Pantheïstisch Pleidooi

06/03/2009

Hoofdstuk 4

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 10:18

DE WEDERGEBOORTE VAN EROS

Eenheid van erotiek en religie. Wanneer men de godsdiensten met elkander vergelijkt, is het zeer góed mogelijk ze in te delen in twee groepen, nI. in godsdiensten, die de vita­ le waarden verwerpen en die de vitale waarden aanvaarden. Verwerping van vitale waarden wil natuurlijk niet zeggen, dat men niet aan zijn vitale behoeften voldoet, maar dat men deze niet als waarden erkent, of indien men ze erkent, ze toch als lagere waarden ziet. Ook het begrip aanvaar­ ding van vitale waarden kan misverstand wekken. In onze tijd wordt door velen de sexualiteit als natuurlijk en zedelijk goed gewaardeerd. De NVSH maakt sinds jaren propaganda voor wat men in deze vereniging beschouwt als gezonde opvattingen over het sexuele. Er is daarbij geen sprake van enig verband met religie. De overwinning van de Victoriaanse preutsheid en huichelarij is ongetwijfeld van grote betekenis geweest. Helaas heeft men er in deze organisatie geen notie van, dat van een werkelijke sanering van het sexuele leven geen sprake kan zijn, als het oeroude verband tussen erotiek en religie niet wordt hersteld.

Het Christendom in het Westen en het Boeddhisme in het Oosten beho ­ ren beide tot de eerste groep godsdiensten. Ondanks hun onderlinge ver­ schillen zijn ze daardoor wezenlijk aan elkaar verwant. Bij beide vinden we een eenzijdige vergoddelijking van het geestelijke en een zich afkeren van het lichaam en zijn aandriften. De oorsprong van deze levensvijandige mentaliteit ligt in India. Helleense wijsgeren als Pythagoras, Empedocles en Plato ondergingen de invloed van dit Oosterse denken en beïnvloedden op hun beurt weer Stoïcijnen en Christenen. De kerkvader Augustinus, wiens opvattingen eeuwenlang het karakter van het katholicisme hebben bepaald, verdeelt het Zijn in een civitas Dei, de stad Gods, en een civitas terrena, de aarde. Levend in de civitas terrena kan de mens niet anders dan streven naar de bevrediging van zijn zinnelijke behoeften. Maar er is aan de vleselijke lusten niets heiligs. De civitas terrena is van totaal andere aard dan de zuiver geestelijke civitas Dei. De priester, die als wereldver­ zaker afstand gedaan heeft van de begeerten, vormt een brug tussen civi­ tas terrena en civitas Dei en daardoor kan hij zijn taak verrichten ni. ervoor waken, dat de onsterfelijke ziel van de gewone mensen niet ver­ loren gaat. Maar de gewone mensen wordt het voldoen aan hun vitale behoeften toegestaan. De priester waakt over hun ziel, die vanuit God in hun lichaam is neergedaald, maar er overigens geen enkel verband mee heeft. In onze dagen heeft dit dualisme van lichaam en ziel geen enkel houvast meer in rede en wetenschap. De Christelijke psychologen redden zich uit de moeilijkheid door te beweren, dat de ziel van de godsdienst heel iets anders is dan de ziel, die zij bestuderen. Een dergelijke uitvlucht (118) is zo duidelijk een uitvlucht, dat een bestrijding van die bewering over­ bodig wordt. De afwijzing van aardse lusten en de vijandigheid tegen het lichaam groeit in sommige protestantse stromingen uit tot een echte haat. Luther noemde het lichaam de madenzak van de duivel. Die haat is overigens zeer begrijpelijk, want al zegt het spreekwoord ook, dat de geest gewillig is en het vlees zwak, in werkelijkheid is het vlees heel sterk en lijdt de arme strijder ertegen telkens weer de nederlaag.

T ot de tweede groep godsdiensten behoren deze, waarin de vitale waar­ den niet zondermeer als waarden worden aanvaard, maar als de hoogste waarden worden verheerlijkt. Het lichaam en zijn behoeften zijn daar opgeheven in de sfeer van het Transcendente. Erotiek en religie vallen volledig samen. In vrijwel alle natuurreligies is dit het geval. De scheiding tussen erotiek en religie is het grootste onheil, dat de mens is overkomen en hij kan niet genezen als die scheiding niet wordt opgeheven. De ver­ goddelijking van het lichaam en zijn begeerten moge vele Christenen met afgrijzen en ontzetting vervullen, wie zich rekenschap geeft van de desastreuze gevolgen van de Christelijke afkeer van het lichaam, die wordt juist met ontzetting vervuld door de ontgoddelijking van de sexua­ liteit en de ontluistering van het aardse leven, die er onontkoombaar uit gevolgd zijn. Christenen en Stoïcijnen hebben de volgelingen van de Griekse denker Epicurus, die de lust heilig noemde, fel gehaat. Nietsche wist, dat de mens een ziek dier is en dat een eenzijdig spiritua- . lisme, de haat tegen het lichaam, de angst voor de lust hem ziek hebben gemaakt. Soms bekroop hem een zo intense afkeer van deze zieke men­ sen, dat hij ze een vieze huidziekte van de aarde noemde. Het Christen­ dom heeft Eros gif te drinken gegeven, zo schrijft hij, hij is er wel niet aan gestorven, maar ontaardde tot een verachtelijke ondeugd. Scherper en juister kan het nauwelijks gezegd worden. Ook Sczesny schrijft: het Christendom heeft de mens los gemaakt van de natuur en daardoor van het grootse mysterie van Eros de aanstoot van de sexe gemaakt. En lang voor deze beiden beschouwde Jean Jacques Rousseau de mens als van nature goed, maar door het Christendom bedorven. En de psycho­ loog weet, dat het natuurvijandig spiritualisme, waarin het geslachtelijke tot zondige sexualiteit is gedegradeerd, noodzakelijk leiden moet tot een hele reeks van frustraties en perversies. Bij de adolescent van onze dagen slaan de sexuele neigingen bij teleurstelling heel gemakkelijk om in een levensvijandige, asketisch-religieuze levenshouding. Er kan op deze wijze een religie ontstaan, die in verdrongen sexualiteit zijn wortel heeft. Maar dat geeft niemand het recht tot de bewering, dat alle religie een product is van sexuele verdringing. Ongetwijfeld neemt veel wereldverzaking zijn oorsprong in angst voor de aandriften en vrees voor sexuele onmacht. In zulke gevallen hebben we niet te maken met echte wereldverzaking, maar met wereldontvluchting, waarvan de betrokkene zich dan niet be­ wust is. De Christelijke mysticus William Blake verachtte het traditionele Chris­ tendom en haatte de kerk. Bordelen zijn gebouwd uit de stenen van de godsdienst, zo schreef hij, zoals de gevangenissen uit de stenen van de wet. En een andere uitspraak van hem luidt:

“De rups kiest de mooiste bladeren om er haar eieren op te leggen; aldus legt de priester zijn vloek op onze mooiste vreugden.”

Het volgende gedicht spreekt eveneens duidelijke taal. (119)

The Garden of Love.

I went to the Garden of Love And saw what I never had seen; A Chapel was built in the midst, Where I used to play in the green.

And the gates of this Chapel we re shut, And “Thou shalt not” writ over the door, So I turned to the Garden of Love, That so many sweet flowers bore.

And I saw it was filled with graves, And tombstones where flowers should be; And priests in black gowns were walking their rounds, And binding with briars my joys and desires.

Blake had ook inzicht in de funeste gevolgen van de afwijzing der begeer­ ten.

“Onthoudzaamheid bedekt met zand Het vurig lijf en vlammend haar; Maar voldaan verlangen plant Schone levensvruchten daar … “

Van Jezus zegt hij, dat hij niet handelde op grond van wetten en voor­ schriften, maar op grond van zijn aandriften. Jezus had dus louter goede aandriften. In de Christelijke wereldbeschouwing zijn de aandriften echter zonder meer identiek met het boze. De onhoudbaarheid van die opvatting heb ik reeds besproken. Maar het is nodig steeds weer opnieuw te herhalen, dat onze gehele persoonlijkheid zijn basis heeft in het lichaam en zijn aan­ driften en zich daar nooit van losmaken kan. Voedsel opnemen en afval­ stoffen uitscheiden is oerphenomeen van het organisme. Eerst later in de biologische ontwikkeling, nadat de differentiatie der cellen in mannelijke en vrouwelijke is ontstaan, gaat de sexualiteit een rol spelen. Zo kunnen de asketen, de levensontvluchters zich nog wel in het leven houden bij sexuele onthouding, maar voedsel moeten zij toch tot zich nemen. Ik heb bewondering noch sympathie voor de Indische Yogi, die het zover ge­ bracht heeft in het terug brengen van die voedselopname tot een mini­ mum. Hoe in-droevig is het schouwspel van de mens in zijn zinloze wor­ steling tegen zijn aandriften, hoe jammerlijk is zijn onvermogen om lichaam en ziel met elkaar in harmonie te brengen en zijn zielige on­ macht om te genieten zonder schuldgevoelens. Hoe gaarne zou ik hem genezen van zijn blindheid voor het onmiskenbare feit, dat zijn lichaam de basis en de krachtbron van zijn geest is. Uit de Oeroceaan des levens stijgen onze aandriften op, uit die onuitputtelijke bron van Energie, die de grond van alle bestaan, die God is. Daarom zijn onze aandriften god­ delijk en is de lust heilig. Wanneer toch zullen de mensen zich met ver­ achting afkeren van die pharizeeërs, diè het leven willen veranderen van een snoer van zoete vreugden in een keten van zure plichten en die sma­delijk over hedonisme spreken? Het is de bevrediging van onze begeer­ ten, die leidt tot een intense beleving van de zijnsvolheid. Zijnsvolheid is vollevendheid, een verzadigd zalig zijn. En dan zijn we in de hoogste (120) sferen van de religie. Religieuze overgave wortelt in de instinkten, zegt Charlotte Bühler terecht. En hoe nauw deze religieuze overgave verwant is met de erotische, heeft Schubart duidelijk gemaakt. God heeft mij de Eeuwigheid doen smaken aan de borsten van Maria Lecina, dichtte Were­ meus Buning. De naaktheid van de vrouw is het werk Gods, zegt Blake. Uit en door de aandriften komt God tot ons; ze voeren ons mee naar de warmte van het andere lichaam, dat we terecht zoeken. Er zijn mensen, die in het orgasme een intense, maar kortstondige versmelting met het Eeuwige beleven, zelfs al zijn ze zich niet bewust van het religieuze ka­ rakter van hun ervaring. Het orgasme, als het tenminste meer is dan een sexuele ontlading, en het kan en behoort heel wat meer te zijn, is een echte unio mystica, een kortstondige terugkeer tot de zalige ongeschei­ denheid. De erotische ervaringen bergen dus diepe, mystieke krachten in zich, waardoor de mens de volledige identiteit beleven kan van het sexuele, het kosmisch-vitale en het goddelijke. Want deze drie zijn in werkelijkheid één. De Amerikaanse psycholoog Norman Brown heeft een poging gedaan dit inzicht te doen doorbreken; hij kwam tot een syn­ these van psycho-analyse en mystiek.

Elk moment van extatische vreugde en van diep lichamelijk genot kan be­ leefd worden als een symbool van de eenheid van God en mens. De diepe voldaanheid na een heerlijke maaltijd, de zalige rust na bevredigend lief­ desspel, zijn onmiddellijk verwant aan mystieke belevingen; eenzelfde soort stralende vreugde treedt er bij op. Deze vreugde vindt zijn diepste oorzaak in zelfvergetenheid, zoals die ook optreedt bij grote spontane koncentratie. We zijn eindelijk verlost van ons Ik. Leven betekent ergens helemaal in opgaan, zich ergens helemaal in verliezen. Onvermogen daar­ toe betekent geketend zijn aan zijn Ik, een dood in het leven. In de lief­ deservaring, zowel als in de religie kan een bepaald objekt ervaren worden als het gehele universum. Jij bent voor mij de gehele wereld, zegt de ver­ liefde. Natuurlijk is de geliefde fragment van de Kosmos en niet de gehele Kosmos, maar als fragment is de geliefde toch deelgeheel van het Univer­ sum en vertegenwoordigt hij of zij het Totale Zijn. Daarom is de vergod­ delijking van de geliefde volstrekt niet ten omechte. Vergoddelijking en adoratie van de geliefde zijn onafscheidelijk. Het Christendom heeft die vergoddelijking van de mens onmogelijk gemaakt. En hoe arm en schraal en onbevredigend is liefde zonder deze adoratie.

Om zich van zijn Ik te bevrijden zou de mens zich hals over kop in de Dionysische dronkenschap, midden in de kokende kolk der aandriften moeten storten. Hij zal daarbij onvermijdelijk het gevoel krijgen, dat dit zijn ondergang is en voor de vergroeide Westerse mens is die kans inder­ daad heel groot. Maar het kan ook zijn redding en zijn opgang zijn! De Paradijshunkering kan men in de diepte van ’s mensen ziel niet uit­ roeien. De volledige overwinning van het lustprincipe, de heiliging van de lust, de vergoddelijking van de homo ludens, de terugkeer naar het Paradijs lijkt de mens van nu volstrekt onmogelijk. Maar is het werke ­ lijk onmogelijk? De Cherub met het vlammend zwaard bewaakt de toe­ gang tot het Paradijs.

Kom, oude Adam, keer u om, strijd met hem. Gij kunt hem overwinnen! Want wanneer het de mens van nu niet gelukt geest en instinkt met el­ kander te verzoenen, dan is zijn ondergang zeker. (121)

VADER- OF MOEDERREUGIE?

Feindlich ist des Mannes Streben, Mit zermalmender Gewalt Geht der Wilde durch das Leben, Ohne Rast und Aufenthalt.

Fr. von Schiller.

De gedachte, dat onze samenleving in een doodlopend slop geraakt is, dat onze kultuur in een toestand van ontbinding verkeert, begint lang­ zamerhand een gemeenplaats te worden, al is ze daarom niet minder waar. Veel minder bekend en nog veel minder aanvaard is de opvatting, dat on­ ze kultuur dreigt ten gronde te gaan aan eenzijdige mannelijkheid. Toch is dit eenzijdig-mannelijk karakter onmiskenbaar. Uiteraard is het vrouwe­ lijk element wel aanwezig, maar het speelt slechts een sekundaire rol. Niet alleen op sociaal-politiek en op ekonomisch terrein, maar op alle gebieden van het geestelijk leven heerst de man, overheerst de geest des mans, gel­ den de typisch mannelijke normen en waarderingen en de typisch manne­ lijke doeleinden. De geest van de man heerst in de wetenschap en in de wijsbegeerte; hij beheerst het recht, de ethiek en de opvoeding en drukt zelfs zijn stempel op het zo bij uitstek vrouwelijke terrein der religie. Maar deze mannelijke kultuur neigt naar haar ondergang en redding en opgang zijn slechts mogelijk, als we ons van dit eenzijdig mannelijk ka­ rakter bewust worden en het vrouwelijke element weer de plaats kan in­ nemen, die het in overoude tijden heeft bezeten, waardoor de natuurlijke bi-polariteit tussen de mannelijke en de vrouwelijke invloeden kan wor­ den hersteld. Onze autoritair-mannelijke samenleving is ontstaan uit de kultuurtradities van streng-patriarchale volken. Bij de Germanen was de vrouw niet veel meer dan het bezit van de man; zij behoorde als het ware tot zijn veestapel. De Germaan kon zowel zijn vrouw als zijn kinderen ver­ dobbelen. Het koophuwelijk was algemeen gebruikelijk bij de Germanen. De man gaf de vrouw een ring, wel niet om haar hals. zoals bij de slaven, maar dan toch om haar vinger. De betekenis was echter dezelfde, nl. on­ derwerping. In sommige streken moet het thans nog gebruikelijk zijn, dat de man bij de huwelijksinzegening de ring op de grond werpt; de vrouw moet zich dan bukken om hem op te rapen. Betrapte een Germaan zijn vrouw op echtbreuk, dan had hij het recht haar alle kleren van het lijf te rukken, haar naakt naar de markt te sleuren en haar daar in het openbaar af te ranselen.

Zo mogelijk nog barbaarser is de Joodse traditie. Alleen de vrouw, die zonen baarde, was bij de antieke Israëlieten in tel. Onvruchtbaarheid was een geldige reden tot echtscheiding. Polygamie was voor de man van ­ zelfsprekend; de overspelige vrouw echter werd in het openbaar geste­ nigd.

In het algemeen was de positie van de vrouw bij patriarchale landbouw­ volken minder slecht dan bij volken met sterke veenomadische tradities, als b.v. de Joden. Bij de landbouwers is de vrouw dikwijls de gelijke van de man, altans binnenshuis. Zij heeft een belangrijke taak als bedrijfs-­ (122) leidster en is als zodanig voor de man onmisbaar. Zo kende de Romeinse huwelijkswetgeving echtscheiding op verlangen van de vrouwen nam de Romeinse matrone een geachte positie in, hoewel ze hoegenaamd geen rol speelde in het openbare leven. Bij de opvoeding der jongens werden vrouwelijke invloeden zeer opzettelijk geweerd en bewust gaf men de jongens een streng-despotische opleiding om ze geschikt te maken voor het beroep van soldaat.

Ondanks het onmiskenbare hoge peil der antiek-Helleense beschaving, was ook bij de Hellenen de positie van de vrouw uitgesproken slecht. Voor de antieke Griek was het huwelijk een plicht tegenover de staat. De gehuwde vrouwen ook de ongehuwde leidde een geheel teruggetrokken leven in de woning; kwam er bezoek, dan moest ze zich verwijderen. Geringschatting voelden de Grieken voor hun Egyptische tijdgenoten, die zich volgens hen door hun vrouwen lieten regeren. De liefde zocht de Griek bij de knapen; het geestelijk verkeer bij enkele uitzonderlijke vrouwenfiguren, de hetaeren. Al de genoemde tradities tesamen hebben onze kultuur gevormd. Het is mogelijk alle kultuurvernietigende tenden­ ties in onze maatschappij samen te vatten in dit éne grote gebrek: eenzijdige mannelijkheid.

De kulturen en religies, die een typisch mannelijk karakter dragen, zijn van betrekkelijk jonge datum. De patriarchale periode is hoogstens 6000 jaar oud. Daarvoor moeten de mensen vele tienduizenden jaren lang ge­ leefd hebben onder verhoudingen, waar het vrouwelijk element de plaats innam, die het toekwam en vanzelfsprekend heeft deze prae-patriarchale periode zijn sporen nagelaten tot in onze tijd. Het is mogelijk de gehele patriarchale periode op te vatten als een onbetekend tussenspel tussen het oermatriarchaat en een periode, die nog komen moet en die ik met het woord neo-matriarchaat zou kunnen aanduiden.Het woord onbete­ kenend heeft hier uiteraard alleen betrekking op de tijdsduur. De naam matriarchaat is zeer misleidend. Wel wordt het patriarchaat steeds geken­ merkt door onderdrukking van het vrouwelijk geslacht, hetzij in zeer milde, hetzij in zeer strenge en harde vormen. Maar omgekeerd was van een onderdrukking van het mannelijk geslacht in de matriarchale perio­ de slechts sprake in zeer zeldzame gevallen.

In het centrum der matriarchale religies stond niet de mannelijke Vader­ God, maar de moederlijke Liefde-Godin. Op vele plaatsen der aarde zijn beeldjes gevonden van moedergodinnen. En het is zeer opvallend dat beeldjes en afbeeldingen van mannen zeer zelden voorkomen. Er zijn vrouwenbeeldjes, die stammen uit het Aurignacien, een palaeolitische periode ongeveer 60.000 jaar geleden. Talrijk zijn de vondsten uit het neolithicum. Men vond de zgn. Venus-statuetten in de bekkens van Don en Dnjepperj bekend is de zwaarlijvige Venus van Willendorf in Oosten­ rijk; verder werden de vrouwenbeeldjes opgegraven bij Monhenjo-Darro in de Indus-vallei, bij Almeria in Spanje, uit de megalithische kulturen in Frankrijk en Engeland; in Kanaän, op Cyprus, in Syrie, Klein-Azië en Mesopotamië. Ook in de eerste eeuwen van de historische tijd speelden de moedergodinnen de hoofdrol in de religie. Men vereerde haar in Beloetjistan, op Kreta, in Mycene, in Egypte, Syrie, Iran en Zuid-Europa. Zo viel dus in de oudste tijden alle aandacht op de scheppende funktie van de vrouw. De eerste mensen zagen geen verband tussen paring en ba­ ring, maar geloofden in de spontane voortbrengingskracht van de vrouw. (123)

De moedergodin komt zowel voor als slank meisje als als korpulente (zwangere) vrouw, aldus twee aspekten van het vrouwelijke vertonend. De oudste Helleense goden zijn moederlijke aardgoden. Het is zeer waar­ schijnlijk, dat de moederreligies algemeen zijn geweest. Zo diep is de behoefte aan verering van het vrouwelijke in de psyche geworteld, dat het de mannen nooit gelukt is, haar geheel uit te roeien. De funeste ge­ volgen van de ondergang der vrouwenverering, van de miskenning van de waarde van het vrouwelijk element, speciaal in de religie, treden het duidelijkst aan het licht bij die godsdiensten, die bijna uitsluitend man­ nelijk georiënteerd zijn. Voor het Oosten denk ik hierbij aan de Veda’s, die een ware poel van vrouwenverachting vormen. Voor onze kultuur­ wereld denk ik aan het bij uitstek patriarchale Jodendom, dat vrouwen nadrukkelijk van alle priesterschap uitsloot en aan het op dat typisch mannelijke, Oudtestamentische Jodendom steunende Kalvinisme. Of­ schoon de religie naar haar diepste wezen al heel weinig geschikt is voor eenzijdige mannelijkheid, slaagde men er toch in de godsdienst te ver­ mannelijken en de religieuze gemeenschappen om te vormen tot de ge­ mechaniseerde, burokratische instituten, de kerken. Onder invloed van Jezus en zijn leer speelden de vrouwen een belangrijke rol in de Christe­ lijke oergemeenten. Paulus, Oudtestamentische Jood, die hij ondanks zijn bekering bleef, wist ze echter weer tot onderwerping te brengen.

In de alleroudste moederreligies heeft de Moedergodin nog een ambiva­ lent karakter. Zij is tegelijk symbool van het scheppende èn van het ver­ nietigende leven. In latere tijden wordt de duistere zijde van de lichte gescheiden en verschijnt de troostrijke, milde, lieflijke moedergodin als symbool van de levenschenkende, vredegevende vereniging. Haar zachte heerschappij kent geen geweld en onderdrukking, geen straf en dreiging. Zij is de dienende en de geduldige; zij is een en al ontvankelijkheid, diep­ te en intimiteit. Vol affektieve tederheid is zij een toevlucht voor de angstigen, de verlatenen en de zwakken. Tegelijk is zij symbool van de zinnelijke extase, moeder en minnares te samen. Maar zij is verdwenen en de strenge Vadergoden hebben haar plaats ingenomen tot onheil en rampspoed der mensen. De Vadergoden zijn dreigende wettenmakers, onverzoenlijke, toornig-fronsende handhavers van vele geboden en ver­ boden, die de zoete levensvreugden breidelen. Zij zijn felle bliksemslinge­ raars en donderaars, wel rechtvaardige, maar toch harde wereldrechters met afgrijselijk alziend oog lettend op onze geringste afwijkingen. De Vadergod is de grote wetgever, tevens het ordenend verstand en de over­ winnaar van de Chaos. Hij is de onwankelbare rechtvaardige, maar hij is veraf en nauwelijks bereikbaar.

In het Kalvinisme heeft deze Vadergod volledig gezegevierd. Wat er in het­ katholicisme nog restte aan warme zinnelijkheid, aan vreugde in de schoon­ heid van vorm en kleur, aan lieflijk-tedere Maria-verering, is hier verdwe­ nen. Onmeedogend heerst hier het oordeel Gods, onophoudelijk dreigend met eeuwige verdoemenis. Inderdaad kent het Christendom naast de zonde de genade, maar in het Kalvinisme valt alle accent op de zonde. Het is streng, hard, puriteins en autoritair, alle typisch mannelijke kenmerken. Het is Oudtestamentisch wraakgierig en zeer gewelddadig met de typisch hyper-mannelijke geringschatting voor zachtheid en vergeving. Het haat alle levensvreugde, veroordeelt alle zinnenlust en veracht alle vormen­ schoonheid in zijn typisch mannelijk abstrakt intellektualisme. Minach­ ting voor het aardse is kenmerkend voor het Christendom in zijn geheel, maar in de Romaanse landen, in Italië en Frankrijk en zelfs in Spanje (124) heeft de Katholieke Kerk zich min of meer moeten aanpassen aan de levenminnende mentaliteit der bevolking. In Nederland echter is zelfs het Katholicisme besmet met de levensvijandige geestesgesteldheid der kalvinisten.

Ach, welk een droevig milieu voor een echte, warmbloedige, vitale vrouw. Hoe wordt haar wezen hier uiteengereten; zij moet haar heerlijkste vrouwelijke gaven en vermogens verbergen, alsof zij iets schandelijks wa­ ren; zij stort in een onpeilbare afgrond van minderwaardigheidsgevoel. Hoezeer moet zij lijden. En als zij op middelbare leeftijd gekomen, ver­ worden is tot een verhard, cynisch, ruw-luidruchtig wezen, dan wordt zij als feeks veracht en gehoond. Maar achter de lawaaiïge, hardvochtige brutaliteit van alle feeksen verbergt zich in de diepte hunner verloren zielen de onmetelijke smart om haar verschrompeld, verhongerd en ver­ minkt vrouwelijk gemoed. En de Kerk verbrandde de heksen, die zij­ zelve had gebaard.

De omverwerping van de matriarchale, oerkommunistische gentid-orga­ nisatie heeft Friedrich Engels de wereldhistorische nederlaag van het vrouwelijk geslacht genoemd. Maar de nederlaag van de vrouw was de nederlaag van de mens. En zijn wederopstanding is slechts mogelijk door de bevrijding en de wederopstanding van de vrouw. Want de overwinning van de man betekende de verstoring van de natuurlijke bi-polariteit tus­ sen man en vrouw, zoals die in het matriarchaat bestond en van een werkelijke integratie, van een overwinning van onze innerlijke gespleten­ heid kan geen sprake zijn. wanneer deze bi-polariteit niet volledig wordt hersteld. Als de man heeft overwonnen verwijdert de mens zich steeds meer van de diepe, onbewuste oergrond van het bestaan. lIet onbewuste wordt voor het bewustzijn iets angstwekkends, een voortdurende bedrei­ ging van het mannelijk streven naar handhaving en uitbreiding en be­ stendiging van het Ik. Het Onbewuste is identiek met het vrouwelijke; de mannelijke tendens zich ertegen te verzetten, leidt daardoor vanzelf tot onderdrukking van het vrouwelijke. Degradatie van het vrouwelijke is kenmerkend voor de patriarchale religies. Het bewustzijn heeft ook bij de vrouw een mannelijk karakter, zoals het Onbewuste bij de man een vrouwelijk karakter heeft. De vrouw verwijlt bij de centrale levensbron, zegt Schubart, terwijl de man jaagt langs de grenzen van het menselijk bestaan. Zeker heeft Schubart gelijk, maar droevig is, dat de meeste vrouwen dit niet bewust weten, laat staan waarderen. Beseft de moder­ ne vrouw, dat zij het oorspronkelijke is en de man het uit haar ontstane? Ook zij is afgesneden van het Onbewuste; dat betekent afgesneden van haar eigen diepste wezen en juist daardoor is zij er veel erger aan toe dan de man.

De mannenmaatschappij eist een voortdurende, klaar-bewuste instelling op het materiële, het koel-verstandelijke, het nuchter-zakelijke. Het ge­ volg is verdringing van het donkere, schemerige Onbewuste en overschat­ ting van verstand, kennis, bewustzijn. Vanuit dit hyper-mannelijk stand­ punt heeft men geen oog voor de positieve en kreatieve krachten van het Onbewuste, dat men niet anders dan als uitsluitend destruktief vermag te zien. De ambivalente gevoelsverhouding tussen de mens en het Eeuwige keert nu terug in de verhouding van de man tot de vrouw, enerzijds hun­ kering naar overgave, anderzijds angst voor deze overgave, angst voor de liefde, angst voor de val in het Onbewuste, voor de vernietiging van het Ik. Vanuit deze mentaliteit komt het tot degradering van de liefde tot voort­ (125) plantingsdrift of tot alleen maar sexualiteit. Sexualiteit is nog geen liefde. De sexualiteit is de wortel, maar de liefde is de bloem. Zonder wortel kan geen bloem bloeien, zonder sexualiteit geen liefde bestaan. En wie de bloem afknipt, houdt alleen de wortel over. Dan is er geen verliefdheid meer, maar alleen zinnelijke aantrekking. Wanneer de puber de waarde van sexuele terughouding niet meer voelt en niet erkent, kan hij niet ver­ liefd worden. Want eerbied, schroom, verwondering tegenover het mys­ terie van het geslachtelijke zijn essentieel voor die uiterst waardevolle psychische toestand, die met het woord verliefdheid wordt aangeduid. Daarentegen is de platonische liefde een kunstbloem.

De man is een Ik-handhaver en daarom verklaart hij de aandrift tot zelf­ behoud tot het grondbeginsel van de menselijke natuur en vermag hij niet tot het inzicht te komen, dat het menselijk egoïsme eerst ontstaan kon, nadat de natuurlijke gemeenschapsbanden waren vernield. Hijzelf heeft ze vernield; hij is de stichter van de kultus van de arbeid; in zijn waanzinnige jacht naar materiële rijkdommen maakt hij het leven onder­ geschikt aan de arbeid, macht, rijkdom, bezit tot zijn goden, de ekono­ mie en de politiek tot de belangrijkste wetenschappen. De psychologie van het geven is oervrouwelijk, maar die van het in bezit nemen is man­ nelijk. Hebben is mannelijk; zijn is vrouwelijk. In demokratische staten niet minder dan in totalitaire, overal zucht de mens onder de opperheer­ schappij der zakenlieden, der nuchtere, blinde man-mensen, die ons re­ gelrecht naar ons verderf voeren. Toch is er op vele gebieden des levens een kentering, een bezinning merkbaar. Zo is op het gebied van de op­ voeding de hoge autoriteit van de opvoeder aangetast en probeert een nieuwe, vrijere, anti-autoritaire opvoeding zich baan te breken. In de wijsbegeerte is de tijd van het typisch mannelijk rationalisme, van de eenzijdige verheerlijking van logische denkvormen, vrijwel voorbij. Niet langer wordt intuïtieve kennis miskend; men begint in te zien, dat de diepste waarheden slechts te benaderen zijn door intuïtieve be­ leving. In plaats van de koel-objektieve, streng-logische systeembouwers komt de existentie-philosofie, die niet streeft naar objektiviteit, maar alle nadruk legt op het warme subjektieve. Op het gebied van de religie is er helaas nog weinig kentering te ontdekken en op sociaal-politiek terrein heerst de man nog oppermachtig. Vrede door militaire kracht, dat is zijn leus en hij gaat voort met de verbetering van zijn destruktieve wapens. Mit zermalmender Gewalt geht der Wilde durch das Leben! Hoe “zermalmend” kon Schiller in de verste verte niet dromen!

De vrouwenverering vertoont verschillende aspekten, al naar de nadruk valt op het éne of op het andere element van de vrouwelijke psyche. Op de allereerste plaats werd de vrouw vereerd als de vruchtdragende, voed­ selvoortbrengende moeder. Zij is de grote troosteres, de verzorgende, de liefdevol-beschermende. Hoe vanzelfsprekend en natuurlijk is de iden­ tifikatie van de moeder met de Aarde, de grote Moeder van alle vegetatie. Na de prae-historie verschijnt in de antieke wereld de Magna Mater. Het beeld van deze goede, leven- en vreugde schenkende Grote Moeder is duizenden jaren lang toevlucht geweest voor alle in nood verkerende men­ sen. Zij heeft vorm aangenomen in de stralende en ontroerende gestalten der antieke moedergodinnen. In de psycho-analyse is men geneigd het terugverlangen naar de Grote Moeder als neurotisch aan te duiden. De neurQtikus wil terug naar het infantiële stadium met prijsgeving van zijn Ik, van bewustzijn en geestelijke zelfstandigheid; het is een dodelijk ver-­ (126)

naar hoofdstuk 4 vervolg1

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress