Pantheïstisch Pleidooi

06/03/2009

Hoofdstuk 5

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 10:19

GOD EN HET OEDIPUSCOMPLEX.

Freuds ontdekking van het Onbewuste hebben onze visie op de mense· lijke psyche fundamenteel gewijzigd. Vóór hem zal wel niemand op het denkbeeld gekomen zijn enig verband te leggen tussen de hemelse Vader in denhoge en het hoofd van het gezin. Nu is dit verband bekend, althans bij hen die zich mei deze materie hebben bezig gehouden. Mogelijk zijn er dat niet eens zoveel. Voor Christenen zijn de Freudiaanse inzichten op dit gebied moeilijk te verteren.

Heeft Ludwig Feuerbach dan toch gelijk? Is God door de mens gescha­pen? Is Hij inderdaad niets anders dan de projektie van de gezinsvader naar de hemel? En is de relatie van de mens tot die hemelse Vadergod niets anders dan de voortzetting van de infantiële relatie van het kind tot zijn vader?

De nederlandse psycholoog Rümke, zelf Christen, loochent de psychi­sche projektie- en introjektie-processen niet – dat is voor een psycho­loog nauwelijks mogelijk maar hij is van mening, dat de projektie van het vaderbeeld het ware Godsbeeld overdekt. Hij wijst dus-de opvatting van Feuderbach en Freud af, dat God niets anders is dan deze projektie. Wat dit punt betreft sta ik geheel en al aan zijn zijde. De opvattingen van Freud en Feuerbach betreffen alleen het beeld, dat de mens zich van de goddelijke Werkelijkheid heeft gevormd. Rümke laat ons echter geheel en al in het onzekere omtrent de aard van wat hij het ware Gods­ beeld noemt. Hij vermocht niet door te dringen tot het inzicht, dat er helemaal geen waar Godsbeeld bestaat en ook niet hestaan kan. De Werkelijkheid Gods gaat de menselijke kennis en het menselijk voorstalingsvermogen ver te boven.

Maar de meeste mensen vermogen het onderscheid tussen hun eigen Godsbeeld en God zelve niet te maken; voor hen zijn beide als vanzelf­ sprekend identiek. De herkenning van hun God als een projektie zou een ernstige schok voor ze betekenen en een diepe verwarring stichten in hun religieus gevoelsleven. Mag ik ze dan wel aan een dergelijke schok blootstellen? Och, hoogstwaarschijnlijk lezen ze mijn boek niet eens en als ze het al onder ogen krijgen, dan zijn er nog vele wegen om een waarheid af te weren, die men niet verwerken kan. Niemand brengt zichzelf in een krisistoestand. Er is veel moed voor nodIg. Rümke wist zich uit de moeilijkheid te redden door de ponering van zijn”ware” Godsbeeld.

Als alle projektie wordt teruggenomen en dat gebeurt door de herken­ ning en erkenning van dit Godsbeeld als projektie, dan ontstaat bij de religieuze mens de paradoxale situatie, dat de als volstrekte evidentie en intens beleefde religieuze ervaring van Gods Werkelijkheid en aanwe­ zigheid, toch volledig ontsnapt aan elk menselijk kennen en elk mense-­ (144) lijk voorstellingsvermogen. Maar hoe dieper en inniger het kontakt met het Goddelijke is, des te gemakkelijker kan men deze paradoxale situatie aan. Het Godsbeeld wordt van sekundaire betekenis.

Het gevoels- en voorstellingspatroon, ontstaan in de levensperiode tussen het derde en het zesde levensjaar, staat in de literatuur over de psycho­ analyse bekend als het Oedipuscomplex. Freud ontleende de naam Oedi ­ pus aan een antiek-Griekse tragedie van die naam, geschreven door So­phodes.

De hoofdpersoon van deze tragedie groeit op in den vreemde; hij kent zijn ouders niet. Volwassen geworden, gaat hij zwerven en komt in zijn vaderland zonder te weten, dat het zijn vaderland is. Hij krijgt twist met een onbekende man en doodt hem in een gevecht. Die man was zijn va­ der. Maar dat wist Oedipus niet. Daarna ontmoet hij zijn moeder; moe­ der en zoon voelen zich sterk tot elkaar aangetrokken en zij huwen, ge­ heel onbekend met hun bloedverwantschap. Als alles tenslotte uitkomt, steekt Oedipus zichzelf als straf de ogen uit.

Waarom koos Freud nu die naam? Zijn klinische ervaringen brachten hem tot de ontdekking, dat in de relatie tussen ouders en kind het ge­ slachtsverschil een belangrijke rol speelt, zowel van de ouders als van 1het kind uit. In de kleuterperiode ontbloeit in het kind het erotische I gevoelsleven, bij het jongetje ten opzichte van de moeder en bij het 1meisje ten opzichte van de vader. Voor het latere liefde-leven zijn deze l erotische gevoelens zeer belangrijk, want alle elementen van het eroti­ I sche leven van de volwassen mens zijn in de kleuter in kiem aanwezig. Charlotte Bühler vindt de relatie van de kleuter tot wat men wel de be­trekkingspersoon noemt, zo belangrijk, dat ze tot de uitspraak komt:

“Het slechtste gezin is nog beter dan de beste inrichting.”

In een inrichting, hoe goed ook, ontbreekt immers deze betrekkingsper ­ soon. De oedipale situatie is zeer gekompliceerd. De gevoelsverhouding van het jongetje tegenover de vader, van het meisje tegenover de moeder is ambi­ valent. Negatieve en positieve gevoelens bestaan naast elkaar en wisselen elkaar voortdurend af. De erotische binding uit zich in tederheid, omhel ­ zingen, zoentjes, kinderlijke vrijpartijtjes, maar ook in jalouzie en bezits­ aanspraak. Het jongetje beleeft zijn vader als rivaal. Vader moet maar op reis gaan; vader moet maar dood gaanl Zulke kinderlijke uitingen zijn geen zeld­ zaamheid. Maar tegelijkertijd verafgoodt de jongen zijn vader en heeft hij hem hartstochtelijk lief. Voor de kleuter zijn de ouders machtige goden, waarvan hij zich volstrekt afhankelijk voelt, wier bescherming en liefde hij onmogelijk missen kan, zonder wier welwillendheid en toegenegen­ heid hij niet kan leven. Maar de vader treedt het jongetje bij zijn luststre ­ vingen door vele geboden en verboden in de weg en dan haat hij diezelf­ de vader. Bij overtreding der geboden, hetzij in werkelijkheid, hetzij in 1 de fantasie, ontstaan diepe schuldgevoelens. Perioden van wilde oproerig­ I heid en van berouwvolle onderwerping en gehoorzaamheid wisselen elkaar af.

Bij de verdere groei worden tenslotte de negatieve gevoelens naar het On­ bewuste verdrongen. Maar ze blijven hun invloed uitoefenen! Ze vor-­ (145) men de basis van de gespleten mens, die zich zelf nu voelt als een burger uit twee werelden, de zuivere, hoge wereld van de geest, waar men niet door lusten wordt geplaagd en donkere wereld van het verbodene, die blijft lokken.

Herman Hesse heeft in een prachtige novelle – Kinderseele deze twee werelden beschreven.

Een jongetje van zeven jaar treedt de studeerkamer van zijn vader binnen om iets te vragen. Zijn vader is er niet. Dat was nog niet eerder voorge­ komen. Het was hem verboden de studeerkamer binnen te gaan, als zijn vader er niet was. Maar nu is hij alleen in het domein van de machtige. Hij is nieuwsgierig en gespannen en snuffelt rond. Bij het openen van een kast ziet hij een hele krans heerlijke vijgen liggen. Hij neemt er één van en nog één; ze smaken heerlijk. Maar meer durft hij niet. Hij gaat naar het bureau en stopt vlug een handjevol pennen in zijn zak. Hij heeft die pennen niet nodig; hij heeft er zelf genoeg van op zijn kamertje. Dan lokken de vijgen weer; hij eet er nog twee en nog twee. Dan wordt hij bang; het gat is groot; hij probeert door de vijgen uit elkaar te leggen het gat te verkleinen, maar dat lukt niet erg. Dan kan hij net zo goed de rest ook maar opeten. Dat doet hij, maar met wanhoop in zijn hart; hij heeft er geen genot meer van; toch eet hij door tot alles op is. Bij het avondeten is hij opvallend stil; vader en moeder vragen welwillend en vriendelijk, wat eraan scheelt. Hun liefde en bezorgdheid stapelen vurige kolen op zijn schuldig hoofd. Hij zegt, dat hij geen trek heeft. Tegen­ strijdige gevoelens beklemmen hem. Is het mogelijk, dat deze almachtige, alleswetende vader niets merkt? Ziet hij dan het Kaïnsteken op zijn voorhoofd niet? Wilde trots voelt hij, omdat hij sterker is geweest dan de machtige. Gruwelijke angst voelt hij voor ontdekking en straf. Slecht voelt hij zich en schuldig. Hij verdient neergeworpen te worden uit de hemel der ouderlijke liefde naar de hel der verdoemden. Hij ver­ dient hun liefde niet. Het is moeilijk om te blijven in het Paradijs der ouderlijke liefde. Er zijn te veel verboden en het verbodene lokt onweer­ staanhaar. Hij lijdt hellepijnen onder de ondragelijke spanningen van schuldgevoelens, hunkering naar berouw, weerspannige trots, verlangen naar bekentenis en angst voor straf. Zullen ze hem nog liefhebben? 0, hij haat ze zo!

Tenslotte komt het uit en volgt de straf. De straf is als een verlossing; hij wordt daarna weer in genade aangenomen. Ouders vergeven hun kinderen dergelijke kleine overtredingen gemakkelijk, zegt Hesse, aan het slot van zijn novelle, maar de kinderen vergeven het hun ouders nooit!

Binnen de psycho-analyse bestaat geen eensgezinde visie op de oedipale situatie. Zowel de Weense psychologe Charlotte Bühler als Wilhelm Reich, leerling van Freud, hebben op essentiële punten kritiek geleverd. Charlotte Bühler wijst er op, dat de erotische binding aan de ouder van het andere geslacht los staat van de sexuele strevingen van de kleuter. Het is een innerlijke tegenstrijdigheid van Freuds theorie, dat hij ener­ zijds inziet, dat het kind auto-sexueel is, d.w.z. bevrediging zoekt aan het eigen lichaam en anderzijds beweert, dat de kleuter incestueuze wensen heeft, die later worden verdrongen. Maar het erotische en het sexuele vormen bij een kleuter nog lang geen eenheid – dat gebeurt pas later in de puberteit en wat voor sexuele verlangens kan een nor-­ (146) male kleuter hebben ten opzichte van de ouder van het andere geslacht? Sexueel onbevredigde ouders kunnen echter wel ontijdig dergelijke ge­ voelens bij hun kind wakker maken en daardoor ernstige frustraties ver­ oorzaken. Uiteraard heeft Freud verdrongen incestwensen herhaaldelijk bij zijn patienten kunnen konstateren. Maar mocht hij daaruit konklude­ ren, dat dit bij alle mensen het geval is?

De zienswijze van Freud hangt samen met zijn pessimistische visie op de mens als kultuurwezen. Hij ziet het Oedipuscomplex als een biologische kategorie; waar de mens uit het dierenrijk te voorschijn treedt en kultuur­ wezen wordt, verschijnt tegelijk het Oedipuscomplex; het is inhaerent aan de kultuur en dus onvermijdelijk. Wilhelm Reich daarentegen ziet het Oedipuscomplex als een historische kategorie. Het is volstrekt niet inhaerent aan de kultuur, maar het is pas ontstaan bij het optreden van patriarchaal-autoritaire kulturen. Eerst dan kan het verschijnen en het heeft in deze samenlevingen een noodzakelijke funktie n.l. de mensen geschikt te maken voor het leven in een maatschappij, die berust op heer­ schappij van mensen over mensen. De schuld- en zonde-gevoelens van het Oedipuscomplex vormen de onmisbare basis voor de gebondenheid aan, de eerbied en angst voor de autoriteit, voor het gezag, waarzonder een blijvende onderdrukking van grote groepen mensen onmogelijk zou zijn. En het hoeft dus niet te verwonderen, dat zij die de bovenlaag van de maatschappij vormen God-Gezin-Gezag als een heilige drieëenheid beschouwen.

Reich doorzag de samenhang tussen de oedipale situatie en de klassen­ maatschappij. Alleen in het burgerlijk-patriarchale gezin ontstaat het Oedipuscomplex en het kan dus voorkomen worden door een geheel andere gezinsstruktuur. Steunend op de anthropoloog Malinowski wijst Reich erop, dat bij primitieve volken, die nog in matriarchale ver­ houdingen leven, geen Oedipuscomplex voorkomt, omdat daar geen autoritaire vader bestaat.

In de novelle van Hesse komt duidelijk het konflikt tot uiting tussen de aandriften enerzijds en de veroordeling en afwijzing ervan doÜ’f de om­ geving, die ze niet tolereert en ze als immoreel en aanstootgevend afwijst. Door het proces der introjectie worden de uiterlijke geboden en verboden verinnerlijkt, het uiterlijke gebod wordt tot innerlijke stem van het ge­ weten. Omdat het sociale oergegeven is in de mens, kan men het geweten niet vernietigen; er bestaan geen gewetenloze mensen. De inhoud van het geweten wordt gevormd door de normen en waarde-maatstaven der ou­ ders. Nu kan men deze normen wel overtreden en men kan ook probe ­ ren de stem van het geweten te smoren, maar dan ontstaan onvermijde­ lijk diepe schuldgevoelens, die elke zuivere vreugde aan zinnenlust ver­ giftigen en vergallen.

Hoe zou nu het Oedipuscomplex voorkomen kunnen worden? Op de allereerste plaats door de afschaffing van de autoritaire vader. Reich wijst op de betekenis van de infantiële sexualiteit, die in autoritair­ puriteinse gezinnen wordt onderdrukt. Adler heeft ons inzicht gegeven in de betekenis van de geldingsdrift en de noodlottige gevolgen van de onophoudelijke kwetsing van het kinderlijke zelfgevoel, waardoor de minderwaardigheidscomplexen ontstaan. Een fundamentele verandering in de verhouding tussen kind en volwassene is noodzakelijk, een opvoe­ ding, die uitsluitend uitgaat van de behoeften van het kind. De autori-­ (147) taire opvoeding gaat helaas niet alleen uit van de vader; ook de moeders laten zich helaas leiden door mannelijke opvoedingsnormen. “Als je zo stout bent, houdt moeder niet meer van je”. Dit is een veel gebezigde zin. Maar een goede moeder zal nooit zoiets zeggen. Het kind moet volstrekt zeker zijn van de liefde en de bescherming van zijn ou­ ders; het mag nooit het gevoel krijgen, dat het die liefde door “stout ­ heid” of ongehoorzaamheid zou kunnen verliezen. Het kind probeert telkens weer niet stout te zijn; het ziet in zijn afhan­ kelijkheid van bevrediging af en betaalt een hoge prijs voor zijn braaf­ heid; of het overtreedt de ouderlijke geboden in het geheim en wordt een huichelaar, die de kat in het donker knijpt. Of het komt tot een houding van wilde oproerigheid, een ik-doe-het-Iekker-toch houding, waardoor diepe schuldgevoelens ontstaan. Uit alle verdrongen aandriften en ongestilde begeerten ontstaat dan dat ingewikkeld complex van ver ­ drongen emoties, waarvan de elementen zijn haat en liefde, angst en schuld, zonde-besef en minderwaardigheidsgevoel, oproerigheid en trots op ongehoorzaamheid, hunkering naar straf en zwelging in berouw, hun ­ kering naar verlossing en slaafse onderwerping en angstige eerbied voor elke gezagsdrager. En al deze emoties kunnen in later jaren weer te voorschijn komen als hyperagressiviteit, baldadigheid, vandalisme, perverse sexuele begeerten, mensenhaat en mensenverachting, ziekelijke askese en mateloze heb­ zucht, tomeloze machtswellust en nietsontziende zelfzucht. Het Oedipus­ complex kweekt die typen van mensen, die geschikt zijn voor heersers en slaven, die heerschappij noodzakelijk en onvermijdelijk vinden wegens de “slechtheid” der mensen.

Op het fundament van verminkte en misvormde kinderzielen steunt de I macht van de Staat, steunt de gehele klassenmaatschappij en troont ~ torenhoog, streng en onbereikbaar de hemelse Vadergod. Het wordt tijd, dat Hij van Zijn troon wordt gestoten!

PSYCHOLOGIE VAN DE DUIVEL.

Nog altijd is het probleem van de oorsprong van het kwaad in dichte, the­ ologische en metaphysische nevelen gehuld. Het is de gedachte, dat het kwade inhaerent is aan de natuurlijke mens, dat het identiek is met na­ tuurlijke driften, dat het kwade het dierlijke in de mens is, die een oplos­ sing verhindert. Maar het is opmerkelijk, dat ondanks deze pessimisti­ sche visie op zichzelf, de mens desniettemin de sterke neiging heeft, zich te identificeren met het goede in hem, met het getolereerde. Gekonfron­ teerd met het boze in hem, deinst hij vol afschuw terug en roept uit: “Maar dat ben ik toch niet! “Die uitroep gaat dan dwars tegen de Christelijke visie in, die hem leerde: “Dat ben je wel! Je bent een door erfzonde belast wezen! Je bent schuldig tegenover God, alleen al door je geboorte! ”

Meestal wordt dan het boze naar buiten geprojekteerd. Het zijn dan de anderen, die met al die minderwaardige en zedeloze aandriften behept zijn. In de Middeleeuwen was al het kwade verpersoonlijkt in de figuur van de Duivel, de geestelijke schepping van het Paulinisch Christendom. De Italiaan Papini ontkent, dat de Duivel een personifikatie is; volgens hem is hij wel degelijk Persoon, de grote tegenspeler van God. Het be­staan van de Duivel, aldus Papini, is noodzakelijk voor de triumf van de (148) liefde. Maar deze triumf komt eerst aan het einde der tijden. Volgens de kerkvader Origenes zal dan de Satan vergiffenis krijgen. Maar het traditio­ nele Christendom, heel wat barbaarser dan Origenes, dreigt tot op de huidige dag met eeuwige hel en eeuwige verdoemenis. De goddelijke ver­ geving en liefde is hier volledig zoek. Al is in onze tijd het geloof in de Duivel als persoon aanzienlijk verzwakt en is de projektie grotendeels teruggenomen, dan heeft dat toch geenszins geleid tot het inzicht, dat het kwade zou kunnen worden overwonnen. Integendeel, het geloof in de onuitroeibaarheid van het boze is na een kort optimistisch intermez­ zo in de 18de en 19de eeuw, groter dan ooit. Altijd zijn er echter mensen geweest, die geweten hebben, dat het kwaad niet identiek is met het na­ tuurlijke, dat het een produkt is van de schadelijke strijd tegen het natuur­ lijke en dat het overwonnen kan worden door de hopeloze strijd tegen onze natuur op te geven. Terugkeer tot het natuurlijke, erkenning van het natuurlijke als de enige voedingsbron van de geest, dat is de enig mogelijke terugkeer tot de juiste relatie met God. En wie in de juiste relatie staat tot God, hoe zou hij boos kunnen zijn?

Het boze, al dan niet verpersoonlijkt in de figuur van een Duivel is een produkt van de afgrijselijke Vadergod met Zijn altijd loerend alziend oog, die tussen Zijn harde knuisten de tere bloesems vermorzelt, die ontluiken in argeloze, onschuldige kinderzielen, die in weerloze kinderzielen een onuitroeibaar schuldgevoel schroeit en ze daardoor verminkt voor hun hele verdere leven. Vanuit Zijn ongenaakbare, zedelijke hoogte ziet deze kinderverminker eeuwig dreigend, vermanend en bestraffend op ons neer. Wanneer is deze zgn. lieve God dan eigenlijk lief? Hij is een haatzaaier, een angstverwekker, een mensenvernietiger, een heerser en een God van heersers. William Blake herkende in de Bijbelse Vadergod de Satan. Van­ zelfsprekend beweert dan ook Papini, dat het werk van Blake, speciaal zijn boek Het Huwelijk tussen Hemel en Hel, door de Duivel is geïnspi­ reerd. De Vadergod van het Christendom is de Moloch, die door Zijn ver­ boden de overtredingen schept, die door Zijn verheven, naijverige heer­ sersalmacht het duistere verzet wakker roept en aldus het aanzijn heeft gegeven aan Zijn donkere tweelingbroeder, de Duivel.

In de Christelijke mythologie was deze Duivel oorspronkelijk een engel, ja de allerhoogste engel, die het dichtst bij God stond. Hoe kon in deze engel, zo dicht bij God, boosheid aanwezig zijn, zodat hij tot opstand tegen God kwam? Nu, deze vraag mogen de Christenen beantwoorden als zij kunnen. Wat heeft de engel ten val gebracht? Daarop weten de Christenen het antwoord. Het was de hoogmoed, de hybris, de wil om aan God gelijk te zijn. De machtige heersers God, omgeven door onder­ danige engelen, die niet ophouden Hem te loven en te prijzen met luw gezang, kan deze opstandige engel, die weigert mee te zingen in het al­ gemene koor, wel neerwerpen in het diepste van de Hel en hem daar­ door tot Duivel maken, maar Hij kan de ontuitroeibare wil om aan God gelijk te worden niet vernietigen. De Duivel is de uitgeworpene, niet de onderworpene. Ondanks zijn gruwelijke eenzaamheid en kille liefde­ loosheid blijft hij fier en schoon, omstraald door de sombere glorie van de eeuwige opstandeling. Jesaja vergelijkt hem met een ster, die is neerge­ vallen van de hemel. Maar ook in de diepte blijft hij zijn lichtende naam Lucifer dragen. De schoonheid van de Duivel kan niet gezien en begrepen worden door infantiele, onderdanige slaven. Alleen fiere, onafhankelijke en onbevreesde mensen, wars van alle heerschappij, aardse of hemelse, kunnen dit aspekt van de Duivel verstaan. En niet alleen verstaan, maar (149) vereren, omdat zij weten, dat de wil om aan God gelijk te worden, de hoogste en edelste aandrift van de mens is. In het Evangelie roept jezus de mens juist daartoe op:

“Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en al het andere zal U worden
toegeworpen! Weest volmaakt zoals Uw Vader in de hemel vol­
maakt is! “

jezus zag de diepte, waarin de mens gevallen was; hij kende zijn klein­ heid en zijn verdorvenheid, maar desondanks riep hij hem op tot het allerhoogste, omdat hij geloofde, dat de mens de potentie daartoe in zich had, dat aan God gelijk worden zijn hoogste bestemming was. Maar waar vindt men deze grootse Evangelische visie op de mens bij de Christenen? Verreweg de meeste Christenen zagen en zien het als de dichter j oost van de Vondel. In zijn drama Lucifer wordt de autoriteit van de Vadergod volledig en kritiekloos aanvaard en daaruit volgt een onvoorwaardelijke veroorde­ ling van de rebel en een eis van blinde gehoorzaamheid aan het Godde ­ lijk Gezag. Vondel vermag in Lucifers weigering om zich te onderwerpen slechts verstoktheid te zien. Voor Satans zielegrootheid heeft hij geen oog. Hoort, hoe in zijn drama de engelen spreken, als zij nog hopen, dat Lucifer tot inzicht komen en God Lucifer vergeven zal:

,,0, Vader, die geen wierookvat,

Noch goud, noch lofzang waarder schat,

Dan Godgelatenheid, en stilte

Van het schepsel, dat uit nederigheid

Behagen schept aan Uw beleid,

En in Uw wil zichzelf versmilte;

Gij ziet, 0 aller telgen stam,

Hoe het Hoofd der Geesten zijnen kam

Durft kanten tegens Uw behagen;

Hoe hij trompet en trommel roert,

En blind, van Staatzucht aangevoerd,

U tergt op zijnen oorlogswagen.

Ontferm U over het lasterstuk,

En keer, och keer het ongeluk

Van duizendduizend lotgenoten,

Die al te jammerlijk misleid,

Met zulk een wederspannigheid

Het harnas hebben aangeschoten.”

Het kan echter ook anders beleefd worden. De Griekse tragedie-dichter Aischylos waarschuwt Prometheus, de rebel. Hij vindt het niet verstan­ dig tegen de wil van de oppermachtige Zeus in te gaan, maar hij ont­ neemt Prometheus niet zijn glorie als opstandeling. Van meer inzicht in de psychische struktuur van de boze mens getuigt de opvatting, dat het voor de Duivel onmogelijk is, om vergiffenis te vragen, omdat zijn straf zijn boosheid voortdurend groter maakt. Nog grootser is de opvatting, dat de Duivel geen vergiffenis wil vragen, omdat hij geen genade vraagt, maar recht eist. Dan is de Duivel geheel en al een opstandeling tegen het onrecht. Daardoor werd hij uitgesloten van de liefde Gods en de liefde­ loze wordt onontkoombaar boos. De Duivel echter aanvaardt de boos-­ (150) heid, aanvaardt het eeuwige lijden, die de verbanning uit de Hemel met zich meebrengt. Wie is uitgesloten van de liefdevolle verbondenheid Gods moet boos worden. Alle boosheid is voortgekomen uit gebrek aan liefde. Haat is teleurgestelde liefde. Geraakt of gebracht in een toestand van hopeloze verlatenheid moet de mens wel slecht worden. Hij wil dan een onbegrensde macht tot vernietiging hebben. In zijn fantasieën is hij een sadistische wreedaard, die onbeperkte macht uitoefent, vol koude, cynische verachting voor menselijkheid en persoonlijkheid. Gelukkig maar, dat zulke fantasieën mogelijk zijn en tot op zekere hoogte de erg­ ste agressiviteit afreageren. Want er zijn vele liefdeloze, vereenzaamde mensen, die vol zitten met een tomeloze vernietigingsdrang. Omdat nie­ mand hen liefheeft en zijzelf niet meer liefhebben kunnen, moet de hele wereld vernietigd worden. In oorlogstijd krijgen deze destruktieve, mis­ vormde aandriften de kans om Zich uit te leven.

Als eenmaal de eerste boze daad verricht is, is de terugkeer moeilijk. De boze daad isoleert de mens van zijn medemens en als hij terug wil, wordt hij gewantrouwd. Het wantrouwen maakt zijn isolement weer groter en het groter isolement roept zijn verstoktheid wakker. Jullie willen niet, dat ik goed ben, nu dan zal ik boos zijn! Maar hij is ongelukkig en ver­ bitterd. Alle slechte mensen zijn ongelukkig. Ongeluk en boosheid gaan altijd samen. Zo leidt menig misdadiger zijn tragisch leven, opgesloten in een vicieuze cirkel. Als slechtheid en asociaal gedrag uit onze natuur voortkwamen, dan zouden we door onze slechte daden nooit ongeluk­ kig kunnen zijn. Maar hoe slecht verdragen we het slecht zijn. Zo lijdt de Duivel duizend smarten. Niet om zijn literaire waarde, maar om zijn inhoud neem ik het volgende gedicht op:

Lucifer.


“In het diepe, donkre rotsravijn,

Tegen kale steilte aangeklemd,

Ligt roerloos neergeveld,

De trotse Demon.

Een steen tussen de stenen …

Slechts stroomt zijn bloed langs borst en dijen.

“Dan richt hij kreunend op het somber hoofd

En staart in wilde smart omhoog,

De duistere Demon,

Die gebroken neerligt.

“Oneindig ver en onbereikbaar hoog,

Ontwaart hij lichtglans van de hemel,

Die verdween.

“Vandaar viel hij.

Vandaar werd hij in duizelende diepte neergestort.

Van top tot top, van piek tot piek, van rots tot rots,

Gekneusd, vernield, verminkt, versmeten …

Opdat hij leven zou en lijden.

Zo werd hij rijp gebeukt voor het Kwaad! (151)

“Dat heeft de goede Macht,

De hemelse zachte Kracht,

Geraffineerd zo uitgedacht!

“In machteloze razernij bijt hij de steen tot gruis,
Zijn hoongelach schalt duizendvoudig door het rotsravijn …
Dan staat hij wankelend recht.
De sombere Demon begint zijn boze tocht.
“Hei, strompelende hinkepoot!

Hei, haatverblinde stenenvreter!

Waar is de machtige ruisching van je reuzenvleugels?

“De donkre Demon vangt aan zijn boze tocht

Dwars door de nacht der tijden.

Zal eens de Maagd zijn duivelskop vertrappen?

Hij grijnst … hij vreest Haar niet.

Wie zoveel lijden moest, vreest slag noch striem.

Zijn ijzerharde ziel wordt door geen macht verpletterd.

“Maar als Zij komen zal, 0 donkre Demon,

De tere handen uitgestrek t,

Als ze komen zal, beschroomd doch ombevreesd,

Een milde glimlach bevend om haar mond,

Het licht der liefde in haar zachte ogen …

Dan vlucht je huilend weg, ‘

In wilde angst voor witte gloed, die alle hardheid smelt.

“Dan vlucht je huilend weg
En wringt met woest geweld je duivelskop in donkre rotsspleet,
En perst je muil vol aarde,
En smoort in stof en drek
De wanhoopskreet, die gierend opstijgt
Uit de diepte van je strot! ”
Er zijn altijd mensen geweest, die geweten hebben, dat lijden en liefde­ loosheid de bronnen zijn, waaruit het Kwaad als een giftige stroom zijn oorsprong neemt. “Niemand doet opzettelijk kwaad” oordeelde de wijze Sokrates. “Niemand kan van nature God haten” schreef Spinoza. De Islamiet Mansoer Hallajal werd plus minus het jaar 900 in Bagdad ver­brand, omdat hij leerde, dat de mens goed was en goddelijk. Hoe lang zal het nog duren, aleer men inziet, dat de Duivel niet de schepper en veroorzaker is van het Kwade, maar het geschapen Kwade? Het traditio­ nele Christendom heeft wel een zeer scherp oog voor de verdorvenheid van de mens, voor de afgrondelijke diepte van zijn val, maar voor de oor­ zaken van het kwaad is het volkomen blind. Daarbij is het niet ondienstig op te merken, dat de Bijbelse visie op de mens niet in overeenstemming is met de visie van de orthodoxe Christen. In het Joodse denken en beleven is geen plaats voor een erfzonde-idee. De dichter-theoloog van Genesis zag de mens als van nature goed. Het kwam niet in hem op het anders te zien. Was de mens niet door God geschapen? Was hij niet het evenbeeld Gods en de kroon der schepping? Hoe zou hij dan slecht kunnen zijn! En dus herhaalt de dichter zijn verheerlijkende lofzang op de Schepper ook na (152) de schepping van de mens. En God zag, dat het goed was! De dichter van Genesis zoekt dan een verklaring voor het feit, het onontkoombare feit, van de slechtheid der mensen om hem heen. En dan dicht hij het verhaal van de zondeval. Oorzaak van het kwaad is de afval van en de on­ gehoorzaamheid aan God. De opvatting der Christenen, dat de zondeval de natuur van de mens veranderd heeft in ongunstige zin, ja, dat zelfs de hele schepping in die val werd meegesleept, staat geheel en al buiten het Joodse denken en derhalve buiten het Evangelie’~_!!lensisyan~od ver­ vreemd; hij kan tot God terugkeren. De Joodse profeten roepen voort­ durend hun landgênotèn daartoèOp en de grootste van alle Joodse pro­ feten, Jezus van Nazareth, spreekt, geheel in de lijn van zijn voorgangers:

“Wees volmaakt, als Uw Vader in de hemel volmaakt is! ”

Jezus kende de diepte van smensen val. Hij zag zijn kleinheid en zijn ver­ dorvenheid, maar hij stelde desniettemin zijn hoge eis. Vanzelfsprekend achtte hij de potentie daartoe in de mens aanwezig. Dit past geheel en al in het gedachte-klimaat van hetjoodse profetisme. De eerste Christenen die een Joodse sekte waren, verwachtten dan ook de spoedige komst van het Koninkrijk Gods op de aarde. Hun heilsverwachting was geheel en al een diesseitige. Het bleef aan een later meer primitief en barbaars Christen­ dom voorbehouden het Koninkrijk Gods te verplaatsen naar het J enseits. Paulus leert, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen. Volgens de Heidelberger Katechismus is de mens, belast met de erfzonde, geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed. Luther was van mening, dat de wereld niet door God werd geregeerd, maar door de Dui­ vel en dat deze dat deed met groot sukses.

Bij Luther is de gehele wereld en de gehele lichamelijkheid het Rijk van de Duivel. God, aldus leert Luther, is het zuiver geestelijke, maar wij le­ ven in “des Teufels Madensack”. Vóór de Babylonische ballingschap waren de Joden onbekend met de opvatting van een zelfstandig Rijk van het Kwade tegenover het Rijk Gods. Hun Satan was een dienaar van God, een boodschapper, ook wel een verspieder, die kontroleren moest of de mens Gods geboden wel naleefde, ja, die ze zelfs probeerde tot het boze te verleiden om ze op de proef te stellen. Door aanraking met de Perzi­sche godsdienst heeft zich uit deze Satan een echte zelfstandige Duivel ontwikkeld.

naar Hoofdstuk 5 vervolg1

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress