(Het religieuze gevoelsleven vervolg3)
Een dergelijke diskussie is nog mogelijk zonder al te zeer te worden ge schokt. Maar ik betwijfel of een dergelijke diskussie over essentiële levensvragen mogelijk is. In de rationele diskussie gaat het om waarheden, die we veroverd hebben, maar in het gesprek, in de ontmoeting van levensovertuigingen, gaat het om waarheden, die ons veroverd hebben en die daardoor een deel van ons diepste wezen vormen. En twijfel, die daar in doordringt, raakt dan ook ons diepste wezen en kan ons naar een geestelijke krisis voeren. Alleen de moedige en gelovige mens durft dat aan. De waarlijk gelovige is ook steeds moedig. Blijkt in het gesprek overeen stemming van waarheden, dan zijn grote blijdschap, diepe geruststelling, nieuwe verzekerdheid en sterke verbondenheid het gevolg. Blijkt echter geen overeenstemming, maar botsen tegenstrijdige overtuigingen, dan is twijfel onvermijdelijk en die twijfel kan een krisisachtig karakter aan nemen. Laten we ons daardoor afschrikken, ontwijken we de konfrontatie dan dreigt geestelijke verstarring. De moedige mens is tot herziening steeds bereid. Verschrikking, twijfel, onrust, leed, weerhouden hem niet. Zo kan hij steeds boven zichzelf uitstijgen. Zonder heroïsme geen geestelijke groei; een menselijk leven is een moedig leven. De moedige mens verheft zich boven het biologische niveau en verwerft een specifiek menselijke grootheid en waardigheid. Maar de moedige mens is niet de natuurlijke mens. Juist daarom speelt de held in de mythe een zo grote rol. Hij word t daarin vaak als een halfgod vereerd. De heros is niet agressief, want hij kent geen angst. Hij heeft niet de ziekelijke behoefte om zich in gevaar te begeven; hij hunkert niet naar de strijd, zoals de agressieve mens dat doet. Hij zoekt het gevaar niet, maar hij ontloopt het evenmin, als hij het ontmoet op zijn levensweg. Hij is niet onverschillig voor zijn leven, zoals rovers en bandieten dat kunnen zijn, maar hij is bereid het te wagen, als dit onvermijdelijk is. De dapperheidsroes van de enkeling te midden der velen heeft met heldhaftigheid niets van doen. Te midden der velen is het vrij gemakkelijk om dapper te zijn. De held echter is ook moedig als hij alleen staat. Hij gaat zijn weg zonder d.e velen en als het niet anders kan tegen de velen. De verkondigers van nieuwe denkbeelden worden meestal gevreesd en gehaat. De dode en halfdode zielen, onlosmakelijk vastgegroeid in hun overtuigingen, schuwen deze rust- en evenwichtsverstoorders. Profeten worden gestenigd· of zij eindigen aan het kruis. Natuurlijk is elke ijveraar voor nieuwe ideeën nog geen held. Het ideaal kan zuiver en hoog zijn, maar achter de felle en fanatieke heftigheid, waarmee de agressieve mens er voor vecht, verbergt zich onmiskenbaar de haat al is deze dan als liefde voor de idee vermomd. Hartstochtelijke liefde voor een groot ideaal, behoefte om zijn ganse leven daarvoor in te zetten, maakt een mens niet agressief. De agressieve mens verbergt zijn angst en zijn haat achter zijn agressie; hij verraadt zich door het blijkbare genoegen, dat hij er in vindt, zijn tegenstander met felheid van wapens of woorden te lijf te gaan. Hij kent de zachte, alles verzoenende humor niet noch de milde vergevensgezindheid; hij is steeds meedogenloos en onverzoenlijk.
De biologische oerangst treedt het eerst op bij de geboorte. Charlotte Bühler noemt de eerste kreet van de mens een alarmkreet. De milieu-wijziging bij de geboorte is plotseling en ingrijpend. Het gedrag van de pasgeborene is een en al afweer. Heel langzaam gaat dan in de volgende m<landen de afweer over in een zich.naar de wereld toewenden. Maar bij elke pijn lijke ontmoeting met die wereld, verschijnt onmiddellijk weer de afweer (95) reaktie. Freud ziet in het geboorte-trauma de bron van alle angst. Men kan echter de angst niet uit één oorzaak verklaren, maar wel vormt het geboorte-trauma de eerste individuele klankbodem, de eerste individuele dispositie voor latere angsten. Jung wees op de aanwezigheid in de psy che van geërfde angstdisposities, die een boven-individuele klankbodem vormen. De angst voor overgangen zal de mens nooit meer geheel verlaten. De opvoeding heeft tot taak deze angst geen nieuw voedsel te geven door steeds te zorgen voor zeer geleidelijke overgangen en een aanpas sing zonder schokken. De opvoeders schieten ech ter heel dikwijls te kort en het gevolg is een blijvende verstarring in een angstige, krampachtige af weerhouding. De primitieven vrezen niets zozeer als juist de overgangen. Geboorte, puberteit, huwelijk en dood, dikwijls zelfs het in- en uitgaan van de woning zijn omgeven met ingewikkelde, magische afweerceremonieën. Een belangrijk deel van de religie en van de religieuze handelingen der primitieven bestaat uit dergelijke afweerceremonieën. Maar dat is stel lig niet alles en het is niet juist de religie in haar ontstaan alleen uit angst te willen verklaren en de religie der primitieven uitsluitend als een angst religie te zien.
De situatie van een kind in onze gemechaniseerde en gekompliceerde samenleving is moeilijk. Als een zuiver, instinktief natuurwezen komt het ter wereld en het moet zich nu in vrij korte tijd aan een gekultiveerde maatschappij en aan onze kultuurgewoonten aanpassen. Zonder ongeluk ken en zonder blijvende misvormingen kan dat heel goed gebeuren, al gebeurt het in werkelijkheid maar zelden. De opvoeder moet op de aller eerste plaats zorgen voor geleidelijke overgangen. Dwang en dressuur zijn volmaakt overbodig! Het machtige sociale instinkt, de diepe, onweerstaanbare aandrift tot imitatie der volwassenen brengen het kind geheel uit eigen aandrang ertoe zich in te spannen om zich de kultuur gewoonten der volwassenen eigen te maken. De opvoeder moet geduld hebben, veel geduld; hij mag niets forceren en moet leren wachten tot het kind er aan toe is. De opvoeder heeft niets anders te doen dan zelf het goede voorbeeld te geven. Dat zal hem nooit lukken, als de edele kultuurgewoonten, die hij voor het kind wenst, hemzelf niet tot vlees en bloed, tot een tweede natuur zijn geworden. Is dat echter wel zo, dan hoeft hij niet te dwingen en is het voldoende als hij laat blijken, hoezeer hij op deze gewoonten gesteld is. Zijn gedrag zal dan onopzettelijk en ongekunsteld zijn. Hoeveel frustraties, hoeveel kinderleed zou kunnen worden voorkomen, als we eindelijk eens leerden, vertrouwen te heb ben in de aangeboren sociale aandrift van de mens en als we ons konden bevrijden van de barbaarse opvatting, dat we met zonde beladen worden geboren.
Freud beschouwt de neurotische angst als een aktuele libido-storing. De angst ontstaat door de remming der handeling, beweert J aneL De gerem de aandrift zet zich onmiddellijk om in angst en agressiviteit. Kan de agressie zich niet uiten, dan wordt ook de agressie geremd en vormt daar door een nieuwe bron van angst. Opvallend is, dat de physieke verschijn selen van de angst, de zgn. psycho-somatische doorbraak, uitvoeriger en nauwkeuriger beschreven wordt in de romanliteratuur dan in de psycho logische werken. De verschijnselen zijn overigens algemeen beke:qd: het te berge rijzen der haren, kippevel krijgen, de verslapping van de sluit spieren van darm en blaas, het bleek worden, het angstzweet, de stokken de ademhaling, de onregelmatige, versnelde hartslag, verstijvingen, het (96) sidderen en klappertanden, vrijwel iedereen kent deze verschijnselen. Min der bekend is het feit, dat de angst zich altijd uit, maar niet altijd als zo danig wordt herkend. Wanneer er geen akute angstaanvallen zijn en ook geen min of meer permanente angsttoestanden, dan komt de angst toch te voorschijn in de vorm van lichamelijke ziekten, waarvan men dan de psychische oorzaak niet herkent of niet erkent. Dit zijn bepaalde vormen van astma, hart- en maagkwalen, eczemen, enz. Bij de traumatische neuro se is nooit alleen het schokkende incident de enige oorzaak.
Aan dit soort incidenten staat elk kind en elk mens bloot. Maar het inci dent als zodanig veroorzaakt nog geen angstneurose. De kracht van al of niet aanwezige disposities, die een steeds aanwezige klankbodem vormen speelt bij het ontstaan een belangrijke rol. De verdrongen, opgestuwde aandriften vormen een blijvende bron van angst. Door de centrale plaats, die de sexualiteit in ons driftleven inneem t, valt het accent uiteraard het sterkst op verdrongen sexuele wensen, maar zij zijn toch niet de enige oorzaak. Elke verdrongen aandrift zet zich om in angst.
Dikwijls wordt de begeerte tot bevrediging dan omgezet in angst voor de ze bevrediging, ja die omzetting is zelfs onvermijdelijk in een kultuur milieu, waarin vele begeerten met een streng Gij zult niet in botsing ko men, en lust en zonde identieke begrippen zijn geworden. De haat tegen het Epikurisme, kenmerkend voor Stoicijnen en Christenen, werd en wordt geboren uit de angst voor de lust. Naast deze lustangst met zijn onvermijdelijke gevoelens van zonde en schuld, moet men dan nog de angstlust onderscheiden. Dikwijls gaat er van de angst een merkwaardige aantrekkingskracht uit; de angst zelf schenkt lustgevoelens. Het sukses van de oorlogs- en griezelfilms en romans, van thrillers en spookgeschie denissen berust er op. De spanningstoestand waarin zenuwen en spieren worden gebracht verwekt intensieve lustgevoelens. De mechanisering van de arbeid, de verdwijning van de arbeidsvreugde, de onmacht tot spelen en de verveling, de monotonie, de grijsheid en uitzichtloosheid van het dagelijkse sleurleven doet in de moderne mens het verlangen naar deze soort lustvolle spanningstoestanden stijgen tot een onverzadigbare sensatiehonger.
De angst is een spooksel, dat men in de ogen moet zien en het verdwijnt. De primitieve maakt zijn maskers zo griezelig mogelijk. Hij veruitwendigt zijn angst en geeft die gestalte in het huiveringwekkende masker. Dat brengt hem verlichting. Soms zet hij het masker op en speelt zelf de ge vreesde, boze demon. Hij identificeert zich met het gevreesde en ook dat werkt bevrijdend. Op dezelfde wijze kan het sprookje werken. In het sprookje wordt het kind met zijn onbestemde angsten gekonfronteerd; zij nemen gestalte aan in de boze stiefmoeder, de heks, de wolf. Met de ze boze figuren loopt het altijd slecht af en dat moet ook, want daardoor wordt het kind voor een belangrijk deel van zijn angst bevrijd. En soms speelt het kind zelf voor boze wolf en probeert anderen bang te maken. Het doet dus net als de primitieve mens. Het is goed de kinderen de oude sprookjes te blijven vertellen. Men moet niet uit een verkeerd soort hu maniteit het wrede en vaak zelfs gruwelijke aspekt van die sprookjes weg laten. De kinderlijke fantasie schiet gelukkig te kort om zich dergelijke wreedheden reëel voor te stellen en dus kan het juichen over de onder gang van het Boze. Maar deze sprookjes moeten verteld worden; voor verfilming zijn ze stellig ongeschikt.
De gevoelshouding van de mens tegenover het Transcendente is een am- (97) bivalente. Rudolf Otto heeft deze ambivalentie aangeduid met de woorden tremen dum en fascinosum. Zij is zo algemeen, dat men haar in elke religie terug vindt. Het akcent valt soms op het tremendum, dan weer op het fascino sumo Tremendum betekent angst, bedreiging, ongeborgenheid, beklem ming; fascinosum betekent vreugde, geborgenheid, bevrijding. Zo sprak Luther over het tremendum:
” … want dat kan geen mens op aarde nalaten, wanneer hij echt aan God denkt, verschrikt hem het hart in zijn lijf en hij zou wel uit de wereld weg willen lopen. Ja, zodra hij God hoort noemen, wordt hij schuwen schuchter …”
Maar hoor hem nu over het fascinosum:
” … Christenen zijn een zalig volk, die zich van harte kunnen ver heugen en roemen, in de handen klappen, dansen en springen. Dat doet God genoegen en het doet onze harten goed, als wij op God trots zijn, pralen en vrolijk zijn. Zulk een geschenk moet immers louter vuur en licht in onze harten brengen, zodat wij nooit meer kunnen ophouden van vreugde te dansen en te springen. ”
Dansen, zingen en springen van vreugde … dat is nu niet juist het beeld, dat de traditionele Christenen ons bieden. Integendeel, in dit Christen dom valt het accent vrijwel uitsluitend op het tremendum, op zonde en schuld, op straf en bedreiging met eeuwige verdoemenis. 0 ja, ze zeggen ook wel, dat God een God van liefde en genade is, maar helaas leven de ze liefde en deze genade niet in hun hart. In de Joods-Christelijke traditie heet het tremendum Gods toorn en het fascinosum Gods liefde. Het Oude Testament spreekt over de toorn en de grimmigheid van J ahve. Het duurde heel wat eeuwen aleer deze toorn Gods werd toegeschreven aan Zijn verontwaardiging over de slechtheid der mensen. In een meer primitieve opvatting is God eenvoudig vertoornd zonder enige reden. Lactantius schrijft:
” … een God, die niet kan toornen, kan ook niet liefhebben. En een God, die beiden niet kan, zou immobilis zijn en niet de Deus vivus der Schrift.”
Ludwig Feuerbach noemt de angst de oerbron van alle vroomheid en Walter Schubart ziet in de oerhuiver voor het Ondoorgrondelijke de eer ste kiem der religieuze ervaring. Beiden zien de tegenpool van de religie over het hoofd. Maar niet ontkend kan worden, dat inderdaad de angst in de religie van de primitieve mens een overheersende rol speelt. Ont zetting greep de primitieve mens aan als hij kwam te staan tegenover het geheimzinnige, onbekende Het. We kennen en begrijpen zijn zielsangst; zijn maskers, zijn bezweringsformules. Zijn geestendansen spreken een duidelijke taal. We begrijpen, dat hij de onmiddellijke aanraking met het Ondoorgrondelijke schuwt. De zielstoestand van de moderne mens is niet zo heel veel anders. Angst? De mens van nu weet, wat dat is. Ook hij schuwt de konfrontatie met het Eeuwige. Bij de primitieven speel den de tussenpersonen tussen de gewone mensen en het Transcendente (98) een grote rol, de tovenaar, de medicijnman, de priester, de koning. Ook deze mensen nadert de primitieve met angst en beven. Zij zijn met “mana” geladen; zij stralen het Ondoorgrondelijke uit. Zij zijn de gezagsdra gers en alle gezag is in zijn oorsprong sacraal. De mens van nu, bevangen door een autoriteitsangst, die hij niet overwinnen kan, heeft deze zelfde eerbiedige beving in zijn ziel tegenover gezagsdragers. Op deze diepge wortelde eerbied voor het gezag steunt alle heerschappij van mensen over mensen. En dan treedt voor het eerst in de geschiedenis van de mens heid in Israël een figuur op, die dit gezag niet erkent. Dat is de Joodse profeet. Hij is geen medicijnman, geen tovenaar, geen priester, geen koning, geen officiële gezagsdrager en desniettemin omkleed met de stralenkrans van het Eeuwige. Hij boezemt angst en haat in. De heersers ha ten hem en dat is heel begrijpelijk, want hij ondermijnt hun heerschappij. Maar ook de beheersten haten hem, want hij verlangt van hen, wat ze niet kunnen en niet durven nl. vrijheid en zelfstandigheid en een persoon lijke relatie en konfrontatie met het Eeuwige zonder tussenpersoneIL Maar aan de profeet zal ik in een der volgende hoofdstukken uitvoerige aandacht besteden.
Alle angst is in diepste wezen angst voor de ondergang van het Ik. Dat geldt zowel voor het religieuze als voor het erotische leven. Ongeloof en onvermogen tot liefhebben gaan samen; voor beide is zelfvergetenheid nodig. In een wereld, waar een premie staat op Ik-handhaving en Ik doorzetting wordt het begrijpelijk, dat de mens de konfrontatie met het Transcendente tracht te ontlopen. Hij vlucht in de tijdelijke dingen van de dag, in het gewoel der menigte, in drukte en lawaai en in veel bezig heden, want de stem der eeuwige Stilte wil hij niet horen. Als hij zich, zijns ondanks, voelt aangegrepen door een ontzaglijke, bovenpersoonlijke kracht, als hij voelt, dat de machtige stroom van het Leven, van de lief de, van God hem dreigt mee te slepen, dan klempt hij zich wanhopig vast aan zijn dierbaar Ik. Door de identifikatie van het Ik met het Zijn, beleeft hij Ik-ondergang als wereld-ondergang. Bovendien hebben veel mensen nog een geocentrisch wereldbeeld of zo zij al niet geocentrisch denken, zij voelen geocentrisch. Daar hebben Kopernikus en Galileï niets aan veranderd. Maar de ondergang van de aarde en van al het leven op aarde betekent toch niet de ondergang van de Schepping? De Schepping kan niet ondergaan! De Schepping is God! De Schepping is oneindig veel meer dan aarde en mensheid. Vanuit een eeuwigheidsgezichtspunt en dat is het enig juiste gezichtspunt – is de aarde maar een nietig stofje, op welks oppervlak een paar milliard nietige wezentjes rond· krioelen. En de zon is een van de millioenen sterren van dê Melkweg en er zijn meer dan een millioen zulke Melkwegen! En al zullen we dat nooit weten, waarom zouden er op die verre nevels geen bewuste wezens zijn?
Het is goed en nodig voor de mens voor die visie niet te vluchten. Hij moet zich durven plaatsen tegenover de hoge, volstrekte ongenaakbaar heid Gods. Tegenover de grootheid en de majesteit Gods moet hij zijn eigen nietigheid ervaren. God speelt met duizend werelden; zij komen uit Zijn Hand in een eeuwige reidans. Soms valt er één; Hij laat hem lachend vallen! Voor één ondergegane wereld schept Hij lachend hon derd andere. Misschien heeft Hij ons en onze aarde wel laten vallen? De Christenen zeggen, dat God niet aflaat van het werk Zijner handen, maar het werk Zijner handen is zo onvoorstelbaar en onbegrijpelijk over vloedig, dat een klein korreltje leven – en wat is onze aarde meer? (99) er immers niet zoveel toe doet. Is dat beklemmend? Ongetwijfeld. Maar deze beklemming, deze angst behoeft niet te worden overwonnen. Hij moet beleefd en doorleefd worden. De mens is als gekruisigd op de on eindigheid van de ruimte en de eindeloosheid van de tijd, schrijft Henri Barbusse in zijn roman De Hel. Maar als we moed hebben en niet voor deze indrukwekkende, machtige Werkelijkheid vluchten, als we ons Ik als onbelangrijk ervaren en ons durven overgeven en toevertrouwen aan het Ondoorgrondelijke, zie dan zullen we ervaren, dat we niet gekruisigd worden, dat Gods majesteit ons niet verpletterd, maar juist bevrijd. Want wat betekenen onze kleine, dagelijkse zorgen en zorgjes tegenover deze Werkelijkheid? In dit eeuwigheidslicht gezien verschrompelen zelfs onze wereldhistorische problemen tot nietigheden. Komt dan toch mensen, laten we de ganse last van onze bekommernissen, die zo zwaar op onze schouders drukt, en ons oud maakt voor de tijd, van ons afwerpen! Laten we ons vol vertrouwen overgeven aan deze Oneindigheid. Laat ons onbe kommerd zijn! Doet niet zo gewichtig en ploetert en zwoegt niet zo hard en zo rusteloos. Geniet het materiële, maar veracht het Bezit. Speel met de dingen, die U vreugde geven, maar kleef er niet zo vies aan vast. Speel met het hele leven, maar speel ernstig en met overgave, zoals de kinderen doen. Leert spelen! Leert lacilen! Laat U vallen! God vangt U op in het leven of in de dood! Wat Hij doet is immers welgedaan? En waarom ge looft gij Christenen hem niet, waarnaar ge U noemt? Hij heeft U de leliën des velds en de vogelen des hemels ten voorbeeld gesteld. Waarom volgt ge dan het voorbeeld na der rusteloos zwoegende mieren?
Tussen de sterke Ik-betrokkenheid van de moderne mens en zijn blijkbaar onvermogen tot religieuze ervaringen bestaat een onmiddellijk verband. Want de religieuze ervaring is steeds een bedreiging voor het Ik en het Ik kan dan niets anders doen dan er zich tegen verzetten. Het Ik is thuis in de wereld van tijd en ruimte, in de wereld van het overzichtelijke en afge bakende. Het wenst geen tremendum, het wil niet overspoeld worden door de vloedgolf van het Transcendente, het wil zich handhaven, zelfs tot over de dood. Maar in grenssituaties kan de mens het Transcendente niet ontvluchten en dan verlamt hem de angst, de angst voor Ik-onder gang, de angst voor de dood, de angst voor het oordeel Gods, de angst voor de onbekende Afgrond van het Niets. De primitieve mensen kenden niet de doodsangst. De dood bestond eigenlijk niet voor ze; het niet-zijn, het niet-voortbestaan stond buiten hun voorstellingsvermogen. Ook voor een kind is dood zijn, niet niet-zijn, maar weg zijn, ergens anders zijn, op een plaats, waarvan men nooit terug komt. Maar toch was de primitieve mens vervuld van afgrijzen tegenover het Transcendente, maar zijn afgrij zen gold niet de dood, maar de gestorvenen, de numina, de demonen. Als dit afgrijzen wordt overwonnen, dan blijft toch de heilige huivering voor de Ondoorgrondelijkheid voor het mysterie van het Zijn. En deze heilige huivering mag niet verdwijnen. Het is de religieuze deemoed, die in de religie een onmisbaar element vormt. Het is goed, dat de mens de sub tiele broosheid, de vergankelijkheid, de beperktheid en onvolmaaktheid van zijn bestaan ondergaat. In het Christendom wordt deze deemoed echter tot een gevoel van volstrekte, menselijke nietigheid, tot een gevoel van onderdanige afhankelijkheid en numineuze onwaardigheid. De dee moed heeft echter ook zijn tegenpool en moet die hebben. Dat is de reli gieuze hoogmoed. In het traditionele Christendom is deze hoogmoed echter tot volstrekte ondeugd geworden. Onmiddellijk gaan de vingers der (100) Christenpredikers waarschuwend omhoog, wanneer zij deze hoogmoed, deze hybris ontwaren. Desondanks roept het Evangelie de mens op om volmaakt te zijn, zoals zijn Vader in de hemel volmaakt is. Maar is deze hoogmoed gerechtvaardigd? Waaruit komt zij voort? Angelus Silezius spreekt zich hierover onverbloemd uit:
“Hoe hoog ben ik in stand! Wat kan er hoger zijn? Want zonder mij acht God zich maar gering en klein.”
en ook aldus:
“Mens, blijf toch niet slechts mens, gij moet tot het hoogste ko men! Bij God worden alleen maar Goden aangenomen.”
De mens moge dan inderdaad maar een nietig stofje zijn, hij is toch deel geheel van het Universum en als deelgeheel vertegenwoordigt hij he l Ge heel. Silezius is zich daarvan bewust en daarop berust zijn hoogmoed, dit woord nu gebruikt in een zeer positieve zin als religieuze fierheid. Maar de mens is meer dan deelgeheel van het Universum. Want in en door hem heeft God een stem, door hem alleen. God is de Grote Moeder. Uit haar donkere, eeuwigbarende schoot stijgt de mens omhoog als een vuurpijl en als hij is opgebrand, dooft hij uit en keert tot Haar weder. Uit de duisternis van het Onbewuste is het licht van het bewustzijn geboren in de mens. Uit het Redeloze is het redevolle voortgekomen, uit de duister nis is het licht geboren. Maar er is geen eeuwig Licht. In de mens heeft de Grote Moeder haar schoonste gestalte aangenomen. Hij is haar uitver koren Zoon, Haar stem, Haar lofzanger, Haar rede, Haar licht. Hij alleen! En daaruit ontspruit de hoogste deugd, de goddelijke hoogmoed, de reli gieuze fierheid, waarvan Silezius getuigt. Hij is niets zonder Haar. Maar Zij is donker en zou eeuwig naamloos, eeuwig lichtloos zijn zonder hem, die Haar fakkeldrager is. Haar trotse Lucifer! Er is geen licht dan het menselijk licht! Er is geen rede, dan de menselijke rede, er is geen be wustzijn dan het menselijk bewustzijn. Beperkt, onvolmaakt, maar het enige! Licht, bewustzijn, rede zijn kortstondig. Maar juist daardoor zijn zij! De mens moet leren dankbaar te zijn voor zijn kortstondigheid, want daardoor is hij Gods glorie. Het Johannes-Evangelie begint met de woorden: In den aanvang was de Logos. De schrijver van dit Evangelie stond ongetwijfeld onder de invloed van Plato’s dwaze ideeënleer. Wanneer zal de mens zich nu eindelijk eens afkeren van Plato en het Platonisme? Wanneer zal hij nu eincelijk eens beseffen, dat ideeën, denken, bewustzijn, rede, geest alleen bestaan en bestaan kunnen in de mens? Wanneer zal hij ophouden zijn eigen geest te verabsoluteren en te projekteren in het Transcendente? Eerst wanneer hij daarmee op houdt, zal hij weten, wat religieuze fierheid is; hij zal weten, dat hij hoog van stand is en dat zal hem ervoor behoeden, dat zijn deemoed ontaardt in laffe angst en slaafse onderdanigheid. En om gewichtig doende, opge blazen gezagsdragers met hun klatergoudsymbolen zal hij lachen.
RELIGIEUZE OVERGAVE EN IK- BETROKKENHEID.
Het bewustzijn en het Ik zijn gezien vanuit de ontwikkeling van het le- (101) ven op aarde vrij jonge verschijnselen. Het Ik sluimert eerst als kiem in de Oerschoot van de Moeder; het is als een embryo opgevouwen in de baarmoeder. In de aanvangsstadiën van zijn ontwikkeling is het nog heel zwak; het is nog geheel en al omgeven door de Moeder. Eerst langzamer hand maakt het zich los. In het primitieve stadium zijn enkeling en groep het Ik en het Onbewuste, mens en wereld zo nauw nog met elkaar ver bonden, dat men van een echte identiteit spreken kan. Bewustzijn en Ik vallen niet geheel samen, ofschoon wij ons moeilijk een bewustzijn kun nen voorstellen, dat geen Ik-bewustzijn is. Toch is er reeds sprake van be wustzijn bij het kind, voordat het Ik zich daarin als centrum heeft ge vormd. Dit geschiedt omstreeks het derde levensjaar. De gespletenheid van de Westerse mens is geenszins oorspronkelijk. De tegenstelling tussen het bewustzijn en het Ik enerzijds en het Onbewuste anderzijds werd eerst in een veel later stadium tot een echte, pathologische gespletenheid. Die gespletenheid wordt tot vijandschap. In een en dezelfde ziel staan twee helften onverzoenlijk tegenover elkaar. En de mens in zijn ver· blinding meent, dat deze diepe vijandschap inhaerent is aan zijn wezen. Gehele wijsgerige systemen en theologieën zijn op deze noodlottige ver· gissing gebouwd. De vijandschap bereikt zijn toppunt in een asketische afweer van de aandriften, van het natuurlijke, van de sexualiteit, van de aarde, van het vrouwelijke. Ook Freud kon zich niet van deze visie op de mens bevrijden. Toch wist hij van het wegvallen van de grenzen tussen het Ik en het Es. Hij noemt dat het “Ozeanische Gefühl”. Hij ziet het als een regressie naar de toestand van de zuigeling. De behoefte aan reli gieuze geborgenheid, van zoveel betekenis voor de mens, wordt in de be schouwing van de Freudse psycho-analyse gereduceerd tot niets meer dan infantiele uterushunkering. Vele psychologen uit de school van Freud kunnen niet inzien, dat het grote probleem van de moderne mens juist is, dat hij zijn Ik niet kwijt kan en niet kwijt wil. Hij verliest het nooit en durft het niet verliezen. Zij zien niet, dat los worden van het Ik nood zakelijk is en dat er nog een andere weg is dan een terugval naar een in fantiele situatie. Tenslotte is de basis van alle neurose juist Ik-betrokken heid. De neurotikus is altijd maar met zichzelf bezig; hij draait onophou delijk rond rondom zijn eigen Ik en de probleempjes van zijn Ik, die hij niet vermag te zien in hun juiste, nietige afmetingen. En het is alleen de religie, die hem werkelijk daarvan kan genezen, hem van zijn Ik kan ver lossen. J ung noemde de religies terecht daarom heilsystemen, genezings systemen. De mens ervaart zijn grootste geluk in een situatie, waarin de ervaring van zijn afzonderlijkheid op het laagste punt is. En dat is in de religieuze en in de daarmee verwante erotische extase. Onvervulde be geerten dwingen ons terug op ons Ik en beklemtonen daardoor onze af zonderlijkheid. In de asketische levenshouding probeert de mens zich van zijn Ik te bevrijden door zijn begeerten te doden. Maar dat leidt on verbiddelijk tot een aksentuering van zijn gespletenheid, die hij op deze wijze slechts door de dood kan opheffen. De tegenovergestelde weg is echter de bevrediging van zijn begeerten, de dankbare en vreugdevolle aanvaarding van de lust, het inzicht, dat de begeerten uit God zijn. Wanneer de mens dit inzicht bereikt, dan weet hij, dat de begeerte iets anders is dan begerigheid, dat de begeerte meer is dan een gewone, na tuurlijke behoefte, dat er helemaal geen gewone, natuurlijke behoeften bestaan, dat het bevredigen van de begeerte een heilige handeling is, over gave aan het Leven, dienst aan God. In de bevrediging van zijn begeerten kan de mens zichzelf verliezen en zijn gespletenheid definitief overwin- (102)