Pantheïstisch Pleidooi

07/03/2009

Hoofdstuk 3 vervolg4

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 14:27

(Het religieuze gevoelsleven vervolg4)

nen. Zonder overgave van het Ik is geen ontplooiïng van de persoonlijkheid mogelijk. De ondergang van het ego-centrische Ik is noodzakelijk voor elke wedergehoorte. De weg, die leidt naar de volgroeide, volwassen per­ soonlijkheid heet Stirh und Werde. Die weg is identiek met de weg tot God. Zonder religie kan de mens niet volwassen worden; zonder religie is ook geen opvoeding tot volwassenheid mogelijk. De opleiding tot en de africhting voor een goed betaalde baan – en daarom draait ons onder­ wijs, ondanks alle mooie praatjes neeft met opvoeding niecs te maken. Ons onderwijs – Christelijk of openbaar – kweekt narcisme en individua­ lisme en versterkt de Ikkigheid, die een rem is voor alle religie en voor alle menswording. Zowel door religieuze ervaring als door wijsgerige be­ zinning kan de mens de relativiteit van het Ik ontdekken en kan hij het de juiste, uiterst bescheiden plaats geven. In de cellen van het lichaam is de ervaring van millioenen jaren van aanpassing aan het milieu opge­ hoopt door de natuurlijke, onbewuste zelfregulering van het organisme. Daardoor “weet” het organisme hoe het zich in en tegenover de wereld gedragen moet. Dit “weten” is de “wijsheid” van de Grote Moeder. Het Ik van de moderne mens zal moeten leren deze “wijsheid” te herkennen en te erkennen. Het moet zijn strijd tegen de begeerten opgeven, de strijd tegen de Grote Moeder staken, niet langer de alleenheerschappij willen handhaven. Het moet leren luisteren naar Haar geluidloze stem en zich met de Grote Moeder verzoenen, in plaats van haar te minachten, te ha­ ten en te vrezen. Het behoeft zich daarvoor niet volledig prijs te geven, het behoeft niet voorgoed opgelost te worden, integendeel juist uit het herstel van de harmonie tussen bewustzijn en het Onbewuste zal een nieuw Ik verrijzen, de eigenlijke Mens, de fiere Zoon van de Grote Moe­ der. Wanneer dit de mens van nu niet gelukken zal, dan vrees ik, dat hij zichzelf ten gronde zal richten.

In alle mensen leeft, hetzij bewust, hetzij geheel en al onbewust de diepe behoefte zich in God te verliezen, ja zich blindelings aan God over te geven. Het is de onuitblusbare hunkering zich te storten in het lokken­ de, onbekende, bodemloze Eeuwige. Het Ik mag zich te weer stellen, het mag niet willen luisteren, maar toch ondergaat de mens de roep van de Oermoeder en het Ik wil terug naar de veilige geborgenheid in de schoot van de Grote Moeder, waaruit het is ontstaan. Dat is ook zo, zelfs al heeft de mens vergeten, dat God Moeder is en al vereert hij zijn stren­ ge, barbaarse Vadergoden. De Grote Moeder laat zich niet het zwijgen opleggen; Zij vindt Haar wegen. Zij lokt ons; zij fascineert ons. Zij is het fascinosum. Wij zoeken Haar in het leven of in de dood. Doodsverlangen of uterushunkering, liefdesverlangen of moederverlangen of Eeuwigheids­ dorst, het is Haar betoverende, fascinerende, onweerstaanbare, geluidloze verlokking. Al deze gevoelens zijn in diepste wezen identiek. In de extatische overgave aan het Eeuwige gaat het Ik ten onder, om daar­ na vernieuwd en verheerlijkt weer omhoog te rijzen. Schubart wees er op, dat religieuze en erotische overgave hier parallel lopen. Ik zou willen zeg­ gen, dat ze identiek zijn. Ook het erotische leven heeft zijn tremendum en zijn fascinosum en in het liefdesverlangen zijn beklemming en bevrijding, pijn en zaligheid onontwarbaar vermengd. Het zal duidelijk zijn, dat het begrip liefde hier niet identiek is met sexualiteit, al is sexualitei t er de ba­ sis van. Wanneer het erotische leven tot alleen maar sexualiteit is ver­ schraald, kan er dan ook van ondergang en wedergeboorte in en door de liefde geen sprake zijn. Wanneer de gelovige mens het kontakt met het (103) Transcendente niet diep en sterk genoeg ondergaat, voelt hij zich onge­ lukkig. Dat onderscheidt en scheidt hem van de ongelovige, van de a­ religieuze mens. Deze leeft tevreden werkelijk tevreden? – binnen de grenzen van ruimte en tijd en voelt geen gemis. Hij zegt tenminste, dat hij geen gemis voelt. Mogelijk voelt hij wel gemis, maar beseft niet, wat hij mist en bewandelt dwaalwegen. Maar de gelovige kan zo niet leven. De wereld wordt hem zonder God te eng en te benauwd, te vaal, te glansloos. Hij voelt zich als een verdorstende in de woestijn.

“Het hijgend hert, der jacht ontkomen, kan niet zo hunkren naar de frisse waterstromen, als mijn ziele dorst naar God.”

Zo klinkt het in de bekende psalm. Het is opvallend, dat in de uitingen van vele mystici telkens weer dezelfde beelden optreden, de woestijn, de dorst, het levende water, de eeuwige bron, enz. Dat is stellig geen toe­ vaL Deze beelden worden spontaan geboren, omdat ze exakt de psychi­ sche toestand van de naar God verlangende gelovige weergeven. De gelo­ vige heeft heimwee naar het Volmaakte en het besef van eigen onvolko ­ menheid en ontoereikendheid kan hem benauwen. Het gescheiden zijn van God is voor de gelovige een smartelijke ervaring. En telkens opnieuw dringt zich de vraag aan mij op: “Hoe is het toch mogelijk, dat een psy­ chische toestand, waaronder de gelovige lijdt en die nauwel~iks dragelijk voor hem is, door de a-religieuze mens zo gemakkelijk wordt verdragen en zo zonder moeite wordt aanvaard? Of is dat slechts schijn? Of is het verklaarbaar door een soort afstomping, een soort verstening, waardoor de mens onvatbaar wordt voor specifieke, subtiele aandoeningen? Dan leeft de a-religieuze mens maar half. Hij heeft geen kontakt met de diepte in zijn eigen ziel, waar hij God zou k nen vinden, waar de bron zijns levens is. Maar wat verspert hem dan de weg? Angst, een angst, die hij niet vermag te overwinnen. Die angst brengt de ongelovige ertoe het Volmaakte te vereenzelvigen met het on­ mogelijke, het ideaal om te buigen naar zijn eigen benepen werkelijkheid. Levend in het stinkend moeras, dat hij de nuchtere werkelijkheid noemt, streeft hij zonder enige visie slechts naar het haalbare. Uit de onoverzien ­ bare massa der ongelovigen komen de politici voort, die de mensen leiden van het ene moeras naar het andere en tenslotte naar de ondergang. Maar de gelovige aanvaardt moedig de grote afstand tussen eigen onvolmaakt ­ heid en het Volmaakte; hij durft leven in deze geweldige spanning en hij weet, dat het nodig is naar het onmogelijke te streven om het mogelijke te bereiken.

Er zijn altijd mensen geweest, die de zinloosheid van een van God afgesne­ den leven diep hebben beseft en die daarom gezocht hebben naar de één­ wording met het Eeuwige. Dat waren en zijn de mystici. Mystiek is afge­ leid van het Griekse werkwoord muein, hetgeen de ogen sluiten betekent. De mysticus sluit de ogen voor de uitwendige werkelijkheid der zintuigen om te kunnen inkeren tot de inwendige werkelijkheid van zijn eigen ziel. Want daar is het, dat hij God zoekt en vindt. Zijn doel is het herstellen van de verloren gegane identiteit met God. Door alle eeuwen heen hebben de mystici gezocht naar deze volstrekte éénwording met het Eeuwige. De namen, waarmee zij het Eeuwige aanduidden zijn zeer verschillend, Brahma, Tao, Nirwana, God. Al moge de voorstellingsinhoud van deze woorden ook verschillend zijn, de beleving is bij allen gelijk. Allen getui­- (104) gen zij van een onuitsprekelijke zaligheid, die deze éénwording schenkt. Steeds weer zochten zij deze “unio mystica”. Maar zij bewandelden uit­ eenlopende wegen. Velen wendden zich in hun onstilbare dorst naar Eeuwigheid af van het aardse. Mystieke eenheidsbeleving en wereldverza­ king werd voor dezulken identiek. In de verlossingsreligies, in het Boed­ dhisme en in het Christendom, is de mysticus een askeet, iemand die de zinnelijke lust ontvlucht. Enkelen echter zochten God en de eenheid met God juist in de lust en bij deze wens ik mij hartstochtelijk aan te sluiten. De erotiek vooral moet weer de centrale plaats innemen in ons leven. De sexualiteit moet opgeheven worden uit de weerzinwekkende, vulgaire, ba­ nale sfeer van ego-centrische zinnenlust zonder meer in de sfeer van het Heilige, in de sfeer van de religie. Dan zal de mens in de lust, in de liefde de bevrijdende en vreugde en kracht schenkende nabijheid Gods ervaren. Het zal duidelijk zijn, dat deze ervaring heel iets anders is dan een ego­ centrisch opgaan in prettige, innerlijke sensaties. Hoe uiterst persoonlijk de innerlijke omgang met God ook moge zijn, men kan geen echte, leven­ de, bloedwarme religie hebben helemaal alleen. De gelovige ondervindt het als een diepe smart als zijn behoefte aan voortdurende beleving van Gods aanwezigheid hem scheidt van zijn medemensen. Maar als hij ge­ noodzaakt is te kiezen tussen God en de mensen, kiest hij God. Hij zou niet anders kunnen. Maar het is een bittere keuze, want religie betekent samen zijn, mede zijn, verbondenheid. 0 ja, er zijn de hoge bomen en de statige stromen, er zijn de zingende vogels en het ruisend riet, er zijn de drijvende wolken, de stralende zon, de blanke maan … maar de mensen, de mensen zijn mij immers het meest verwant. Maar ach, de mensen … ! En de liefde? In de liefde is het immers net zo als in de religie. Men kan toch niet heel alleen liefhebben!

Een mysticus is niet iemand, die de geheimzinnigheid zoekt, die door het geheimzinnige wordt aangetrokken als de mot door de kaars. Integendeel. De mysticus is de mens, aan wien het verborgene geopenbaard wordt, zo­ dat het leven doorzichtig wordt, het Heelal een glanzend kristal, waar hij dwars doorheen kan kijken. Hij doorziet de eeuwige, oneindige, veelvou­ dige samenhang der verschijnselen en zichzelve als een deel daarvan en juist daardoor kan hij deze samenhang beleven als een machtig, in diepste wezen onvatbaar wonder.

“Ik zag mij door een zangersrij omringen En stond te zingen zelve in dien kring.”

Zo zong in vervoering van Collem. Het leven is een doorzichtig raadsel. Mystiek heeft werkelijk niets te maken met mist. De mystieke beleving van het leven als een eeuwig wonder komt door en na het inzicht, niet er­ voor. Vóór het inzicht is er alleen maar mist. Wat kan men zien in een dikke mist? En welke mist is ondoorzichtiger als de onwetendheid? Er is daar niets om zich over te verwonderen. Voor de onwetende is alles ge­ woon. Maar er zijn velen onder deze onwetenden, die zich voelen aange­ trokken tot deze mist-iek, omdat ze behoefte hebben aan heel veel mist, die ze dan kunnen bevolken met de infantiele wensbeelden van hun phantasie. Daar waar het scherpe zoeklicht van het heldere denken nog niet is doorgedrongen, verdringen zij zich in dichte scharen. En als het heldere schijnsel der wetenschap ze opjaagt, dan vluchten ze naar nieuwe, duistere gebieden. Ze mogen zich troosten. Er zal altijd wel wat mist (105) voor ze overblijven, want het menselijk verstand is een beperkt vermogen en de wetenschap heeft haar grenzen.

Hoe vindt de mysticus het kontakt met het Eeuwige? Het Eeuwige laat zich niet dwingen. Kinderlijke en primitieve mensen proberen God te dwingen; ze denken theurgisch. Ze passen toverformules toe, uiten bezweringen, plegen rituele handelingen, zeggen urenlang mono­ tone gebeden op, geven zich over aan geestelijke oefeningen en in het Oos­ ten aan asketische zelfkwellingen. Van de Yoga-prak tijken hebben wij weinig te leren. Zij passen niet voor de Westerse mens. De Oosterling, die de versmelting van het Eeuwige bereiken wil, spant zich ontzaglijk in; tientallen jaren van zijn leven besteedt hij aan inspannende en uitputten­ de geestelijke oefeningen. In het Hindoeïsme vindt men de gedachte, dat een mens door volhardende askese machtiger kan worden dan de Goden. Hoe dwaas is dat! En wat wil de mens uit het Westen toch bereiken met deze zinneloze, transcendentale akrobatiek? Dat is niet onze weg. We kunnen God niet bereiken door een volhardende, nooit aflatende, bewuste inspanning van de wil. God laat zich niet dwingen. Men kan het geluk in het leven immers ook niet afdwingen. Het komt onverwachts tot ons als een geschenk. We kunnen het achterna lopen, maar halen het niet in. We moeten er geduldig voor open blijven. Misschien komt het dan, mis­ schien niet. Maar wie het naloopt, is altijd met zichzelf bezig en daardoor verwijdert hij zich van wat hij inhalen wil. Ik-betrokkenheid en geluk slui­ ten elkaar uit. In levende religie en in echte liefde is de Ik-betrokkenheid juist overwonnen. Hoe meer we ons inspannen, des te verder wijkt het Eeuwige van ons. De overmatige bewustzijnsspanning verwijdert ons juist van de donkere diepte van het Onbewuste. We moeten ons dus ontspan­ nen, opdat God vanuit deze diepte in ons opstijgen kan. Wel kunnen we ons voorbereiden om het Eeuwige te ontvangen. Maar deze voorbereiding is juist het tegendeel van hevige wilsspanning. Het is een streven naar in­ nerlijke zuiverheid, reinheid, openheid, stil zijn, luisteren, geduldig wachten in diep en gelovig vertrouwen. Het is een weten, dat geluk niet ligt in materiële dingen; dat alles waardeloos en zinloos is zonder de be­ leving van Gods aanwezigheid. En dan kan in ons vanzelf een ontvanke­ lijkheid ontstaan, waardoor het Eeuwige in ons bewustzijn doordringt, in ons uitstroomt en ons overstroomt. Dan zien we de werkelijkheid, ons zelf, onze medemensen, alle dingen in de fascinerende glans van het mysterie. Deze kostbare aandoening ontvangt de mens als een geschenk des hemels zonder enige verdienste. Het is, wat de Christenen genade noe­ men. Wien deze genade wordt geschonken, die put uit de Oerbron van alle kracht, die drinkt het levende water uit de eeuwig vloeiende Bron en hij wordt een instrument, waarop het Eeuwige speelt. Zijn ziel wordt een harp, waarop de Heilige Moeder speelt en die harmonisch meeklinkt in het kosmisch orkest.

Wie overstroomd wordt door deze levenschenkende genade en daarna weer opstijgt uit deze genadevolle diepten, innerlijk van licht doorstraald, waarmee de donkere Moeder hem heeft bekleed, glimlacht om de zorgen en angsten van zichzelve en van de kleine mensjes, die zo naarstig rond­ krioelen op de aarde. Te midden van het eindige en zelve eindig, voelen we ons één met het Eeuwige. We zijn geborgen in de schoot van onze Grote Moeder en liggen daar zoals een verzadigd kind in de schoot van zijn moeder in diepe zaligheid. Alle angst is dan overwonnen. Ofschoon de religieuze mens leven kan vanuit een blijvend gevoel van ver­- (106) bondenheid en eenheid met het Eeuwige, is de intensiteit van de beleving uiteraard niet altijd even sterk. De mysticus zoekt nu echter deze aan­ doening tot de grootst mogelijke intensiteit op te voeren. Hij komt dan in een extatische toestand. Die toestand kan hem echter ook onverwacht overvallen. Extase betekent buiten zichzelf zijn. De primitieve mens ge­ loofde, dat in deze toestand de ziel buiten het lichaam was en onmiddel­ lijk kontakt had met bovenzinnelijke machten. De antieke Grieken meen­ den, dat in de extatische toestand de Godheid in de mens was. Enthousias­ me wil zeggen van de God vervuld zijn. Nu is elke extase echter geen reli­ gieuze extase. Een emotie, ongeacht welke, kan in ons zo geweldig in in­ tensiteit en kracht toenemen, dat ons bewustzijn door de ontzaglijke ge­ voelsstroom tijdelijk wordt overstroomd. We kunnen zo woedend worden tot we één en al woede zijn. We beleven een woede-extase. Zo kan men stellig ook spreken van een angst-extase, een smart-extase, een pijn-exta ­ se. De religieuze extase is een vreugde-extase. Het kenmerkende van de extatische toestand is het verdwijnen van alle bewuste voorstellingen. De emotie-golf stijgt omhoog en bedelft het bewuste Ik. Onuitsprekelijk is het gevoel van gelukzaligheid en bevrijding, dat de mysticus ondervindt als hij in een dergelijke vreugde-roes verkeert. En in alle mensen leeft de­ zelfde onweerstaanbare drang om zich te verliezen in een vreugdevolle roes, een roes, waarin zijn Ik ondergaat, waarin zij zichzelf geheel en al vergeten en waaruit zij verjongd en verheerlijkt kunnen herrijzen. In de versmelting van het Ik met het Eeuwige verdwijnt het Ik. Maar dat is tijdelijk, want in een roes blijft men niet. De identiteit van het Ik en het Absolute kan nooit volstrekt zijn, want dan zou er niet alleen van voorstellingen maar zelfs van bewustzijn geen sprake zijn. De definitieve oplossing van het Ik in het Absolute is de blijvende uitblussing van alle bewustzijn.

De behoefte aan roes en Ik-vergetelheid laat zich niet uitroeien noch blijvend onderdrukken. De halflevende, a-religieuze mens, bij wie de roes maar zelden op natuurlijke, spontane wijze ontstaat, neemt dan zijn toe­ vlucht tot kunstmatige middelen. Want ook hij hunkert naar een toestand, waarin hij zichzelf en alles wat hem kwelt, vergeten kan. Religie en liefde brengen hem geen zelfvergetenheid, dus grijpt hij naar verdovende midde­ len. A-religieusiteit en het toenemend gebruik van drugs staan in onmid ­ dellijk verband met elkaar. Maar er is een groot verschil tussen de natuur ­lijke, echte roes en de roes door kunstmiddelen te voorschijn geroepen. De religieuze roes en de erotische roes werken nog lang na. De mens treedt er uit te voorschijn in een diepe, zalige stilte en door glans omstraald en alle dingen vertonen deze merkwaardige glans, die aan alles kleur en warm te verleent. De mystici en de verliefden weten het wel. En als de glans is verbleekt en bijna uitgewerkt, dan is het tijd voor een nieuwe roes. Zo zou het leven kunnen zijn. Maar niets v,m dit alles treedt op bij de kunstmatige roes. Middenin zijn roes voelt de mens zich dan wel een ogen­ blik gelukkig, maar daarna is alles nog veel valer, nog verschrikkelijker, nog walgelijker en zinlozer dan daarvoor. De arme mens heeft een kater. God en de genade Gods bereikt men niet met alkohol, marihuana of LSD. De religieuze mens leeft vanuit een diepe geloofszekerheid en een vol­ strekt Godsvertrouwen. Deze geloofszekerheid heeft in de beleving een volstrekt karakter. De geloofszekerheid is een mystieke ervaring, het is een vorm van intuïtief kennen, dat zich echter van andere intuïties on­ derscheidt juist door zijn volstrekte karakter. Wetenschappelijke zeker­ heden blijven altijd relatief. Op niet-religieuze intuïties en op verstande- ­ (107) lijke zekerheden kan en mag het Godsvertrouwen niet gebaseerd zijn.

Psychologen beweren, dat de gemiddelde Westerse mens geestelijk niet ouder wordt dan dertien jaar. Deze dertienjarige roept om zijn Vader en hij roept des te luider, des te minder hij gelooft, dat zijn Vader hem ho­ ren zal. In de tijden van het ontstaan van het Christendom verspreidde de jonge kerk de gedachte van een beschermende, zorgzame, liefdevolle, rechtvaardige en barmhartige Godvader in de hemel, die zich bekommer­ de om elk mens afzonderlijk en in Wiens handen ons lot lag. De gelovige Christen kan zich vol vertrouwen overgeven aan Gods beschikking. Hij voelt zich veilig in Gods hand. God zal hem behouden en hij verdraagt in gelovig vertrouwen het leed, want tenslotte zal God, de Vader, zonder Wiens wil geen musje van de daken valt, er voor zorgen, dat hem uiteinde­ lijk niets kwaads overkomen kan. De mens van de 20ste eeuw gelooft daar niet meer in, noch in een zaligheid in het]enseits. De Christelijk konfessionele zielszorg verliest hierdoor haar basis. Zij bestaat namelijk in het aanbrengen en versterken van een vertrouwende gelatenheid tegen­ over negatieve lotservaringen met een belofte van zaligheid in het Hier­ namaals. Het leed is dan een beproeving, die men geduldig doorstaan moet. De Christen heeft zelfs de neiging om alle leed op aarde vanuit die gezichtshoek te zien, ofschoon er toch heel wat zinloqs en nodeloos lijden is. Het Christelijk Godsvertrouwen heeft een onvolwassen, een infantiel karakter. De Christen vertrouwt op God, zoals een kind ver­ trouwt op zijn vader, zoals de massa-mens vertrouwt op de sterke leider. De geestelijk rijpe mens heeft geen behoefte meer aan een beschermen­ de Godvader. Hij weet, dat het Eeuwige onpersoonlijk is en dat het zich niet bekommert om de enkele mens. En hij kan deze gedachte heel goed verdragen. Maar welke betekenis kan Godsvertrouwen dan nog hebben?

De mens is opgenomen in het Totale Zijn. Hij is geen toevallig daarin ge­ worpen ding. Als deelgeheel vertegenwoordigt hij dit Geheel en is ermee verbonden op millioenenvoudige wijze. Dit geldt niet alleen voor de mens, het geldt voor alle zijnden. Elk zijnde is een kosmisch knooppunt. Als er een erwt van de tafel rolt, verandert de hele Kosmos. En elke verandering is volledig bepaald door de algemene samenhang. Er is geen toeval. Er is geen willekeur. Er is geen God, die willekeurig ingrijpt. Al wat gebeurd is, moest gebeuren. Elk mens doet op een bepaald moment, datgene’ wat hij in dat bepaalde ogenblik niet laten kan, hetzij kwaad, hetzij goed. Ieder, die met voldoende zelfkennis terugziet naar die momenten in zijn leven, waarop hij een beslissing heeft moeten nemen, zal tot het inzicht komen:

“Toen heb ik niet anders kunnen handelen, al was het verkeerd.”

Zo ligt het menselijk lot volstrekt vast. Dit determinisme betekent geen slappe passiviteit, noch fatalisme. De ge­ zonde, vitale mens handelt, besluit. Maar als we gedaan hebben, wat we kunnen en als we gehandeld hebben naar ons beste weten, dan kunnen we daarna de dingen rustig hun loop laten nemen, we kunnen Gods water over Gods akker laten stromen. Dit is een nieuw Zijnsvertrouwen; het is niet met determinisme in strijd, integendeel, het berust erop. En in dit Zijnsvertrouwen is geborgenheid. Geen mens kan weten, wat er in de toe­ komst gebeuren zal. De mens kan niet anders doen dan zich in vol ver­- (108) trouwen aan het leven overgeven, zich overgeven aan de toekomst, gedra­ gen door de diepe zekerheid, dat gebeuren zal, wat gebeuren moet, hetzij lijden, hetzij vreugde, hetzij opgang, hetzij ondergang. Ons leven is dus voor ons wel in vele opzichten onbepaalbaar, maar het is desniettemin in het geheel van het Zijn opgenomen, ingebed en bepaald. In het besef daar­ van ligt een troostvolle geborgenheid. Dit betekent geenszins, dat we al­ tijd gespaard zullen blijven, dat geen leed ons treffen kan, maar het bete­ kent, dat als het lijden ons overvalt dan was dit onontkoombaar, het was ons lot. Is het niet zeldzaam hoogmoedig te geloven, dat een eeuwige God speciaal voor ons aandacht zou hebben?

Wie Godsvertrouwen heeft in bovenstaande zin, kan onbekommerd zijn. Hij heeft de juiste innerlijke houding gevonden om zich geborgen te kun­ nen voelen. Hij durft te leven en voortgaan met dit leven ook in een be­ dreigde en weinig leetbare maatschappij. Hij kan ook geduldig zijn en zich onthouden van geforceerde wilsspanningen en gedragingen. Hij kan zich ontspannen en juist daardoor de verborgen krachten in hem hun kans ge­ ven. Er kan hem niets overkomen, wat niet al te voren vaststaat. Zo maakt hij zich geen zorgen voor de tijd. Hier ligt de basis en de mogelijkheid voor een geheel nieuwe zielszorg, die niet meer steunt op infantiele illu­ sies. De gelovige mens kan een bittere werkelijkheid in de samenleving en een ondoorzichtige toekomst aan. Hij blijft vrolijk verder dansen door het leven. Hij nadert daardoor de psychische situatie van het kind. En eerst de mens, die gegaan is door het diepe dal van lijden en bekommernis, van angst en twijfel, en opnieuw de groene weiden der zalige zorgeloos­ heid heeft bereikt, mag zich waarlijk volwassen noemen. Volwassen men­ sen in deze zin en kinderen staan vlak bij elkaar. En beideu zijn dicht bij God. Het kind weet dat niet. Deze wijze weet het.

RELIGIEUZE VERBONDENHEID.

Volgens Erich Fromm is het een kenmerk van volwassenheid, dat de mens I onzekerheid en ongeborgenheid kan verdragen. De volwassen mens zou dat niet nodig hebben om te kunnen leven. Nu is het inderdaad voor een kind van de grootste betekenis, dat het zich minstens bij één bepaald mens in volledig vertrouwen geborgen kan voelen. Maar is het een ken­ merk van onvolwassenheid als deze behoefte blijft bestaan? De mens is een sociaal wezen van nature. Dat betekent, dat het een essentiële be­ hoefte van hem is, zich opgenomen te voelen, zich ingeschakeld te voe­ len, zich geborgen te voelen, in een geheel, dat zijn persoon te boven gaat. Dat geheel kan zijn het paar en de groep, maar ook het ganse Universum. Levy Brühl heeft de verbondenheidsbeleving van de primitieve mens aangeduid met de woorden: participation mystique. De participation mystique van de primitieve is begrensd; men zou het een kosmisch loka­ le verbondenheid kunnen noemen; het is een bloed- en bodem religie, waarin de wet van de groep onbeperkt heerst d.w.z. volstrekte solidari­ teit naar binnen tegenover volstrekte vijandschap naar buiten, naar alles en allen, die niet behoren tot eigen bodem en eigen bloed. Deze natuur ­ lijke groepsmentaliteit is de basis van alle rassisme. Hoe duidelijk spreekt zij uit het Wien Neerlands bloed, van vreemde smetten vrij. Ofschoon elk mens de behoefte heeft zich opgenomen te voelen in het verband des ge­ heels, is maar voor weinigen helaas dit gevoel universeel. In de universele verbondenheidsbeleving zijn alle grenzen opgeheven, is de primitieve (109)

naar hoofdstuk 3 vervolg5

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress