(GOD EN HET OEDIPUSCOMPLEX. vervolg2)
staat evenmin een Rijk der Waarden als een Rijk van het Kwaad of een Rijk van de dood. Opmerkelijk bij Kant is de tegenstelling tussen deugd en geluk. Al zegt hij dit niet nadrukkelijk, toch gaat Kant uit van een mensbeschouwing, die de mens ziet als in diepste wezen a-sociaal. De goddelijke geboden moeten dan de a-sociale gedragingen afremmen en indemmen. De mens moet om te spreken in de terminologie van Freud het lustprincipe opge ven terwille van het realiteitsprincipe. In deze visie komt de mens tot een morele handeling uit de dwingende noodzaak met anderen samen te moeten leven. Men moet zijn plicht doen, al brengt dit geen geluk. .F atsoenlijke mensen doen hun plicht, hun zure plicht. Hoe zuur die plicht ze valt, kan men aan hun gezichten wel zien. Het zijn deze plichts getrouwe en wetsgetrouwe fatsoensmensen, die Jezus gekruizigd heb ben. Want zij haten de mens, bij wie geluk en deugd één zijn. Jezus han delde niet op grond van voorschriften, plichten en geboden, maar vanuit zijn aandriften, schrijft William Blake. Men kan tegen een moeder zeg gen, dat het haar plicht is haar kinderen te koesteren, te verzorgen en te beschermen. Maar hoe dwaas is dat, want deze taak doet de normale moeder van uit haar diepste aandrift en het bevredigen van onze diep ste aandriften is geluk. Bij de moeder vallen dus geluk en deugd volledig samen.
Paul Tillich wijst er op dat de letter van de wet het leven doden kan. Hij doodt de natuurlijke vreugde tot en in het goede, doordat wat ons wordt opgelegd, als vijandig, als zuur wordt ervaren. Een krampachtig, angst gedreven geweten is het gevolg. Paul Tillich en William Blake begrijpen, dat de werking Gods in ons juist dan het grootst is, als wij verlost zijn van het juk der geboden en wetten. Hoe meer wetten, hoe meer dieven, zegt de wijze Chinees Lao Tse.
De Christelijke professor Barendse omschrijft ethiek als het zich bewust en vrijwillig richten naar een boven-individuele norm van behoren. Uit deze omschrijving blijkt duidelijk de volstrekte afwezigheid van enig in zicht in de onbewuste basis van het morele. Moreel handelen wordt op gevat als een bewuste wilsdaad. Nu is voor de protestantse Christen zede lijk handelen, handelen in gehoorzaamheid aan de wil van God. De boven-individuele norm is dan gegeven in Gods geboden. Die geboden worden niet als mensen-werk gezien, maar opgevat als onaantastbare en onveranderlijke zedelijke waarden. Ook Jezus Christus wordt gezien als de belichaming van Gods wil. Kwaad is dan alles wat in strijd is met leven en leer van Jezus, met de in Jezus zichtbare mensenliefde. Maar de visie op Jezus van Nazareth is ook binnen het Christendom heel verschil lend. Zelf zie ik in de Joodse profeet de ideale mens, maar de Christenen zullen deze opvatting van Jezus zeker niet aanvaarden. Jezus Christus en zijn leer bieden dus voor de opbouw van een algemeen geldige zede lijke norm maar weinig houvast. U moet in Jezus geen anti-militarist zien, zei eens een dominee tot mij. Militarisme en algemene mensenliefde zag deze theoloog niet als een tegenstelling. Er zijn vele Christenen van dat soort, helaas.
Alle mensen maken onderscheid tussen goed en kwaad; ze hebben dus alle morele gevoelens; ze hebben zedelijke waarde-oordelen; de mens is een sociaal wezen met bewustzijn. Bij de dieren ontbreekt normbesef, maar niet het sociaal instinkt en het sociaal gedrag. Ze gedragen zich zelfs dikwijls heel wat socialer dan de mens. Als de bijen overwinteren (161) in de kast, hangen ze in een dichte tros aan de bovenste raten, die het voedsel bevatten. Zij, die vlak bij de voorraad zitten, nemen een heel klein beetje en geven de rest door, zodat alle bijen hun deel krijgen. Stelt u zich de moderne mens in een dergelijke of overeenkomstige situa tie voor. De bovenste zouden dik en vet worden, maar de onderste zouden van de honger doodvallen!
Hoewel alle mensen waarde-oordelen hebben, zijn hun waarde-maatsta ven echter zeer uiteenlopend, hun normen verschillend. Nu mag men wel spreken van een ethisch besef als universeel mel!selijk verschijnsel, maar men moet dan inzien, dat dit ethisch besef bij de mens het tot be wustzijn gekomen sociale instinkt is. Moreel handelen mag nooit be schreven worden als een overschrijding van de eigen individualiteit, daar het morele juist een zeer essentieel element van de individualiteit is en geen wezens-vreemde faktor tegenover het individuele. Uiteraard kun nen ego-instinkten, ik-driften in botsing komen met de sociale aandriften. In de psycho-analyse wordt het geweten aangeduid met de term Ueber-Ich. De keuze van dit woord heeft aanleiding gegeven tot heel wat misver stand en tot fantastische, metaphysische spekulaties. Het geweten, of Ueber-Ich treedt op als aanklager; het zegt doe dit, laat dat, maar het is geen instantie boven het Ik, maar het sociale element in het Onbewuste, dat dan als stem van het geweten tot het bewustzijn doordringt. Het Ueber-Ich is dus een deel van het Es.
Het kinderlijk Ueber-Ich bevat de morele normen der ouders. De meeste ouders beschouwen de morele normen, die zij zelf weer van hun ouders hebben overgenomen en die zij op hun beurt op hun kinderen over brengen als onaantastbare Goddelijke geboden of als onveranderlijke, vaststaande morele normen. De gemiddelde mens toont weinig neiging de normen te relativeren. Waar moet het heen, als het niet meer onwrik baar vast staat, wat goed is en wat kwaad? Zo is men niet geneigd in te zien, dat alle normen bepaald zijn door en aangepast zijn aan de behoef ten van een bepaalde, historisch gegroeide maatschappelijke vorm. De invloed van de van de ouders overgenomen normen is buitengewoon sterk. De inhoud van het geweten ontstaat, doordat de oorspronkelijk uiterlijke geboden en verboden worden verinnerlijkt door het proces der introjektie. Het geweten kan nu funktioneren; het kan de niet tole reerbaar geachte gedragingen voorkomen. Lukt dat niet, dan ontstaan diepe onlustgevoelens, die aangeduid worden met woorden als schuld en wroeging. Men kan proberen de stem van het geweten te smoren, maar meestal lukt dan niet; het geweten blijft knagen. Wanneer iemand een financiële schuld heeft, dan kan hij die voldoen en daarmee is dan de schuld verdwenen. Een leven met een blijvend schuldgevoel kan niet meer normaal genoemd worden. Een normale schuld kan worden ver zoend, doordat we achteraf proberen goed te maken, wat we verkeerd gedaan hebben. Natuurlijk is dat heel dikwijls niet meer mogelijk. Dan komt de verzoening tot stand door vergeving. De opvatting de schuld te verzoenen door vergiffenis en niet door vergelding danken we aan het Christendom, wat niet wil zeggen, dat de Christenen deze opvatting huldigen. In onze maatschappij geldt de idee der vergeving niet, maar de idee van straf en vergelding. Maar Jezus sprak tot de overspelige vrouw: “Ga heen en zondig niet meer”. Hij legde haar geen straf op; hij liet haar geen boete doen; hij zei eenvoudig doe het niet weer. De Christenen van onze dagen zijn echter volmaakt gespeend van dit verheven Evangelische vertrouwen in de mens. De vergeving is geen ge- (162) nade, die men boven recht laat gelden, neen, de vergeving is zelf een recht! Vergeef het hun, Vader, want zij weten niet wat zij doen. Om dat zij niet weten, wat zij doen, daarom hebben ze recht op vergeving. Jezus bidt aan het kruis voor de vergeving van zijn beulen en moorde naars. Blijkbaar is het heel moeilijk voor de mensen uit dit grootse voorbeeld te leren, dat zij geen recht hebben om te vergelden en te straf fen.
Een mens kan ook gekweld worden door onbewuste schuldgevoelens. Daarbij kunnen verdrongen wensen sterker schuldgevoelens veroorzaken dan daadwerkelijk begane handelingen. Dan ontstaat de neurotische schuld, die altijd innig met angst verweven is. De psycho-therapeut kan dan niet volstaan met het bewust maken van het verdrongen schuldge voel; hij moet de patient ervan doordringen, dat hij schuldeloos is en dat hij meer lof dan blaam verdient, omdat hij het verkeerde, dat hij heeft willen doen, tenslotte niet gedaan heeft. Het traditionele Christendom heeft nog steeds een belangrijk aandeel in het ontstaan van deze schuld neurose, vooral het Christendom, dat de zonde overaccentueert en de kompenserende helft van genade en vergeving verwaarloost. En ook de radikale Christenen, die beweren Jezus te willen behouden, kunnen blijkbaar de moed en het vertrouwen niet opbrengen om Jezus op dit punt te volgen.
De zedelijke geboden leefden en funktioneerden in de ziel der mensen eeuwen voor zij als uiterlijke geboden werden geformuleerd en opge schreven. De moraal als geheel van uiterlijke geboden ontstaat als de na tuurlijke harmonie verloren is gegaan. De natuurlijke harmonie is verloren gegaan toen in de loop der geschiedenis de oeroude gemeenschappen werden stukgebroken. Als de mensen in staat zoudèn zijn om nieuwe, echte levens- en werkgemeenschappen tot stand te brengen, dan zou de natuurlijke harmonie vanzelf terug keren en uiterlijke geboden opnieuw overbodig worden. In een dynamische maatschappij is het onvermijdelijk, dat de vanzelfsprekendheid van de traditionele moraal wordt aangetast. Het zijn dan de enkelingen in wie dan na een weg van dwalen en lijden een nieuw normbesef ontstaat. Bij hen komt het uiterlijke gebod dan in botsing met de innerlijke stem. Een zelfstandig mens handelt naar eigen besef van goed en kwaad en gehoorzaamt niet slaafs aan uiterlijke gebo den. Niemand heeft ook het recht, dat van hem te eisen, integendeel heeft ieder het recht te handelen overeenkomstig zijn eigen geweten, ook als dit afwijkt van wat in zijn groep geldt als kwaad en goed. Want ook al is de onderscheiding van goed en kwaad buiten de groep feitelijk zin loos, toch is het geweten iets zeer individueels en is het niet raadzaam iets tegen het geweten te doen. Om samen te leven zijn echter gemeen schappelijke normen noodzakelijk. Men kan echter geen normen opleg gen, geen gemeenschappelijke normen bereiken door dwang. Op geen enkel punt is de ontmoeting in het gesprek zo moeilijk als op het gebied der normen. De mensen zijn met hun normen vergroeid; ze vinden ze vanzelfsprekend en zijn dan geschokt als blijkt, dat er andere mensen zijn met andere, dikwijls tegengestelde normen; een aanval op hun normen ondergaan ze als een aanval op hun persoonlijkheid. En dat is het ook inderdaad; wanneer iemands normen zich wijzigen, wijzigt zich zijn ganse persoonlijkheid. Maar wie gemeenschappelijke normen wil, mag de ontmoeting met de ander niet uit de weg gaan. De afbrokkeling der normen is het wezenskenmerk van de kultuurkrisis. De meeste ouderen van onze tijd slepen de verouderde normen als een (163) enorme ballast met zich mee, want zij passen niet meer in een samen leving, die in een zo snel tempo ingrijpende veranderingen ondergaat. Vele jongeren komen me stuurloos voor; ze lijden aan verzwakte normen of normenloosheid, in ieder geval aan grote, innerlijke morele onzeker heid. Hoe machtiger de sociale aandrift in hen werkt, des te pijnlijker is deze morele onzekerheid voor hen; twijfel aan wat goed is en wat kwaad, werkt verlammend. De jongeren willen echter aktief zijn en de onzeker heid wordt verdrongen, maar verraadt zich door krampachtigheid en fanatisme. Wie zou niet hopen, dat het de jongeren van onze tijd gelukken zal een nieuw normbesef op te bouwen? Met mijn boek wil ik ze helpen. Het is alles wat ik voor ze doen kan. (164)