovenmense lijke taak, nog geheel afgezien van de vraag, waar dan die opvoeders zijn, die de nieuwe levenswaarden moeten aanbrengen. Wat kan de opvoeder stellen tegenover de ontbindende krachten en de hopeloze uitzichtloos heid van een door atoombommen bedreigde samenleving? Om datgene, wat Lindworsky motievenkultuur noemt, mogelijk te maken, moet de opvoeder beschikken over een harmonisch, samenhangend geheel van waarden. Een geïsoleerde waarde heeft geen grond en beklijft niet. Lindworsky wijst daar trouwens met nadruk op. En niet alleen, dat de waarden een harmonisch geheel moeten vormen, zij moeten ook passen in de struktuur van de samenleving, zodat zij in het dagelijkse leven vol ledig tot geldigheid kunnen komen. Ik probeer in dit boek een zo gaaf mogelijk waardengeheel te geven, gebaseerd op een pantheïstische, levens aanvaardende religie, maar ik ben mij er diep van bewust, dat deze levens houding al heel slecht past in de huidige, maatschappelijke werkelijkheid. Mijn geloof heeft mij tot een outsider gemaakt.
De wil wordt dus volkomen bepaald door de krachtsverhouding der el kaar bekampende motieven. Betekent dat nu, dat ons gehele leven be paald wordt door krachten buiten ons bewustzijn om? Is de mens dan een objekt van uitwendige en inwendige natuurkrachten? Heeft hijzelf geen invloed, geen vrijheid? Leidt het inzicht in de gebondenheid van de wil noodzakelijk tot een fatalistische levenshouding? Ondermijnt het de terminisme het verantwoordelijkheidsgevoel? Nu heeft op de eerste plaats geen mens een fatalistische houding in het leven op grond van een of ander theoretisch inzicht. Men is al of niet fatalistisch op grond van een met het karakter nauw verweven totaal-instelling op het leven. De theoretische fundering komt heel vaak achteraf als verdediging van de levenshouding. De verstandelijke redenering dient de gevoelsinstelling; het verstand is als Johannes de Doper, het maakt de paden zijns Heren recht. Zo komt de theorie voort uit de levenshouding en niet omgekeerd. Er zijn mensen, die theoretisch de idee der wilsvrijheid zijn toegedaan, maar wier gedrag een fatalistisch karakter vertoont. Fatalisme komt voort uit diepe lagen in de ziel en kan niet met theoretisch inzicht worden be- (79) streden. Ook het gevoel van verantwoordelijkheid hangt niet af van een theoretisch inzicht in het probleem van de wilsvrijheid. Verantwoorde lijkheid is natuurlijke vrucht van de gemeenschapsliefde. Krisis der ver antwoordelijkheid is een onvermijdelijk gevolg van een krisis in het ge meenschapsleven. Verantwoordelijkheid is helemaal geen probleem voor de mens, die zich opgenomen weet en gedragen voelt door een levende gemeenschap. Hij voelt zich verantwoordelijk voor alle leden der gemeen schap, omdat hij zich één met hen weet en voelt. Maar als die levende, echte gemeenschap er niet is, dan kan alle gepraat en gepreek over de noodzaak van verantwoordelijkheid die niet te voorschijn roepen. En in een levende gemeenschap is het overbodig erover te preken. In onze samenleving heeft echter het spreken over gemeenschap, liefde, saamho righeid, enz. de werkelijke vanzelfsprekende aanwezigheid ervan ver vangen. De geïsoleerde, geatomiseerde mens kan nu eenmaal slechts een zwek verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Het is belachelijk in de theo rie van het determinisme een gevaar voor de verantwoordelijkheid te zien.
Hoe luidt nu echter de theoretische beantwoording van de gestelde vragen? Elk verschijnsel, elk zijnde is een systeem van krachten, dat als deelgeheel de inwerking van het kosmisch Geheel ondergaat en zelf op dat Geheel terugwerkt. Zo de steen, zo de plant, zo het dier, zo de mens. Er is hier in geen spoor van vrijheid, geen spoor van mogelijkheid om buiten de kos mische samenhang te treden. Wanneer nu echter de bewuste mens inzicht verwerft in het systeem van krachten, dat hijzelf is, dan kan hij vanuit dit inzicht d.w.z. met zijn verstand regulerend, ordenend ingrijpen in zich zelf.
Hier wordt mogelijk, wat we bewuste, kreatieve zelfordening noemen, die niet geheel en al in de plaats komt van de natuurlijke, onbewuste regule ring van het organisme, maar die aanvult. De onbewuste regulering kan dus niet uitgeschakeld worden noch kunnen we geheel willekeurig te werk gaan. Ingrijpen in het instinktleven doet de mens al vele eeuwen lang, maar hij doet dat zoals een stier ingrijpt in een porceleinkast en met even katastrofale gevolgen. De bewuste zelfordening als aktieve, scheppende daad van het wilsleven kan niet ingaan tegen de natuurlijke ordeningstendenzen zonder verminkingen en frustraties te veroorzaken. Maar als de mens leert de wetten van het instinktieve leven te bestude ren met even grote volharding en nauwgezetheid als hij dat doet op het gebied der natuurwetenschappen, dan ontstaat de mogelijkheid, dat hij in eigen innerlijk orde brengt en niet minder grote krachten losmaakt als in de kemphysica. Alleen een levende religie maakt die krachten los en moeilijkheden als bergen worden tot molshopen. De menselijke “Vrijheid”, als men behoefte heeft dat woord te gebrui ken, is dus afhankelijk van zijn inzicht in zijn kosmische verbondenheid en van zijn vermogen zich harmonisch in het kosmische Geheel in te scha kelen. Wie kan hierbij passief fatalisme ontdekken? Determinisme en fa talisme behoren volstrekt niet noodzakelijk bij elkaar. Ook binnen de deterministische visie is er plaats voor de mens om de bouwer van zijn eigen lot te worden. Er is immers geen enkele reden waarom de mens niet evengoed zou leren op de juiste wijze gebruik te maken van de instinktie ve als van de physische krachten. Die taak is niet eenvoudig, maar het is geen onbegaanbare weg. Maar zal de mens hem gaan?
Volgens Lindworsky moet de aanhanger van het determinisme afzien van (80) elk verwijt en van elke straf. Het is opvallend, dat bij problemen, waar over de theologie absolute, buiten alle kritisch onderzoek staande, uit spraken heeft gedaan, het denken van de meest scherpzinnige denkers schijnt te stokken. Een verwijt is de uitdrukking van de ontstemming, die de verkeerde daad of de nalatigheid heeft gewekt. De zin van het verwijt ligt in de funktie, die het heeft ten opzichte van de toekomst. Het beïn vloedt de dader; het brengt hem tot bewustzijn, dat zijn handelwijze mo rele ontstemming heeft gewekt. Het verwijt heeft dus ook zin voor de de terminist, omdat het in hem de sociale aandrift aktiveert in het vervolg dergelijke ontstemmingen te vennijden. En de straf?
De straf, opgevat als opzettelijk toebrengen van leed, als vergeldingsmaat regel, is vanuit een detenninistisch standpunt inderdaad zinloos. Het kwaad straft zichzelve. De boosdoener isoleert zich van zijn medemensen en dat is zijn straf, een straf, die als onvermijdelijk gevolg van de boze daad optreedt. Uiteraard heeft de gemeenschap het recht zich tegen de misdadiger te verdedigen, ook terwille van de misdadiger zelve.
De konatieve en de kognitieve funktie van het instinkt kunnen we de mo tor en het stuur van het gedrag noemen. De mens heeft dit instinktieve stuur verloren, maar niet de motor. Zonder instinkt zou hij helemaal niets doen, hij zou helemaal niet leven. Maar in plaats van het oude stuur, vormde zich een geheel nieuw, het verstand. Het verstand neemt de leidende funktie van het instinkt over, maar het is zelf geen beweegkracht, even min als de wil.
De eeuw van het rationalisme, de tijd, dat de mens uitennate trots was op verstand en rede, ligt nog niet zover achter ons. Maar de droevige toe· stand, waarin onze samenleving, ondanks alle technische vooruitgang, zich bevindt, de hopeloze verwarring in de zielen der mensen, het kenne lijk onvermogen tot ordening van het sociaal-ekonomisch leven op inter nationaal niveau, zoals de situatie toch vereist, dit alles heeft bij velen de ogen geopend voor de uiterst relatieve waarde van de menselijke rede. De psychologie heeft veel bijgedragen tot het inzicht, dat zelfs daar, waar de mens gelooft in alle oprechtheid, weloverwogen, doelmatig en redelijk te werk te gaan, hij desondanks voorwaarts gedreven wordt door onbe wuste motieven. Tot nog toe is het menselijk verstand bitter tekort ge· schoten en alle triomfen op het gebied van de techniek veranderen daar niets aan. Met evenveel kracht als het dier voorwaarts gedreven naar in stinktieve doeleinden, gedraagt de mens zich maar al te vaak als een boot zonder stuur, maar met een razende motor.
Het verstand heeft dus eenmaal, zo goed en zo kwaad als het ging, de funktie van het instinkt overgenomen. Al is de leidende funktie van het instinkt bij de mens zeer verzwakt, toch is de rol van het instinktieve “weten” bij de mens niet geheel en al uitgespeeld. Het kind reageert instinktief op het gedrag der volwassenen. De pasgeborene zoekt de te· pel en kan de ingewikkelde zuigbewegingen maken. Kinderen vertonen soms een duidelijke instinktieve voorkeur voor bepaalde spijzen. Ook wordt de mens instinktief gedreven naar de partner, die biologisch bij hem of haar past. Er is zelfs geen sprake van, dat bij de partnerkeuze het verstand de taak van het instinkt zou kunnen overnemen, al betekent dit niet, dat we met de instinktieve keuze altijd zo goed uitkomen. Het gedrag van het dier is in zijn adequate milieu altijd het juiste. De mens echter is gedwongen zich telkens opnieuw rekenschap te geven van zijn gedrag. Hij moet leren door schade en schande, hoe zich te gedragen en (81) dikwijls genoeg doet hij daar zijn hele leven over. Alles wat het dier als aangeboren gave heeft meegekregen, moet de mens dus moeizaam leren. Wij moeten voedingsleer bestuderen om te weten, wat we moeten eten. We moeten opvoedkunde leren om te weten, hoe we met onze kinderen moeten omgaan en bij ons geslachtelijk leven hebben we behoefte aan wetenschappelijke voorlichting. Ons gehele leven is problematisch gewor den; niets gaat meer vanzelf. Daarbij mogen we wel bedenken, dat de mens, die zijn verstand verliest, daarmee de leidende funktie van het in stinkt niet terugwint. De mens zonder verstand wordt geen dier, maar een monster.
Het vermogen van het dierlijke individu tot het verbeteren van een in stinktief soortgedrag in een bepaalde situatie, die dat nodig maakt, mo gen we zeker nog geen verstand noemen. Maar een allereerste, schemerig begin ervan is het wel. In de variabiliteit van het instinkt ligt de potentie tot het ontwikkelen van verstand opgesloten. Wanneer een dier in een situatie komt, waarin zijn aangeboren “weten” hem in de steek laat, weet het zich geen raad; het handelt lukraak; het past de trial and error-metho de toe, als we dat een methode mogen noemen. Maar niet aldus de mens. Deze zal trachten de situatie te overzien en proberen zich van te voren rekenschap te geven van de gevolgen van zijn eventueel gedrag. Het in stinkt bepaalt zich steeds tot enkele, menselijk gezien ontoereikende ken merken, die echter voor het dier in zijn adequate milieu voldoende doel matig zijn.
Het verstand echter, in tegenstelling tot het instinkt, tracht zoveel moge lijk kenmerken te overzien en heeft dus in dit opzicht heel veel op het instinkt voor. De wording en de verdere ontwikkeling van het verstand leidde tot een geweldige milieu-verruiming, maar gelukkiger is de mens daardoor niet geworden. Tot nog toe betekende elke stap voorwaarts in de richting der verstandelijke ontwikkeling slechts groter disharmonie. Wijder werd de kloof met de natuur, dieper het gevoel van verlorenheid, van gespletenheid, van ontworteling. Hoe goed begrijp ik de hartekreet vanjeanjacques Rousseau: “Terug naar de natuur! “Hij leerde, dat de mens van nature goed was, maar bedorven werd door het Christendom. Hoe dicht bij de waarheid was hij I Eens werd hij hartstochtelijk vereerd, maar thans heeft niemand meer een waarderend woord voor hem over. Men spreekt nu over hem met waanwijze geringschatting. Men verwerpt zijn romantische mensvisie en noemt zijn aanhangers – zijn die er nog? oppervlakkige zoete-koek-optimisten. Maar ik behoor geenszins tot zijn verguizers. Ik meen, dat hij ondanks het onvermijdelijk beperkte van zijn inzicht, toch dichter bij de waarheid omtrent de mens was dan vele an tropologen van onze tijd, die verblind en geschokt door de demonie en de ongerechtigheid van het heden en veel meer dan hij gepantserd in het enge keurslijf van de Christelijke theologie, onbekwaam blijken tot een grootse en bevrijdende visie op de mens. De afwijzing van het optimisti sche, romantische mensbeeld is trouwens onmisbaar voor een heersende klasse. De slechte, asociale mens rechtvaardigt het bestaan van een onaan tastbaar gezag. Merkwaardig daarbij is, dat de gezagsdragers zich niet af vragen, of zijzelf dan ook niet slecht zijn en dus feitelijk ongeschikt om gezag te dragen. Misschien zijn zij wel de slechtste!
Dus toch terug naar de natuur? Neen, niet zoals Jean Jacques het zag. Zijn wilde van Aveyron is een fantastische spekulatie en inderdaad wei nig in overeenstemming met de werkelijkheid. Er is trouwens nooit een weg terug. Hoe zou de mensheid terug kunnen keren naar haar uitgangs- (82) punt? Maar voorwaarts gaan naar een toekomst, waarin de noodlottige scheiding tussen natuur en kultuur is opgeheven is niet volstrekt onmo gelijk. Niets van wat de mens aan wezenlijke kultuurwaarden heeft gewonnen zou daarbij verloren behoeven te gaan, integendeel, eenmaal ver zoend met de natuur, zou zijn geest en beschaving tot ongekende hoogte kunnen stijgen. Eenmaal hebben socialisten vurig in een dergelijke toe komst geloofd en socialistische dichters hebben in extatische vervoering ervan gezongen. Zo dichtte Herman Gorter zijn gedicht Pan, waarin hij de uiteindelijke vereniging beschrijft van de goddelijke Pan, de Natuur, met het Gouden Meisje, de Mensheid. Maar deze stemmen zijn verstomd en zwarte, sombere utopieën hebben de lichte, stralende toekomstdro men vervangen.
Toch kan niet wor$len ontkend, hoezeer de gedachten van Jean Jacques Rousseau en de aan hem verwante denkers stimulerend hebben gewerkt op de opvoeding. Want men moet toch een beetje in de mens geloven om te kunnen opvoeden. Daarzonder wordt de hele opvoeding tot dril en dressuur. Het wordt waarlijk tijd, dat de denkers der 18de eeuw opnieuw op hun werkelijke waarde worden geschat en gewaardeerd en dat we leren inzien, dat het hedendaagse pessimisme toch minstens even beperkt en eenzijdig is als het optimisme der 18de eeuw.
Het verstand is een produkt van de strijd om het bestaan. Het ontstaan kan alleen vanuit de evolutie-gedachte begrepen worden. Ik acht mij ont slagen van de plicht de evolutie-gedachte zelve te verdedigen tegen de duisterlingen, die haar nog steeds verwerpen. Bij de moderne biologen wordt de evolutie als feit algemeen aanvaard, al is dan het hoe der evolu tie nog steeds een omstreden gebied. Maar ik hoef me niet te mengen in de strijd om de betekenis van adaptie, selektie en mutatie.
Het verstand ontstond toen onze dierlijke voorouders door de ondergang der sub-tropische wouden in een situatie kwamen, waar hun instinktieve gedragspatroon faalde. De proeven van Köhler op het eiland Tenerife maakt het mogelijk ons min of meer een voorstelling te vormen van de wijze, waarop het verstand zou kunnen zijn ontstaan. Deze proeven met chim pansees kan men beschouwen als een opzettelijke, kunstmatige herhaling, van wat zich eenmaal door natuurlijke oorzaken met de voorouders van de mens moet hebben afgespeeld. Het is gebleken, dat chimpansees een allereerste schemering van verstand vertonen. In de natuur zullen ze dat sluimerende vermogen wellicht nooit gebruiken, maar Köhler schiep een situatie, die dit vermogen aktiveerde. Allereerst liet hij zijn chimpansees flink honger lijden. Honger is een scherp zwaard. Op de tweede plaats droeg hij zorg, dat het aangeboren gedragspatroon tot geen enkel resul taat kon leiden. Na allerlei aanvankelijke mislukkingen leren de chimpan sees bananen naar zich toe halen met een stok, kisten op elkaar stapelen om hun voedsel te bereiken, twee bamboestokken in elkaar te schuiven, enz.
“Niets”, aldus Köhler, treft de bezoekers van het eiland zozeer, als het gedrag van de chimpansee tussen twee mislukkingen. Roerloos zit hij dan in het midden van de kooi. Alleen de ogen gaan rusteloos rond en nemen alles nauwkeurig op. Menselijk ziet de chimpansee er dan uit. Maar het meest menselijk is hij, als hij er voor het eerst in geslaagd is, de twee bamboestokken in elkaar te schuiven. Hij gaat geheel en al in zijn nieuwe vinding op, schuift in en schuift uit en vergeet zijn voedsel. Op zulk een moment is de chimpansee boven het dierlijk niveau uitgestegen. In het dier is het eerste schemerige begin der menswording doorgebroken. (83) De chimpansee is dan ook meer verwant aan de mens dan aan de meest nabije soortgenoten onder de apen. Moet men een mens, die geheel en al opgaat in het materiële leven, die redeloos zijn biologische doeleinden najaagt, zij het met al de ingenieuze middelen van het verstand, wel een mens noemen? Zulk een wezen is toch feitelijk niet boven het biologisch niveau uitgestegen al vertoont zijn anatomie menselijke kenmerken.
De ondergang der sub-tropische wouden dwong onze voorouders óf om zich terug te trekken naar het tropische oerwoud, óf om zich aan te pas sen aan de vlakte en de koude. Gibbon en gorilla, chimpansee en orang oetan zijn de nakomelingen van hen, die zich terugtrokken in het oer woud. Wij, mensen, zijn de nakomelingen van hen, die zich aan het nieuwe milieu wisten aan te passen. Door die aanpassing onderging de psycho-physische struktuur van een vruchten- en noten etende boombe woner, die wellicht nu en dan rechtop liep; een ingrijpende wijziging. Door het blijvend rechtop lopen, komt het hart te hangen aan de grote slagaders. Overhellend naar links, ontstaat rechtshandigheid. De wervel kolom, eerst boogvormig, wordt nu S-vormig en daardoor de gang ver ender. Welk een verruiming van de horizont, nu de mens – mag men hem al zo noemen? – blijvend rechtop loopt in de vlakte.
Zijn grijpvoet wordt allengs tot loopvoet. Met zijn voeten kan hij niets meer beetpakken, maar zijn prachtige grijphanden krijgt hij vrij. Hij heeft ze voor het lopen niet meer nodig. En dan vindt hij net werktuig uit en zijn grijp hand wordt een werkhand. Eerst dan spreekt men in de prae-historie van menselijke overblijfselen als men naast de fossiele resten van de mens zelf, ook de menselijke werktuigen, de eolithen vindt. Ook de dieren hanteren werktuigen, maar een werktuig maken kan geen enkel dier. Om een werktuig te kunnen maken, moet men van te voren zien, waarvoor het dienen moet. Men moet bewust het doel voor ogen zien en er dan planmatig op af gaan. Tot zo iets is geen dier in staat.
Het ontstaan en de verdere ontwikkeling van het verstand voltrekt zich in voortdurende wisselwerking met de hand. De hand vormt het verstand; het verstand vormt en vervormt de hand. Doen en denken behoren in de aanvang onverbrekelijk samen. Hand, verstand en werktuig, bewustzijn en taal zijn in onophoudelijke, onderlinge beïnvloeding tegelijkertijd ont staan. Het is duidelijk, dat de techniek het menselijk bestaan mogelijk maakt. De mens moet eerst technikus zijn om te kunnen leven en eerst daarna en daardoor kan hij mens worden. Wie tegen de machine is, is tegen de mens. Niet de machines als zodanig vormen ons ongeluk, maar ons ongeluk is, dat de technische vooruitgang en de welvaart tot doel ge worden zijn in plaats van middel tot mens zijn, tot volledig mens zijn. En zo ontstond de noodlottige vergissing, dat technische vooruitgang en toeneming van welvaart meer menswording zou betekenen.
De overgang van dier naar mens is zeker heel geleidelijk gegaan. De eer ste schrede in het rijk der kultuur betekende het begin van het einde der natuurlijke, onbewuste harmonie. Het eerste doorschemeren van het be wustzijn betekende het begin van een disharmonische toestand, van een niet meer vanzelf aangepast zijn,van desoriëntatie. Het betekende de. ge., boorte van het kwaad. En elke stap voorwaarts oppet gebied van de teçh, niek vergroot de kloof met de natuur. Blijkbaar leidt de weg naar de be wustwording onvermijdelijk door afgronden van leed. Ongetwijfeld had de dichter-theoloog van Genesis een machtige visie, toen hij beschreef, hoe de mens door het eten van de vrucht van de boom der Kennis het (84) Paradijs der natuurlijke, vanzelfsprekende verbondenheid verloor. Het kwaad ontstond en groeide door de breuk met de natuur. Maar daarvan begreep de dichter-theoloog van Genesis niet veel. En dus gaf hij Satan zijn rol in de val des mensen. En nog steeds zwerft de mens over de aarde als een gevloekte. Het is de vloek der kennis, die zwaar op hem rust. Zijn kennis groeit, zijn verstand groeit, zijn techniek groeit. Zijn verstand schept de machine en de machine groeit en wordt tot een mensenverslin dende, zielenverdervende Moloch. Technische vooruitgang is doel gewor den en in de zielen van millioenen mensen leeft de angst voor de groeien de machine en voor technische mogelijkheden. Men verheugt zich er niet over, maar is er terecht bevreesd voor. Is het niet de machine, die deze afgrijselijke, harde, rusteloze, meedogenloze wereld van steen en staal heeft geschapen? Als de tovenaarsleerling uit de sage heeft de mens door zijn verstand krachten wakker geroepen, die hij niet vermag te beheer sen. Hij is als een kind, dat op een zware vrachtwagen is geklommen; het heeft het gevaarte in beweging gebracht, maar kan het niet besturen noch het tot stilstand brengen. Het gaat er met hem vandoor. Zal het hem regelrecht naar de afgrond voeren? Zal de mens door de techniek, die hijzelf heeft geschapen, zichzelf vernietigen?
De eerste phase van de verstandelijke ontwikkeling wordt gekenmerkt door de mogelijkheid tot het zien van verband zondermeer. Het zien van verband is de meest fundamentele trek van het verstand. Van pogingen tot overzichtelijke rangschikking der ervaringen is in deze eerste phase nog geen sprake. Wanneer dit in de volgende phase gelukt, dan is daar mee de mogelijkheid gegeven om steeds meer en steeds omvattender ver band te zien, om steeds meer kennis te omvatten, om steeds dieper door te dringen in de kosmische samenhang. En waar de kennis van geslacht op geslacht wordt doorgegeven en na de uitvinding van de boekdrukkunst in de bibliotheken, die magazijnen der kennis, overzichtelijk kan worden opgestapeld, groeit de menselijke kennis voortdurend aan en ofschoon het verstand krachtens zijn aard een beperkt vermogen is van een aan tijd gebonden organisme, is er toch praktisch aan zijn groei geen grens.
Maar niet mag vergeten worden, dat het verstand een nieuwe, psychische funktie is, die in de aanvang uitsluitend een biologische betekenis heeft. Het moet de funktie van het instinkt overnemen en kon dus niet anders dan uitsluitend gericht zijn op het bereiken van biologische doeleinden. Eerst wanneer de noodzakelijke bevrediging der instinkten meer of min der zeker gesteld is, kan de vrijkomende energie zich nieuwe, kulturele doeleinden stellen. Er komt tijd om te spelen d.w.z. om kultuur te schep pen. Vanzelfsprekend is deze kultuur dan ook altijd een kultuur van heer sende groepen en hebben de onderdrukten er nauwelijks deel aan. De mens schept de kultuur door innerlijke overvolheid en eerst daardoor wordt hij eigenlijk pas mens. Deze innerlijke overvolheid heeft trouwens nog een andere oorzaak. Waarschijnlijk door een ruimere en meer gevari eerde voeding kent de mens geen bronsttijd meer. Vanaf de puberteit werkt de kiemklier zonder ophouden. De mens komt in een toestand, die”men in het duits met de term Dauerbrunst aanduidt. De opgehoopte energie kan zich onmogelijk uitsluitend langs sexuele banen ontladen en krijgt daardoor een kultuurscheppende funktie. Het dier is meestal steeds bezig met te pogen in het leven te blijven en zich voort te planten. Maar een mens, die uitsluitend arbeidt om in het leven te blijven is nog een dier. Het wezenlijk menselijke komt pas tot uiting als de kultuur zijn (85) doelloze schepping is geworden, zijn spel.
Omdat het verstand in den beginne geheel en al in dienst staat van de in stinktbevrediging, heeft de eerste wetenschap steeds nuttige doeleinden_ Maar zie de chimpansee, hoe hij speelt met zijn in- en uitschuifbare stok ken en er zo in opgaat, dat hij zijn ontbijt vergeet, ofschoon hij honger heeft. Nuttig is zijn gedrag misschien niet, maar het is schoon, het is echt menselijk. Deze chimpansee is waarlijk een schoon en edel wezen. Hoe weerzinwekkend lelijk en monsterachtig is bij hem vergeleken de geleer de, die zich verkocht heeft aan de machthebbers en zich in dienst gesteld heeft van hun waanzinnige instinktdoeleinden. Ze misbruiken al hun mach tige kennis om atoombommen te maken. Deze geleerden zijn de grote misdadigers van de moderne tijd; er is niets, dat ze kan verontschul digen. De mens, wiens gehele bewustzijn slechts vervuld is van materiële doeleinden, die in den blinde naar steeds meer welvaart en luxe streeft, staat onbetwistbaar lager dan de spelende chimpansee. Want het is niet door het verstand zondermeer, dat de mens boven het dier uitstijgt. Goethe laat in zijn Faust Mephisto honend zeggen, dat de mens zijn ver stand slechts gebruikt om dierlijker dan elk dier te zijn. Een instinktdier werd door het verstand een denkdier, maar geen mens. Velen, die dit inzagen, probeerden zich van de dwang van het biologische te bevrijden door de strijd tegen het instinkt te beginnen. Deze strijd hebben ze nooit gewonnen en kunnen ze niet winnen; het is als het afzagen van de tak, waarop ze zitten. Er is geen uitstijgen boven het biologische niveau mo gelijk zonder sanering van het instinktleven. En sanering van het instinkt Ieven is onmogelijk zonder hun bevrediging. En daarom moet ik door dit inzicht gedreven opnieuw de kreet slaken van Jean Jacques:
“Terug tot de natuur! “
Het tweede stadium in de ontwikkeling van het verstand wordt wel het magische stadium genoemd. Levy-Brühl sprak van een prae-logische phase. Hij kwam daar later op terug. De antropologen weten nu wel, dat het wereldbeeld van de primitieve mens zeer sluitend in elkaar zit en geen logische hiaten vertoont.
“Maar domme primitieve, wat doe je daar? Je blijft maar voedsel brengen op het graf van je grootvader. Zie je dan niet, dat niets wordt aangeraakt? De dode heeft niets meer nodig.”
De domme primitieve zal wel slim genoeg zijn om niets te antwoorden, maar hij zal zich in stilte verbaasd afvragen, hoe zo’n blanke, die toch zo veel meer weet en kan dan hij, niet eens schijnt te begrijpen, dat de ziel van de dode zich voedt met de ziel van de spijzen.
In de magische periode komen de eerste, primitieve pogingen tot ordelijk rangschikken der ervaringen tot uiting. Maar duidelijk toont het verstand, dat het ontstaan is in de strijd om het bestaan; het is nog steeds dienaar der instinkten. Het denken verwijlt nog hoofdzakelijk in de wereld van het konkrete. Het vermogen tot het vormen van abstrakte begrippen is nog heel zwak, hetgeen ook blijkt uit de begrippen-armoede der primi tieve talen. Zo heeft de Dajak een woord voor elk riviertje, maar geen woord voor rivier, een woord voor elke vinger, maar geen woord voor vinger. Dr. Montessori vergelijkt de overgang naar de abstraktie bij het (86)