Pantheïstisch Pleidooi

08/03/2009

Hoofdstuk 5 vervolg1

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 11:37

(GOD EN HET OEDIPUSCOMPLEX. vervolg1)

De Perzische Godsdienst wordt gekenmerkt door een sterk ethisch dua­ jlisme. Er zijn twee Goden, die voortdurend met elkaar strijden, nl. I Ahoeramazda, de God des Lichts en Agrymanjoe, de God van Duisternis  en Boosheid. De goede, deugdzame mens schaart zich in de rijen van de engelen, die onder aanvoering van Ahoeramazda strijden. Wie boos en on­ deugdzaam handelt, sluit zich daardoor aan bij de demonen van Agryman­ joe. Hier heeft de mens dus zelf een aandeel in de uiteindelijke overwin­ ning van het Goede. Want daarin geloofden de Perzen. Dit ethisch dualis­ me drong over het Jodendom door in het Christendom. Ook daar gelooft men in een zelfstandig Rijk van het Kwade, geregeerd door de Duivel. I In het Kalvinisme speelt de mens in de strijd tussen Goed en Kwaad echter geen enkele rol. Hier ontmoeten we een grondeloos pessimisme ten opzichte van de mogelijkheden van de mens op aarde, gekompen­ seerd door een belofte van een eeuwige gelukzaligheid in het hierna­ maals. Het ethisch dualisme beheerst eveneens de gehele psycho-analyse van Freud. In feite zijn alleen de namen veranderd en is de projektie (153) teruggenomen. Maar de twee tegengestelde Rijken of Machten zijn ge­ bleven, al heten ze nu niet God en Duivel, maar Eros en Agressie. Het inzicht van latere diepte-psychologen, die het sociale herkenden als behorend tot de oernatuur van de mens en die het kwaad zagen als een maatschappelijk verschijnsel is helaas tot nog toe beperkt gebleven tot zeer kleine groepen. Zij kwamen tot de onontkoombare konklusie, dat het demonische een gevolg is van de belemmerde ontplooiïng van de libido. De Duivel is geprojekteerde, gepersonifiëerde, door verdringing misvormde libido. Wilhelm Reich en anderen ontdekten de maatschappe­ lijke funktie van de verdringing, namelijk het tot stand brengen van “Autoritätsbedürfnis”, waardoor de uitoefening van heerschappij van mensen over mensen mogelijk wordt. Maar deze bevrijdende inzichten vermochten niet door te dringen in de kringen van het Christendom, noch in die der meeste humanisten. Men blijft zich vastklampen aan de idee, dat het demonische tot de natuur van de mens behoort. Ofschoon men in de moderne diepte-psychologie de neurose allang als sociose heeft herkend, gaat de gemiddelde psychiater maar door met zijn pogingen de ontspoorde, neurotische mens aan te passen aan een onmenselijke en ziekmakende samenleving. De bedroevende onmacht van deze psychia­ ters blijkt uit de toename van het aantal neurotici.

De gedachte, dat God de wereld aan de Duivel heeft overgelaten, leidde mede tot het ontstaan van allerlei, meestal geheime, sekten van Duivel­ aanbidders. Als God dan op aarde geen macht heeft, wendt de mens zich tot de Duivel als de werkelijke Heer der aarde om macht, rijkdom en zekerheid te verkrijgen. Soms sloot men met de Duivel een verbond. De Duivelskultus in de Middeleeuwen was een parodie op en een kari­ katuur van de aanbidding van God. In het jaar 1920 kwam ik door een toeval in aanraking met enkele leden van een sekte van Duivelvereerders. Ik wist toen niets van het bestaan van dergelijke sekten. Ik werd sterk geboeid door de gedachten, die deze mensen uitspraken en ik vergat ze nooit. Zij vertelden mij o.a., dat de stichter van hun sekte een Duitser was, die G .B. Erhard heette. Deze had ongeveer in het jaar 1800 een apologie van de Duivel geschreven. Op hun geheime samenkomsten werd uit dit boek voorgelezen. Ik wilde het graag inzien, maar dat werd me niet toegestaan. Ik moest eerst toetreden, want de inhoud van dit boek was uitsluitend bestemd voor ingewijden. Ik trad echter niet toe en ik heb het boek nooit in handen gehad. Wel gaven ze mij de door Erhard opgestelde zeven regels van het Kwaad. Hier volgen ze.

1. Spreek nooit de waarheid, maar doe wel steeds alsof.
2. Erken geen enkel eigendom, maar verkondig de heiligheid en de on­
aantastbaarheid van het bezit.
3. Gebruik de moraal der anderen voor uw eigen doeleinden.
4. Wees zondig en zet iedereen tot zonde aan, maar verkondig de nood­
zaak van de moraal van het Goede.
5. Bemin niemand.
6. Maak iedereen ongelukkig, die zich niet aan u en uw wil onderwerpt.
7. Wees volmaakt konsekwent in het boze en berouw nooit iets.

Bij toetreding moest men plechtig beloven zich aan deze zeven regels te houden. Op mijn vraag of ze dan werkelijk zoveel kwaad deden, volgde aanvankelijk een beschaamd zwijgen. Later vertelden ze mij, dat kwaad doen zo erg moeilijk was, omdat het tegen de menselijke natuur indruist. (154)

Want wel is de Duivel de Heer der aarde, maar de mens is door God ge­ schapen en dus van nature goed. Daardoor is het ongelooflijk moeilijk te leven zonder van iemand te houden en zonder door iemand bemind te worden. Dat kost grote zielskracht en dat brengen wij niet altijd op. God kan ons op deze aarde niet helpen. Daarom vereren wij de Duivel. Maar wij vinden in de ogen van onze harde Heer maar weinig genade. Hij hoont en smaadt ons, als we lief zijn voor een kind of als we van een vrouw houden in plaats van haar te gebruiken. De Duivel eist van ons, dat we dwars tegen onze natuur ingaan, maar we zijn zo stuntelig in het bedrijven van het kwade. De Duivel prijst en beloont hen, die openlijk God en Gods geboden belijden, maar die metterdaad ijverig des Duivels geboden opvolgen. Niet wij, die eerlijk de partij van de Duivel kiezen, worden beloond met macht en rijkdom, maar zij, die Hem met de mond verloochenen, maar dienen met de daad. De rijken en machtigen van de aarde zijn de ware dienaren van de Duivel, ofschoon hun monden over­ vloeien van het woord Gods. Ik ben geen Duivelaanbidder geworden, maar het komt me voor, dat de schildering van de rijken en machtigen als verkapte Duivelaanbidders heel dicht bij de waarheid is. Al verklaart de Christen de oorsprong van het kwaad tot een mysterie, toch blijven vragen hem kwellen. Geschokt door de macht van het boze, kan hij niet nalaten te vragen:

“Hoe kan God in zijn Almacht toch al dit kwaad toelaten?
Straft een God, die liefde is, de onschuldige kinderen voor de
zonden hunner ouders? Kan dan het Eeuwig Goede schepper
zijn van het Eeuwige Kwade? Hoe was het mogelijk, dat afgunst,
hoogmoed, verstoktheid heersten in het hart van Lucifer, die toch
het allerdichtste van allen bij God stond?

Zo kwellen vele Christenen zich, want zij hebben de deur, die naar de oplossing leidt met onaantastbare dogma’s dichtgespijkerd. “Waarom slaat God de Duivel niet dood? “, vroeg een primitieve neger verwonderd aan een zendeling. Ik weet niet, wat de zendeling heeft ge­ antwoord, maar mijn antwoord zou geluid hebben:

“Dat kan God niet, want als Hij de Duivel doodt, doodt Hij Zich­
zelf! ”

De Duivel is de duistere dubbelganger van de autoritaire Vadergod. Deze beiden zijn onafscheidelijk. Misschien, dat eens de tijd aanbreekt, dat de mens zich van beiden zal kunnen bevrijden. Dan zou hij een eeuwenoude, ontzettende last van de schouders hebben geworpen. Van angst en haat bevrijd zou hij omhoog rijzen, een nieuwe Lucifer!

Het leven bouwt op, het leven breekt af. De Grote Moeder heeft zowel een konstruktief als een destruktief aspekt. Het negatieve, destruktieve aspekt van de Transcendentie werd vaak losgemaakt van het positieve en verscheen dan in de gestalte van een draak of boze demon. Deze draak of demon is echter een symbool van onheil en rampspoed en chaos. Eerst veel later dringt de ethiek in de religie door en krijgt de Duivel zijn ethisch aspekt. De Babylonische God Mardoek verslaat de zondvloedslang; de Griekse Apollo verslaat de Python en Heracles doodt de zevenkoppige (155) Hydra. Ook de oudste Israëlieten zagen hun God J ahve oorspronkelijk nog niet als symbool van het Goede. De destruktieve kant van het leven noemden ze de toorn en de grimmigheid Gods. En God was dikwijls grim­ mig en toornig zonder reden. En daar vonden ze niets vreemds in. Het ethisch monotheïsme bij de Joden is een produkt van de Babylonische ballingschap, al werden de wetten, waarin het is neergelegd op naam van Mozes gezet. Het was de tragedie-dichter Euripides, die uitriep:

“Maar als de Goden kwaad doen, zijn het geen Goden! “

Eerst langzamerhand heeft zich uit draak en duivel, personifikaties van destruktieve natuurmachten, de duivel als symbool en personifikatie van de maatschappelijke destruktieve machten ontwikkeld, dat is dus het symbool van het kwade. Zijn uiterlijke gedaante en verschillende van zijn psychische kenmerken heeft de Duivel aan meer dan één godsdienst ont­ leend. Zeus slingerde Hephaistos in de onderwereld. Hephaistos werd daardoor mank en zo ontstond de figuur van de hinkende duivel, die naar zwaveldamp stinkt. De Christenen beschouwden de heidense Goden als duivels, vooral de satyrs en de Faunen, typische symbolen van de sexualiteit. Aan hen ontleende de Duivel zijn bokspoot. De Christelijke identifikatie van het sexuele met het zondige funktioneert tot op de hui­ dige dag. De Middeleeuwse literatuur veronderstelt de meest innige samenwerking tussen vrouwen duivel. De duivel verschijnt bij voorliefde in de gedaante van een schone, verleidelijke vrouw. Maar tussen de reine maagd en de Duivel heerst onverzoenlijke vijandschap. In sommige stre­ ken was het de gewoonte een misdadiger, die onder de galg stond zonder straf vrij te laten als een maagd van onbesproken gedrag hem tot echtge­ noot nam. De Middeleeuwse mens geloofde nog in de kracht der reine liefde, die de duivel overwinnen kan.

Maria, de maagd, zet haar voet op de kop van de slang. Maar dat nam niet weg, dat de vrouw, die geen maagd was, in ethische zin zeer laag werd aangeslagen. Men meende zelfs, dat zij helemaal geen ziel had en zag haar slechts als verleidster tot zondige, vleselijke lusten. De invloed en de na­ delige betekenis van deze houding moet men vooral niet onderschatten. Zelfs een zo verlichte geest als Hugo de Groot schrijft in een jeugdwerk, Adamas Exul, dat de Satan eerst probeerde Adam te verleiden. Toen hij daarbij geen sukses had, wendde hij zich tot Eva en zij was een gemakke­ lijke prooi. De Duivel wordt meestal afgeschilderd als heel slim en ge­ raffineerd. Maar soms probeerde de mens zijn angst voor de Duivel te overwinnen door hem belachelijk te maken. De Duivel is dan heel dom en laat zich telkens beetnemen.

Bij de primitieven was het de funktie van de medicijnman om de boze demonen af te weren en te verjagen. Later hebben de Christelijke pries­ ters de funktie van duivelbestrijders en uitbanners der demonen overge­ nomen. Algemeen bekend is hun barbaars en fanatiek optreden tegen duizenden vrouwen, die beschuldigd van hekserij en hoererij met de Duivel, naar de brandstapel werden gesleept. In onze tijd hebben Duivel en demon een nieuwe naam gekregen. Ze heten nu neurosen en kom­ plexen en het is de taak van psychologen en psychiaters om ze uit te bannen. Hun geringe sukses is enerzijds te wijten aan de struktuur van onze maatschappij zelve, maar anderzijds aan de zo moeilijk te overwin­ nen zienswijze, dat het Kwaad een zelfstandige macht is, dat er een Rijk (156) van het Kwade bestaat tegenover een Rijk van het Goede. Deze mytho. logische, wetenschappelijk en redelijk onhoudbare opvatting, verhindert het doordringen tot de ware wortels van het kwaad. De herkenning van het kwade als een ziekte zou het begin kunnen zijn van een definitieve overwinning op het kwaad. De strijd voor een vreedzame, harmonische samenleving kan dan gevoerd worden op reëele, wetenschappelijke basis op de enige plaats, waar een overwinning mogelijk is, namelijk in de ziel van de mens.

PSYCHOLOGIE VAN HET GEWETEN.

Waar het inzicht in de werkelijke aard en de oorsprong van het kwaad zo gering is, kan men evenmin veel helderheid ontmoeten over het wezen van moraal of ethiek. De mist is hier zo mogelijk nog dichter, ondanks het feit, dat er bibliotheken volgeschreven zijn over ethiek. De belang­ rijkste oorzaak van al dit wanbegrip is de afwezigheid van het inzicht, dat psyche en geest een biologische basis hebben. Wanneer men niet beseft, dat de gehele geestelijke inhoud van de mens wortelt in zijn instinkten en dat dit ook geldt voor het geweten, dan is het haast onvermijdelijk, dat men voor het geweten een bovennatuurlijke oorsprong zoekt. Het geweten verschijnt dan als een soort gebieder tegenover het instinkt. Het instinkt wordt dan de grote vijand van de mens. Maar bet geweten komt voort uit en steunt op het aangeboren sociale instinkt van de mens; een zedelijk konflikt is een botsing tussen ego-instinkt en en sociale in­ stinkten. Ik herhaal nogmaals met de grootste nadruk, dat alles wat zich afspeelt in de geest van de mens in het instinkt zijn aanvang neemt en het instinkt doet er steeds in mee. Geen enkel geestelijk proces vormt hierop een uitzondering. Als men vanuit dit fundamentele inzicht pro­ beert het geweten en zijn funktie te verstaan, lost alle verwarring zich vrij gemakkelijk op en duisternis maakt plaats voor klaarheid.

Het zedelijk gedrag van de mens komt dus voort uit zijn oernatuur, want ik mag het sociale instinkt in de mens zijn oernatuur noemen. In tegen­ stelling met Freud zie ik de mens als sociaal van nature. Het sociale in­ stinkt drijft de mens ertoe te handelen in overeenstemming met de groep, waartoe hij behoort. De normen van de groep worden bepaald door de levenssituatie van de groep. Deze normen groeien op uit het sociale leven van de groep; zij worden stellig niet bewust vastgesteld. Uiteraard zijn deze normen uiteenlopend en vaak onderling tegenstrij­ dig, doordat de levensomstandigheden der groepen zo verschillend zijn. Zo groep, zo norm. De enkele mens, die het waagt tegen de norm van de groep in te gaan, is een uitzondering. Men mag hem terecht een held noemen, want hij moet zijn sociale angst, zijn angst voor de groep, over­ winnen. Bij de meeste mensen is deze, meestal onbewuste angst voor de groep zo groot, dat ze zich zelden of nooit als enkeling tegenover de groep durven stellen. Het kan voorkomen, dat zij zich een eigen, van de groepsnorm afwijkende norm hebben gevormd, maar ze zullen dan de neiging hebben dit te verbergen en een konflikt met de groep uit de weg te gaan. Het is dus duidelijk, dat de normen niet erfelijk zijn, maar ver­ anderlijke kultuurprodukten. De fiktie van een aangeboren zedelijk be­ wustzijn kan dus niet gehandhaafd worden. En dan zou dit aangeboren zedelijk bewustzijn ook nog onalbankelijk zijn van kultuur en instinkt! (157)

Het enige, dat aangeboren is, is de machtige aandrift tot sociaal gedrag. Ethische problemen kunnen niet langs de weg van een abstrakte mda­ physika worden opgelost. De ethiek behoort geheel en al tot het terrein van de sociale psychologie. Voor een helder begrip van het geweten en zijn funktie is metaphysika totaal overbodig. Het geweten is niet de stem van God, het is de stem van de groep.

De termen moraal en ethiek hebben lang niet altijd dezelfde betekenis. Ethiek wordt wel omschreven als de kennis van het Goede en het Kwade. In een dergelijke omschrijving zijn Goed en Kwaad opgevat als onverander­ lijke, metaphysische grootheden, waarvan men al of niet kennis kan hebben. Onder moraal verstaat men wel een bepaalde zedeleer, het geheel van zedelijke normen van een bepaald volk in een bepaalde tijd. Natuur­ lijk weet iedereen, dat de zedelijke normen wisselen met plaats en tijd, maar men probeert dit dan te verklaren door te zeggen, dat men toen en daar nog geen zuivere ethische normen kende. Zuivere ethische normen? Welke ethische normen zijn zuiver? Wie moet dat uitmaken? Hier heeft de Groningse professor G. Heymans geprobeerd te helpen. In zijn boek Einführung in die Ethik betoogt hij, dat het mogelijk is langs wetenschap­ pelijke weg een zuivere, algemeen geldige norm op te stellen. En zijn leerling Leo Polak treedt in zijn voetsporen en verkondigt de éne, weten­ schappelijk vastgestelde zedeleer. Als typische rationalisten zijn deze ge­ leerden blind voor de invloed en de betekenis van irrationele faktoren, bij het ontstaan van de norm. Het is echter onmogelijk langs rationele weg uit te maken wat goed en wat kwaad is. De psychologie kan ons nooit leren, hoe er zedelijk geoordeeld moet worden; wel waarom bepaalde mensen van een bepaalde plaats in een bepaalde tijd volgens een bepaalde norm oordelen. De termen juist en onjuist in rationele zin zijn niet toepasselijk op zedelijke normen. Men kan een norm afwijzen of aanvaarden, maar men doet dit steeds op grond van eigen norm. Hoe zou men anders kunnen? De nonn wordt niet bedacht; hij wordt niet door een kollege van wijze mannen na uitvoerige besprekingen op grond van utiliteitsoverwegingen vastgesteld. De norm wortelt diep in het Onbewuste. Hij ontstaat in een levensperiode, waarin van kritisch oordeel nog geen sprake kan zijn; hij wordt zonder meer door de kinde­ ren overgenomen van vader en moeder. In een bepaalde historische situa­ tie ontstaan, voltrekt zich de overdracht van generatie op generatie. De kracht van de traditionele normen is zo sterk, dat zij zich handhaven ook als de maatschappelijke situatie totaal veranderd is en de normen der voorouders er niet meer in passen. De kracht van een morele norm is dus geenszins afbankelijk van het inzicht in het nut of de noodzakelijkheid ervan. De meeste mensen zijn helaas niet in staat boven de infantiele ge­ bondenheid aan de overgeleverde normen uit te komen. Er is dan ook een echte innerlijke worsteling voor nodig, want iemands normen ver­ anderen betekent zijn persoonlijkheid veranderen. Als, zoals in onze tijd, de traditionele normen hun kracht verliezen door de grote diskre­ pantie met de maatschappelijke realiteit, dan volgt daar niet automa­ tisch een nieuw normbesef uit. De enkele mens kan dan met een geheel nieuw normbesef de rest zeer ver vooruit zijn. Hij staat dan als een een­ zame temidden der mensen, zoals Jezus stond en nog staan zou, als hij nu leefde.

Bij de veelvuldige onderlinge aanraking van verschillende kulturen bot­ sen normen tegen elkaar, vloeien door elkaar en er ontstaan allerlei moei­ lijkheden en konflikten. Wat voor de één recht is, kan heel goed voor de (158) ander het diepste onrecht zijn. Wat de ene mens als zedelijk goed aan­ prijst, wordt door de ander als zedelijk verwerpelijk afgekeurd. Of­ schoon niemand voor deze feiten blind kan zijn, gaat men maar door met onwerkelijk en schimmig gefilosofeer over het Recht met een hoofd­ letter en over Goed en Kwaad met hoofdletters. Iedereen schreeuwt om gerechtigheid, maar er bestaan zeer uiteenlopende opvattingen over wat rechtvaardig en wat onrechtvaardig is. Er is geen sprake van een algemeen geldige, zedelijke norm. Elke groep heeft zijn eigen norm. Natuurlijk be­ tekent het vaststellen van dit feit niet, dat één universele norm voor alle mensen niet wenselijk zou zijn. Hoe meer de wereld tot een eenheid groeit, des te meer wordt een dergelijke universele norm zelfs noodzake­ lijk. Maar het is stellig niet het inzicht in die noodzakelijkheid, die deze norm geboren zou kunnen doen worden. De universele norm bestaat reeds eeuwen; hij funktioneert echter slechts in enkelingen. In het poli­ tieke leven van onze tijd funktioneert hij niet. De kracht van elke norm is afhankelijk van de diepte en intensiteit der verbondenheidsbeleving. Is het besef van en het gevoel van verbondenheid zwak dan zijn zedelijke opwekkingen waardeloos, indien de konkrete lotsverbondenheid of het besef ervan ontbreekt. Is die verbondenheid er wel, dan zijn zedepreken overbodig. Wanneer men preken noodzakelijk gaat achten, is er dus al iets mis. In onze tijd wordt veel gesproken over gemeenschap, broeder­ liefde, gerechtigheid, juist omdat ze in onze samenleving ontbreken. De meeste mensen in onze tijd denken en voelen nog volgens de primi­ tieve groepswet, die solidariteit eist naar binnen en vijandschap naar bui­ ten. Dat geldt ook voor de Christenen ofschoon het Evangelie van hen verlangt, dat ze hun vijanden zullen liefhebben. Het geweten van de meeste Nederlanders verzet zich niet tegen de aankoop, de aanmaak en het gebruik van de moderne, gruwelijke oorlogswapens, als zij dat voor de verdediging van het vaderland noodzakelijk achten. Het geweten van pacifisten echter verzet zich daar wel tegen. Wiens geweten is nu de stem van God? Is dit ene voorbeeld niet ruimschoots voldoende om duidelijk te maken, hoe onwerkelijk de fiktie is van een zedewet, die voor allen zou gelden? Een universele moraal zou wel kunnen ontstaan. Zij vloeit voort uit het gevoel van en het besef van universele verbondenheid. Maar dit besef leeft slechts bij enkelen en tot op heden verhieven en ver­ heffen deze enkelingen hun stem tevergeefs. Ondanks de kreet één wereld of geen wereld, blijven de naties tot de tanden gewapend tegen­ over elkaar staan en de nationale verbondenheid wordt doorkruist door meer of minder felle klassentegenstellingen. Als er klassen zijn, dan is er ook klassenmoraal; de bezitters kunnen niet dezelfde moraal hebben als de bezitlozen. Marx heeft de klasse-moraal niet gepredikt; hij heeft haar vastgesteld. Gepredikt heeft hij een universele mensheidsmoraal, maar hij wist, dat dit slechts werkelijkheid kon worden door opheffing van de nationale en de klasse-tegenstellingen. Hij verwachtte, dat het proletariaat door zijn overwinning op de bourgeoisie ekonomische ge­ lijkheid in zou voeren en de naties zou opheffen.

Maar dat is helaas niet gebeurd en het ziet er niet naar uit, dat de arbei­ ders van de moderne welvaartsstaat een dergelijke diep-ingrijpende om­ wenteling tot stand zullen brengen. Zij zelve zijn nu kleine bezitters ge­ worden en hebben een bezittersmoraal. Wie meer presteert, moet ook meer verdienen. Dat vinden de meeste mensen rechtvaardig. Maar het socialisme van Marx verwerpt deze bezittersmoraal en verkondigt het geven naar krachten en het nemen naar behoeften. Hoe zouden mensen (159) met een bezittersziel daarin kunnen geloven? In de klasse-maatschappij is het van het grootste belang, dat de heersende klasse haar moraal en haar recht aanvaard weet door allen. Daarom handhaaft men de fiktie, dat haar rechtsnormen algemeen geldig zijn. Ook al hebben noch de be­ zitters noch de bezitlozen er ook maar enig besef van, toch is elke justi ­ tie in een klasse-maatschappij een klasse-justitie, zijn de wetten klasse­ wetten en is het recht klasse-recht.

De bescherming van het eigendom is één van de hoofdtaken van de klas­ se-justitie. Maar in de gedachtenwereld van Marx is eigendom diefstal en dus immoreel.

Wanneer we klaarheid willen brengen in ethische vragen, dan komt het er op de allereerste plaats op aan de juiste vragen te stellen. De zedelijke verschijnselen als geweten, norm, schuld en wroeging moeten worden onderzocht zonder a priori van een of andere theorie uit te gaan. Dat is heel moeilijk bij een studie-objekt, dat de mens zo diep raakt, maar het is de enig juiste weg. De vragen, waarop het antwoord moet worden ge­ vonden, luiden dan:Waardoor zijn de zedelijke normen verschillend?

Hoe ontstaat een zedelijke norm?

Waardoor en hoe wijzigen zich de normen?

Hoe ontstaat het geweten en hoe funktioneert het?

Ik heb reeds gedeeltelijk antwoord gegeven op deze vragen, maar het is noodzakelijk er dieper op in te gaan. De scherpzinnige wijsgeer Emanuel Kant is er niet in geslaagd het ethi­ sche probleem tot een oplossing te brengen. Hij verklaart, dat in onze ziel de zedewet aanwezig is, waardoor we weten, hoe we moeten hande­ len. Hij noemt dat de kategorische imperatief. Hij vraagt zich niet af, waar deze dan vandaan komt. Hij is er “wie aus der Kanone geschossen! ” De absolute eis tot zedelijk handelen, aldus Kant, is in ons als een direkte uiting van Gods wil. Waar Kant heel goed weet, dat kennis nooit uitkomen kan boven de wereld der verschijnselen, konkludeert hij uit het bestaan van de kategorische imperatief tot het bestaan van God. Hier wordt dus de religie gegrondvest op de ethiek. God moet er wel wezen, zegt Kant, wie moet anders de deugd in het hiernamaals belonen? Op aarde wordt ze zeker niet beloond. Nietsche heeft de opvatting van Kant Trinkgeld­ moraal genoemd! Bij Kant is de religie bijna identiek met ethiek. Religie is volgens Kant de erkenning der zedelijke, Goddelijke geboden. Bij een Neo-Kantiaan als Cohen komt het dan tot een volledige identi ­ teit van ethiek en religie; volgens Cohen moet de godsdienst zich volledig in de ethiek oplossen. Bij Cohen en bij de zgn. radikale Christenen van onze dagen is het inzicht in de primaire betekenis van de relatie tussen mens en God verloren gegaan en beseft men niet meer, dat vervreemding van de mens van de Grond van zijn bestaan onvermijdelijk de vervreem­ ding van de medemens met zich brengt. Vele moderne humanisten zijn nog niet veel verder gekomen dan Kant, wat de ethiek betreft. Zij verklaren, dat de mens een ingeboren waarde­ besef heeft, dat zich dan uit in ethische, aesthetische en andere waarde ­ oordelen. Er is echter geen sprake van een ingeboren waarde-besef; het enige, dat aangeboren is, is de aandrift tot sociaal handelen. Er zijn geen pré-existente waarden; het is de mens, die waarden toekent. Er be-­ (160)

naar Hoofdstuk 5 vervolg2

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress