(Het religieuze gevoelsleven vervolg2)
kind met een vliegmachine, die eerst een heel eind over de grond moet rijden, maar zich dan van de bodem losmaakt en hemelhoog stijgen kan. Zo vinden ook de hoogste en ijlste abstrakties van de mens hun oor sprong en uitgangspunt in de wereld van het konkrete. Helaas zijn er nog al te veel dwaze philosofen, die deze “lage” afkomst van hun ideeën niet willen erkennen, die ze een zelfstandig bestaan toekennen los van het konkrete. Deze dwaze philosofen menen, dat er vliegmachines kunnen rondzweven, die niet van de bodem zijn opgestegen. Hun afgod is Plato, die de abstrakte Idee als eigenlijke werkelijkheid beschouwde en de kon krete dingen als een onvolmaakte afspiegeling ervan. Wanneer zal deze Plato nu eindelijk eens bijgezet worden in een museum naast andere mum mies! Want daar is zijn plaats.
Waar het denken nog zo geheel en al konkreet is, kunnen we geen abstrakt zielsbegrip verwachten. Voor de primitieve mens is de ziel konkreet, van een stoffelijke natuur, de ziele-stof moge dan fijner zijn dan de stof, waar uit het lichaam is gemaakt. Een Kongo-neger veegt de eerste weken de hut van een overledene niet aan; het opdwarrelende stof zou de nog aanwezi ge ziel kunnen beschadigen. Een antropomorfisme beschouwing van de natuur behoort eveneens thuis in de tweede phase der verstandelijke ont wikkeling. Het verschil tussen levende en dode dingen bestaat voor de primitieve niet. Hij voelt zichzelf subjekt en brengt dit gevoel vanzelf sprekend over op alle hem omringende objekten. Het kleine kind doet niet anders. Alle dingen zijn met wil en bewustzijn begaafde wezens; de primitieve is een animist.
Sterk op de voorgrond treedt nu de poging om de natuurkrachten aan de instinktbevrediging dienstbaar te maken. Maar die poging blijft voorals nog kinderlijk, magisch. Magie is de poging iets tot stand te brengen, wat nog uitgaat boven het verstandelijk vermogen en het technisch in zicht; het is de primitieve poging tot beheersing der natuurkrachten. Maar voor onpersoonlijke natuurkrachten is in de primitieve denkwereld geen plaats. Voor hem zijn dat machtige, goddelijke wezens en men kan dus zeggen, dat magie de kunst is om deze goddelijke wezens te beïn vloeden. Door bepaalde ceremoniën, die op de juiste wijze, op de juiste plaats en op de juiste tijd moeten worden uitgevoerd tracht de primitie ve invloed uit te oefenen op de demonen. Heel veel magie is afweerrna gie, want hij vreest de demonen en hij probeert hun kwade invloed te weren. Heel wat resten van magisch denken en van magisch handelen zijn tot in onze tijd blijven bestaan. De ontwikkelingsphasen van het ver stand overlappen elkaar.
In de bomen klimmen en water uitgieten, opdat het zal gaan regenen; rituele paringen om de vruchtbaarheid van mens, vee en gewas te bevor deren; het doorboren van een afbeelding van het jachtdier, alvorens men het werkelijk jagen gaat; het eten van dieren en mensen om deel te krij gen aan hun eigenschappen, ziedaar enige voorbeelden van magisch-ritu ele symboolhandelingen.
Ook het dwingen van God door het gebed, het slaan van kruisjes, het meenemen op auto- en vliegtochten van maskottes en amuletten, het in zegenen met wijwater van tanks en oorlogsschepen, de verandering van de hostie in het lichaam en het bloed van Jezus, ook dit alles hoort thuis in een magisch-primitieve denkwereld. En hieruit blijkt wel overduide lijk, dat we de tweede phase nog geenszins achter de rug en overwonnen hebben. Maar desondanks is het derde stadium der verstandelijke ontwikkeling al (87) begonnen. Het is de periode van het wetenschappelijke denken. Nu treedt voor het eerst de zelfkritiek op. Het oordeel wordt voorafgegaan door nauwkeurige, voortdurend herhaalde en steeds gekontroleerde waarne ming. Het wetenschappelijke denken, dat is de sfeer van het herhaalbare experiment en van de methodische en minutieuze observatie. Er is een duidelijk streven naar objektiviteit. Deze objektiviteit is echter daar het minst aanwezig, waar het besef van de onmogelijkheid van volstrekte objektiviteit ontbreekt. Het is een typische lekenillusie te menen, dat er zoiets als objektieve wetenschap bestaat. De objektiviteitsschijn is het sterkst op het terrein der exakte wetenschappen, maar bij de geestes wetenschappen is het meestal niet zo moeilijk de objektiviteit als schijn te doorzien. Hoe meer mensen gezamenlijk tot een gemeenschappelijk oordeel komen, des te kleiner wordt het subjektieve element, tenminste als al deze mensen getrainde onderzoekers zijn. Voor de meeste andere mensen betekent het hebben van een gemeenschappelijk oordeel niet, dat ze meer objektief zijn, maar dat ze in eenzelfde gedachte- en gevoels klimaat leven. Waar het gaat om een antwoord op essentiële levensvragen is de objektiviteit geheel en al zoek. Mijn boek is derhalve niet objektief; het is integendeel zeer subjektief. Maar juist in dit subjektieve schuilt zijn waarde. De moderne psychologie heeft tot het inzicht geleid, dat bij de vorming van wereldbeschouwing en levenshouding steeds onzichtbare helpers ongewild en onbemerkt meedoen; de dromen, de angsten, de wensen, de verlangens, de sympathieën, de anti-pathieën. Het denken is geen op zichzelf staande, onafhankelijke funktie. Zulke funkties bestaan niet. Als we denken, denken we vanuit en met onze totale persoonlijk heid. Het is goed om dat te weten, want daardoor blijven we bereid onze oordelen te onderwerpen aan de kritiek van anderen.
Elke verabsolutering van waarheden leidt tot verstening, tot geestelijke dood. Er zijn geen onaantastbare waarheden, laat staan waarheden, die men niet zou mogen aantasten.
Met zijn verstand begint de mens nu na te denken over zijn verstand. Hij tracht zich rekenschap te geven van het wezen en de grenzen van zijn kenvermogen. De kennisleer is ontstaan. Hoe meer het verstand nu groeit, des te beter weet de mens de natuurkrachten te gebruiken. De technische ontwikkeling gaat in een adembenemend snel tempo en niemand kan de gevolgen ervan overzien. Het verstand is een vlijmscherp, dodelijk wapen geworden. Het maakte de mens tot dat denkdier, dat de andere dieren met scherper klauwen, machtiger spieren, snellere benen, fijnere zintui gen tenslotte door het werktuig overwint. Want ook in deze derde phase is het verstand nog de dienaar der instinkten. En verder groeit de techniek.
Rijker wordt de wereld aan materiële goederen. Ongelukkiger en dishar monischer wordt de mens. En tot een rechtvaardige verdeling der rijk dommen vermag hij niet te komen. Nergens blijkt duidelijker, wat een zielige stumper de mens van onze tijd is, dan uit deze volkomen overbo dige en nutteloze strijd om de verdeling van rijkdommen. De technische mogelijkheden maken deze strijd overbodig. En die strijd is niet alleen nutteloos, hij is ook levensgevaarlijk voor alle mensen. Toch gaat hij doof., ofschoon het waarlijk niet aan waarschuwende stemmen ontbreekt. Psychische onmacht?
Het verstand is de gewillige dienaar van het instinkt, maar welk een die naar nu, een ware duivel, die alles kan en nergens voor terugdeinst. En welk een meester nu! Want ook het instinkt is onder de invloed van na- (88) tuurvijandige kulturen veranderd en misvormd. Het is niet meer het be trekkelijk eenvoudige instinkt van het dier of zelfs maar van de primitie ve mens. De mens heeft systematisch ingegrepen in het natuurlijke, ryth mische instinktverloop. Een gruwelijke verminking was het gevolg. De mens noemt deze methodische verminking opvoeding en verstaat daar onder de aanpassing van de tere en kwetsbare kinderziel aan de verschrik kelijke en onmenselijke eisen van een gemechaniseerde jungle, die hij maatschappij noemt. Hoe buitengewoon zwak is de stem van nieuwe op voeders, die eisen dat de gehele opvoeding op de behoeften van het kind, geheel en al “vom Kinde aus” moet worden ingericht. Zij worden over stemd door het gebrul der machine-mensen. Het verziekte instinkt ver andert de mens in een nerveus, onverzadigbaar monster, wiens geperver teerde behoeften tot in het onmetelijke zijn gestegen.
In de Germaanse mythologie wordt verhaald van Loki, een listige half god-halfduivel en van de gruwelijke wolf Fenris. Loki, het verstand, staat steeds klaar om Fenris, de onverzadigbare, te voeden. Maar hoe meer de ze afschuwelijke wolf vreet, des te meer begeert hij. Want Fenris is het zieke instinkt en dat kent niet de rust en de heerlijkheid der verzadiging. Een wellusteling, zegt Stekel, is iemand, die de wellust niet kent. De mens schrikt voor zijn eigen tomeloze begeerten. Angst voor deze de mon, lustangst noemen de psychologen dit, vergalt zijn leven. Fenris wordt geboeid en opgesloten in een donker hol, diep onder de grond. Is er sprekender symbool voor de verdringing naar het Onbewuste? En de mens in zijn angst spuwde venijn naar de Titan Freud, omdat deze het waagde het monster aan het daglicht te brengen. “Dat moogt ge niet doen”, riep hij uit, “laat deze dingen in het verborgene! Woel dat alles niet op! ”
Maar in het verborgene groeit F enris nog eens zo hard. Het verdrongen, onbevredigde instinkt zet zich uit, stijgt in spankracht en Fenris beukt steeds heftiger tegen de deuren van zijn gevangenis. En eenmaal zal hij losbreken, zo verhaalt de Edda. Zijn afgrijselijke muil zal hij opensperren, zodat de onderkaak de aarde en de bovenkaak de hemel raakt. Somber wordt dan de wereld en doodsvrees komt over de mensen. Alles zal Fen ris vernietigen; allen zal hij verslinden en de wereld zal ondergaan in vuur en bloed, in smart en tranen. Ragnarök, Godenschemering, noemden de oude Germanen deze ondergang. Hebben zij de tragische ondergang van het menselijk geslacht voorvoeld? In de eeuwen van het rationalisme hebben de mensen gejuicht en gejubeld over de triomf van de techniek en de vooruitgang en zij hebben de Ratio verheerlijkt als de grote bevrij der, als de brenger van geluk en welvaart voor alle mensen. Zo haalden de germaanse Asen Loki in hun godenverblijven en luisterden naar zijn helse raad. Maar thans is dat gejuich verstomd. De techniek en hare mo gelijkheden beklemt ons. Juist door de bijna volmaakte beheersing van natuurkrachten dreigt een onvoorstelbare ondergang en de mens van nu leeft angstiger en onrustiger dan zijn voorouders in de oerhorde. Mensenschemering!
De mens dreigt het slachtoffer te worden van zijn eigen verstand. Hij is daJ al geworgen. De kennis werd hem tot een vloek en hij heeft haar duur ‘Jmtaaldmçt brandend leed. De mens, die zich heer der schepping waant, de trotse veroveraar der aarde, de wrede bedwinger van zijn mede-dieren en medemensen, de meester over de krachten der natuur ….. en desniettemin een ziekgeworden dier, een jammerlijke slaaf van zijn wanstaltig (89) misvormd instinktleven, ongeacht of hij er zich willoos aan overgeeft of zich probeert te redden in een krampachtige vlucht in de askese. Men mag de monsterachtige figuren van de schilder Jeroen Bosch produkten noemen van zijn ongebreidelde fantasie, maar het zou juister zijn ze te zien als verbeeldingen van de mens, zoals hij van binnen is. Jeroen Bosch zag de ziel van de mens en die schilderde hij. In zijn hemel is het leeg, maar in zijn hel is het vol. Niet werkelijk? Niet realistisch? Wie zou dat durven beweren? De angst van de oerhorde herleeft in de ziel van de mens van de 20ste eeuw. Maar de moderne horden zijn streng gediscipli neerde en gemechaniseerde kollektiviteiten en van een ongelooflijke, vernietigende kracht. Georganiseerd in klassen, nationale staten en sta tenblokken maken zij zich klaar om elkaar opnieuw naar de keel te vliegen.
Mensenschemering?
Hoe gruwelijk zijn de moderne machine-mensen, die robots, die elkaar met vreselijke wapens te lijf gaan! Hoe weerz;inwekkend zijn ze, juist dan als ze doden uit idealisme, uit geestdrift ‘en overtuiging! Hoe afschuwelijk zijn al die fanatieke partijgangers! Hoezeer lijken ze allen op elkaar, ongeacht de leuzen, die ze brullen. De moordende idea list, dat is de geest, die steeds het goede wil en steeds het kwade schept. Neen, geweld is niet de weg van de wijze.
Wanneer het verstand de dienst der instinkten vermag op te zeggen en hun meester wordt in plaats van hun dienaar, d.w.z. dat de mens leert de normale instinktbevrediging te reguleren en te kultiveren, dan zouden we zijn aangeland in de vierde phase van het denken, de phase van het redelijke denken. Door de harmonisering van het instinktleven wordt het verstand tot rede. De rede is dus geenszins een vermogen kant en klaar vanuit een transcendentale wereld is ons neergedaald als een soort vonk van de goddelijke Rede, maar het is de vrucht, tot rijpheid gekomen aan de stam van het instinkt, het is het licht .omhooggebloeid uit de donkere schoot van het instinkt. En de rede blijft altijd met haar oor sprong verbonden en van haar afhankelijk. Het dwingende, tegennatuur lijke ingrijpen in het instinktleven, zonder kennis van en met miskenning van de wetten ervan, verdient de naam regulering zeker niet. Woorden als dressuur en dril zijn dan beter op zijn plaats. Reeds de taboe’s der primitieven en in nog veel sterker mate de wetten en morele geboden der kultuur volken dwingen de normaleinstinktbevrediging terug in steeds enger banen. Hoe meer onderdrukking, hoe meer spanning, hoe ingrijpen der en onherstelbaarder de misvormingen. Het misvormde instinkt breekt nu en dan in individuele of massale erupties naar buiten met katastrofale gevolgen. Het wordt telkens opnieuw bedwongen en gekluisterd om tel kens opnieuw los te breken. En als het niet losbreekt dan uit de verbor gen spanning zich in een menigvuldigheid van neurotische symptomen. Zijn begeerte kan de mens niet doden zonder zichzelf te doden. Daarbij is juist de begeerte de bron van zijn levensvreugde. Maar de mens zou kun nen leren te komen tot bewuste zelfordening nu hij aan de toestand der onbewuste regulering voorgoed is ontgroeid. In staat zijn tot bewuste ordening van het leven betekent volwassen zijn, het betekent redelijk zijn. Maar al hebben enkelingen het zeker reeds zover gebracht, van de mens in het algemeen kan men moeilijk zeggen, dat hij een redelijk wezen is. 0, ja, er zijn redelijke, er zijn wijze mensen. Maar het is helaas niet naar hen, dat wordt geluisterd. (90) Rudolf Otto noemt in zijn boek Das Heilige de Transcendentie het Numineuze. Het is niet duidelijk, waarom hij deze term heeft gekozen. In de godsdienst der antieke Romeinen waren de numina vrij vage gestal ten; het waren demonen met weinig kontour en weinig karakter. De Ro meinen geloofden, dat er honderden van deze wezens waren. Ze waren anders dan de mensen, onbekend, vreemd en angstaanjagend. Men zag ze niet, maar men voelde en onderging toch hun aanwezigheid. En dat was juist het beklemmende. Wellicht heeft OUo de term het Numineuze ge kozen om de nadruk te leggen op het beklemmende van het kontakt met de Transcendentie. Voor de Christen is het Transcendente of Numineuze het totaal andere. Ook hij ondergaat het beklemmende gevoel te worden gade geslagen door Gods alziend oog, de God, die alles weet en dIe let op zijn geheimste daden en zijn meest verborgen gevoelens. De priester staat met waarschuwend opgeheven vinger: “Ge meent, dat niemand U ziet, maar God ziet U.” Ik herinner mij mijn kinderangst voor een verschrikkelijk alziend oog, dat uit een driehoek naar mij loer de. Bij de mystici verneemt men weinig van deze angst, integendeel voor hen betekent het kontakt met het Numineuze vreugde. Daar is geen sprake van angst, van vreemdheid, van iets totaal anders, maar daar is herkenning van verwantschap en wezensgelijkheid. Maar Rudolf Otto is geen mystikus, maar een orthodox Christen. Ofschoon zijn boek de na druk legt op de betekenis van de irrationele elementen in de religie en een poging doet de religieuze gevoelens te beschrijven, zoekt hij toch de eigenlijke waarde van de religie niet in de gevoelens, maar in de be grippen en voorstellingen, die de mens van het Transcendente heeft. Maar voor de mystikus zijn dergelijke begrippen en vöorstellingen van sekundaire betekenis. Uiteraard vindt Otto”de Christelijke voorstellingen de meest superieure, maar hij ziet ~enminste in, dat het wezen van het Transcendente niet in begrippen kan worden uitgeput en dat religie niet opgaat in rationele stellingen. En dat is al heel wat in een Christelijke wereld, die meent de onaantastbare, geopenbaarde Waarheid in pacht te hebben.
Het is onze gewoonte, aldus Otto, over God te spreken met predikaten als Geest, Rede, Wil, Bewustzijn enz. Al deze predikaten zijn ook toe passelijk op de mens, maar dan in beperkte mate. Voor God gelden ze absoluut, zegt Otto. Dat er hier sprake is van projektie van menselijke eigenschappen naar het Transcendente, daarvan weet en begrijpt Otto niets. God heeft deze eigenschappen in absolute zin en daarmee uit. Hij doet geen poging om dat aannemelijk te maken. Hij vindt deze pre dikaten ook niet onjuist, en volstrekt niet waardeloos, maar betoogt dat daarmee volstrekt niet alles over God gezegd is. Want het Transcendente omvat naast dit alles nog veel meer. Dat meerdere kan onmogelijk rationeel worden aangeduid. Otto gebruikt om het ‘aan te duiden de term het Numineuze. Het Numineuze, merkt hij terecht op, kan alleen beschreven worden door middel van de gevoelsreakties, die het bij ons wekt.
Bij mijn beschrijving van het religieuze gevoelsleven maak ik nu gebruik van zijn onderscheidingen. Maar niet meer dan dat. Ik kan zijn visie niet overnemen.
Otto ziet de religieuze gevoelens als iets geheel aparts, geheel los en on afhankelijk en niet afleidbaar van de andere, natuurlijke gevoelens, zo als hij ze noemt. Nu is dat vanuit een Christelijke mensbeschouwing heel (91) begrijpelijk, maar psychologisch is het grote onzin. Het gevoelsleven van de mens bestaat niet uit twee wezensverschillende gebieden, geheel en al onafhankelijk van elkaar. De psyche van de normale mens is een eenheid. Waar de ziel uiteen valt in niet geïntegreerde delen, waar gespletenheid optreedt, daar is er toch geen sprake van dat deze afzonderlijke delen geen invloed op elkaar zouden uitoefenen en nog veel minder, dat ze niet van uit één wortel ontstaan zijn. Evenmin zijn de gevoelens onafhankelijk van de voorstellingen en begrippen. Bij bepaalde religieuze voorstellingen behoren bepaalde religieuze gevoelens. Wie God ziet als een opperste Rechter, een strenge Vadergod, voelt anders dan iemand, die God ziet als een troostrijke Moedergodin. Gevoelselementen die kenmerkend zijn voor alle religies kunnen echter wel degelijk worden beschreven. Wan neer Rudolf Otto schrijft, dat het Numineuze van boven af in het ratio nele, in het bewustzijn neerdaalt, dan wordt duidelijk hoe in het Christen dom de mens een wezen is uit twee werelden, de natuurlijke en de boven natuurlijke. De bovennatuurlijke is totaal anders en daar vandaan daalt dan het numineuze neer in de natuurlijke wereld. Helaas kunnen derge lijke, tegen alle redelijkheid en tegen de moderne wetenschap indruisen de opvattingen, heel lang stand houden en waarlijk niet alleen bij de on ontwikkel den. Ik heb geprobeerd duidelijk te maken, dat het Numineuze juist van on deren op in het bewustzijn doordringt, iets wat alle mystici, geheel en al zonder moderne diepte-psychologie, hebben geweten.
Otto onderscheidt drie hoofdaspekten van het religieuze gevoel:
1. het tremendum
2. het fascinosum
3. het sanctum.
Het tremendum is dat, wat ons doet beven, het beklemmende, het huive ringwekkende; het is de indrukwekkende ongenaakbaarheid van de maje steit Gods. In het Oude Testament wordt dit aspekt van het Numineuze Gods toorn genoemd. En dan behoort tot het tremendum ook nog de kracht Gods, zijn onmetelijke, onuitputtelijke energie. Het fascinosum is dat aspekt van het Numineuze, dat ons onweerstaan baar aantrekt en ons fascineert. Het is tegengesteld aan het tremendurn, dat ons afstoot en doet vluchten. Het sanctum, het gevoel voor het heilige. Het sanctum is voor Rudolf Otto de numineuze waarde bij uitstek. God is heilig en alles wat niet God is, is profaan, is onrein. Een eerste globaal overzicht van het religieuze gevoelsleven is hiermee gegeven, maar ik vind het niet voldoende en ga nu dieper op de verschillende gevoelens in.
RELIGIEUZE ANGST
Vanaf den beginne heeft de angst in het leven van de mens een zeer grote rol gespeeld. Door de eeuwen heen heeft dit spooksel hem begeleid tot op de huidige dag. Men kan waarlijk niet zeggen, dat de mens de angst overwonnen heeft. Misschien is de angst van\de mens in de 20ste eeuw quantitatief niet groter geworden, vergeleken met de angst van de primi tieve mens – zoiets is trouwens moeilijk na te gaan – maar zeker is, dat de angst nieuwe vormen heeft gekregen, dat hij qualitatief veranderd is, (92) dat het gehele angstkomplex gekompliceerder is geworden. De religieuze angst is zo nauw verweven met andere vormen van angst, dat het niet mogelijk is, deze andere vormen buiten bespreking te laten bij het onderzoek naar de aard en de funktie van de religieuze angst.
Kan de angst geheel en al overwonnen worden? Moet hij wel geheel over wonnen worden? Heeft hij naast zijn negatieve ook niet positieve aspek ten? Existentialisten menen, dat de angst een openbaring is van het Niets. Is dat zo of is misschien het Niets een produkt van de angst der existenti alisten? In het existentialisme komt de angst en de “Weltschmerz” van de moderne mens, die zich als een eenzame geworpen voelt in een zinlo ze Kosmos, tot uiting. Maar dat wat boven het zijnde uit gaat, wat men dus in deze speciale zin het Niet-Zijn zou kunnen noemen, het Transcen dente, is immers de volheid zelve en de enige bron van levensenergie en levensvreugde. De konfrontatie met dit Niet-Zijn brengt de mysticus extatische vreugde. Waarom brengt het de existentialist dan alleen maar angst?
In het tijdschrift Time uit het jaar 1961 vond ik de volgende droom van een Newyorks zakenman. Ik neem hem in zijn geheel over, omdat hij een sprekend beeld geeft van de onbewuste zielsangst van de moderne mens. De zakenman had sukses in zaken, was gelukkig getrouwd en had drie kinderen, die voorspoedig opgroeiden. Ogenschijnlijk mankeerde er dus niets aan. Hij was ook goed gezond. Hier volgt de droom:
“De automatische lift stopte met een schok. De deuren schoven open maar in plaats van de gewone uitgang, zag de enige passagier in de lift alleen een blinde muur. Zijn vingers drukten op knop pen. Er gebeurde niets. Tenslotte drukte hij op het alarmsignaal en een barse stem van beneden vroeg door de luidspreker: “Wat is er aan de hand? “De man legt uit, dat hij van de 25ste verdieping kwam en naar beneden wou en dat de lift plotseling stopte. “Er is geen 25ste verdieping in dit gebouw” kwam de stem d90r de luidspreker. De man zegt, dat dit nonsens is, dat hij er al jaren werkt en hij geeft zijn naam op. “Nooit van U ge hoord”, zei de luidspreker. “Rustig, rustig”, zegt de man tot zich zelf, “ze proberen je bang te maken”. Maar de tijd gaat voorbij en er verandert niets. In dit eindeloze moment zijn de afwisselend smekende en toornige woordenwisse lingen met de luidspreker het enige kontakt met de buitenwereld. Eindelijk houdt ook dit op. De stem beneden zegt, dat hij zijn tijd niet langer kan verscpiIlen. “Wacht! Alstublieft! “schreeuwt de man in paniek, “blijf tegen me praten! “. Maar de luidspreker wordt en blijft stom. Uren, dagen of eeuwen gaan voorbij. De man zit neergehurkt in een hoek van zijn stalen doos en staart naar het glinsterend metaal van het rooster van de luidspreker, waardoor eens een stem heeft geklonken. Dat rooster moet vereerd, moet aanbeden worden, denkt hij, misschien, dat de stem zich dan weer horen laat.”
Uit deze droom spreekt duideljk de grote eenzaamheid van de moderne mens en zijn wanhopige, maar vergeefse pogingen om met zijn medemens kontakt te maken. Zijn psychisch isolement is een bron van angst. De primitieve mens, die binnen zijn kleine gemeenschap leefde, zoals een ( 93) kind leeft binnen de beschermende nabijheid van zijn moeder, kende deze angst niet. Het is stellig niet de dreiging der atoombommen, die de mens het meeste kwelt. Het zijn veeleer diepe onlustgevoelens, die ont staan door de onbekwaamheid om nu en in dit heden een vervuld en be vredigend bestaan te leiden en de ondergang van de Christelijke droom van een vervulling in het hiernamaals. Bovendien wordt dan nog hevige angst geboren uit de geremde, verdrongen en daardoor misvormde aan driften, wier eventuele doorbraak een voortdurende bedreiging vormt. De moderne mens is niet meer bang voor demonen; hij is bang voor zich zelf, hij is bang voor de demonische krachten, die huizen in zijn eigen ziel. En wat baat hem daarbij zijn grote, bijna volmaakte technische be heersing der natuurkrachten, als deze beheersing zelve een nieuwe bron van angst vormt? Waarlijk, er is reden te over om de 20ste eeuw de eeuw van de angst te noemen.
Ik beperk me tot een bespreking van vijf verschillende soorten angst, die echter nauw samenhangen en elkaar steeds beïnvloeden, namelijk de bio logische angst, de neurotische angst, de autoriteitsangst, de sociale angst en de religieuze angst. De autoriteitsangst wordt beschreven bij het Oedi puscomplex, de sociale angst bij de psychologie van het geweten. Elk organisme is aangepast aan zijn milieu. Instinktief weert het organis me elke milieu-wijziging af. Een plotselinge milieu-verandering wekt steeds heftige angst- en afweerverschijnselen. Ook bij de mens is deze biologische oerangst steeds latent aanwezig en treedt onmiddellijk aan de dag, wan neer hij wordt gedwongen tot milieu-wijziging, wanneer hij wordt ge plaatst voor de noodzaak van vernieuwde aanpassing. Van nature zijn we geneigd ons daartegen te verzetten. We willen blijven in de toestand, waarin we nu eenmaal zijn, omdat we daar een zeker evenwicht bereikt hebben en dat geeft ons een gevoel van welbehagen en geborgenheid. Als ons bestaan zijn veilige, vertrouwde grondslag verliest, als we ons on geborgen voelen, dan verschijnt de angst. Dat gevoel van ongeborgen heid kan ontstaan door de uiterlijke situatie, maar onafhankelijk daarvan ook door een diepe, innerlijke, meestal onbewuste onzekerheid. Ge bracht in een nieuwe situatie, beginnen we dus altijd met innerlijk ver zet. Het is onze natuurlijke, biologische traagheid. Van nature is elk mens konservatief. Het overwinnen van dit konservatisme is een kwestie van vitaliteit en levensmoed. Oude mensen zijn dikwijls konservatiever dan jonge, omdat ze doorgaans minder vitaliteit bezitten. De verstoring van het evenwicht veroorzaakt dus wel angst, maar de vitaliteit overwint deze en voorkomt verstarring of regressie. De natuurlijke vitaliteit helpt het kind, helpt de mens heen over de onvermijdelijke evenwichtsversto ringen, die met alle groei gepaard gaan. We zijn allen van nature geneigd denkbeelden te verwerpen, die ons zouden dwingen onze gehele wereld beschouwing en levenshouding te herzien. Vanuit de grote angst voor een fundamentele herziening gelukt het ons niet alleen argumenten te vinden tegen de nieuwe denkbeelden, maar het gelukt ons ook feiten, die met onze wereldbeschouwing in strijd zijn, niet te zien. We beschikken allen over een groot vermogen de werkelijkheid precies zo te zien als we haat graag hebben willen. Daarom schuwen de meeste mensen het echte ge- . sprek, dat tot een konfrontatie met een andere wereldbeschouwing leidt, maar zijn ze vaak verzot op het debat. Een debat is een spitsvondi ge woordenstrijd, een intellektuèel steekspel, waarin agressiviteit de groot ste rol speelt. Op heel wat hoger plan staat de rationele diskussie, een kalme en zakelijke verifikatie en vergelijking van meningen en inzichten. (94)