OPENBARING EN WEDERGEBOORTE.
De godsdienstwetenschap houdt stil voor het begrip openbaring, aldus professor Heering. En vrijwel alle theologen vallen hem bij. Ik zal er echter niet voor stilstaan. Want al blijft de bron der openbaring, het Transcendente ook verborgen, de openbaring zelve als doorbraak van dit Transcendente in het bewustzijn van de mens is een psychisch pheno meen en de godsdienstpsychologie kan en moet er zich mee bezighouden. Maar de Kerk heeft de openbaring als historia sacra principieel afgeschei den van de wereldgeschiedenis. De openbaring breekt dan vanuit een Totaal Andere werkelijkheid in het gewone leven door. Uiteraard volgt hieruit, dat J ezusin wiens persoon de openbaring zichtbaar is geworden geen mens is, maar een hemelwezen, de vleesgeworden Logos van het Johannes-Evangelie. De beide naturen van Jezus, de menselijke en de goddelijke, hebben dan niets met elkaar gemeen. Volgens Karl Barth is Jezus de enige bijzondere openbaring van God. Er bestaan geen andere openbaringen; ze hebben nooit bestaan en zullen nooit bestaan. Alle Religion ist Unglaube, durft deze door vele Christenen verafgode duister ling zeggen. Maar nog erger dan dit benepen en stuitende exclusivisme is de opvatting, dat er geen enkele weg is van de mens naar God. Deze gedachte vindt men bij Augustinus, bij Luther, bij Calvijn en bij Karl Barth. Wel is er een weg van God naar de mens, maar de mens zelf kan niets anders doen dan rustig afwachten of God hem de genade schenken zal en hem opnemen in de rij der uitverkorenen. Maar al is openbaring het tot stand komen van de relatie met het Transcendente vanuit dit Transcendente, wil dat toch geenszins zeggen, dat deze relatie niet ook van de mens uit tot stand gebracht zou kunnen worden. Een andere onaanvaardbare gedachte is het dogma der woordelijke in spiratie. De schrijvers van het Evangelie zijn de sekretarissen van de Heilige Geest. De Geest dikteert; zij schrijven het op. Ook bij de Joodse theologen vindt men deze gedachte. De profeten zeiden dan niet, wat ze zelf dachten, maar wat God hen voorzei. En de orthodoxe Islamiet is gehouden te geloven, dat Allah Mohammed de Koran in het oor fluisterde. En al deze theologen spreken van Godskennis. Het is voor de mens echter onmogelijk kennis van God te hebben. God is de Ondoor grondelijke. Hij spreekt niet tot de mens in woorden; Hij geeft geen voor schriften en geen wetten. Gods openbaring is krachtens zijn wezen woor deloos. Openbaring verschaft dus geen kennis. Openbaring brengt de relatie tot stand tussen het Ik en het Transcendente en de enige kennis, die daaruit voortvloeit is het diepe, intuïtieve weten, dat het Transcenden te werkelijkheid is. Maar volstrekt niets meer, geen enkele zgn. geloofs waarheid, die dan absoluut zou zijn. De zgn. geloofswaarheden zijn door de mens geformuleerd en dus niet volmaakt. Zij moeten niet alleen ge (190) ïnterpreteerd worden, maar ook wel herzien en soms opnieuw geformu leerd in een voor de mens van nu beter verstaanbare taal. Geen enkele her ziening tast de geloofszekerheid aan. Geloofszekerheid is het resultaat van het kontakt met het Transcendente; het is een stralend licht in het binnenste van de mens, dat door geen redeneringen en disputen kan worden gedoofd. De teksten en formuleringen, de leerstellingen en waar heden kunnen zeer schoon en juist zijn, zelfs verheven; zij kunnen veel waarachtige wijsheid bevatten, maar waar zij vorm geven aan Gods won dere, ondoorgrondelijke en onuitzegbare Werkelijkheid blijven zij stunte lig gestamel. Maar wie aangeraakt is door het Eeuwige kan niet zwijgen en zo spreek ook ik, al besef ik, dat ik stamel als alle anderen. Openbaring is een brug tussen het Absolute en het relatieve. Maar het Absolute is principieel onkenbaar, het openbaart zich woordenloos en zodra de formulering begint, doet onmiddellijk het aan tijd en ruimte ge bondene zich gelden. Toch kan het Absolute als zuiver gevoelde waar heid in ons zijn. Het is de mens echter niet gegéven deze toch zo volmaakt doorschouwde waarheid anders dan een onvolkomen gestalte te geven in woord, beeld of klank. De mysticus, die zich wil uiten, ondergaat dezelf de smart als de scheppende kunstenaar, die nooit vermag het innerlijk aanschouwde volkomen weer te geven. Openbaring is openbaring aan het bewustzijn. Het Transcendente breekt niet van boven af of van elders in – waar in hemelsnaam is dan toch dat boven of elders? – het breekt door in het bewustzijn vanuit het Onbe wuste, vanuit de kosmische Oergrond, waarin wij en al het zijnde, zijn geworteld. Het kan de mens overweldigen en hij zingt, schreeuwt, danst en uit onverstaanbare klanken. Zo zal het wel vaak gegaan zijn in de oer christelijke gemeente, als de Heilige Geest op de gelovigen neerdaalde en zij in tonge-taal begonnen te spreken. Zij meenden, dat de Heilige Geest van boven af op hen neerdaalde, ik zeg, dat Hij van onderop in hen om hoogrees. Paulus waarschuwde echter tegen het spreken in tonge-taal en zeide, dat het beter was vijf woorden te spreken met verstand dan dui zend in tonge-taal. Want de mens vermag zijn overweldigende ervaring te dwingen in het gareel van zijn scheidend en onderscheidend bewust zijn en aldus verstaanbare taal voort te brengen, al lijdt hij daarbij ook hellepijnen, omdat reeds bij het begin van de allereerste gedachte de innerlijke volkomenheid van zijn vormloos beleefde waarheid wordt aan getast. En niet zonder verbijstering staart hij naar de door hem gescha pen vorm. Zo is dus het uitspreken, het neerschrijven, het gestalte geven altijd en onontkoombaar een verarming van de beleving, van de inner lijke aanschouwing. De openbaring kan dus wel gestalte krijgen in het woord, maar er nooit identiek mee zijn. Elke religie heeft haar diepste bron in openbaring. In beginsel is elk mens er toegankelijk voor. Van nature is elk mens een religieus wezen door deze ontvankelijkheid voor het Transcendente. Waar deze ontvan kelijkheid niet meer bestaat, waar het kontakt is verbroken, daar is spra ke van een ontwikkelingsstoornis en ontstaat de a-religieuse mens. Door de openbaring heeft de religieuse mens het evidente gevoel met het Trans cendente in verbinding te staan. Hij ontmoet God in zijn Onbewuste, in zijn eigen tijdeloze innerlijkheid. Alleen in de diepte van het eigen, per soonlijke leven kan openbaring tot stand komen en de mens met vreugde vervullen en in hem de aandrift wekken zich volledig aan het Transcenden te over te geven. En omdat de mens een sociaal wezen is, beseft hij tege lijkertijd, dat hij deze genadevolle openbaring niet voor zichzelf alleen (191) heeft ontvangen, maar dat hij geroepen is haar door te geven. Waar deze aandrift tot doorgeven van de openbaring heel sterk is, wordt het gevoeld als een roeping, waaraan gehoorzaamd moet worden. Zo ontstond de Joodse profeet. Openbaring is doorbraak van het Eeuwige in het tijdelijke. Maar het Eeuwige is altijd en overal aanwezig. Het verschijnt niet in de wereld, niet in het ding; het is er altijd in, want God is alomtegenwoordig. Het onzichtbare Eeuwige kan openbaar worden in het zichtbare, in elk zicht bare, in elk objekt en uiteraard ook in de mens. Want elk zijnde is af spiegeling van het Geheel, elk zijnde is deelgeheel en het Geheel is God. Maar God, het Absolute is oneindig en is het objekt en ook de mens niet eindig? Het objekt is eindig en oneindig tegelijk. Het objekt is de golf, het Absolute is de zee. In de diepte zijn golf en zee één. Wie dat niet ziet, is blind. Maar zonder openbaring kan men dat niet zien en dan kan men van de menselijke existentie ook niets begrijpen. Want deze existen tie kan alleen verstaan worden als men inziet, dat zij oprijst uit de duis tere, bodemloze en oeverloze oceaan, die God is. Van een Totaal Andere God kan de mens geen openbaring hebben, maar de God, die zijn eigen diepste Grond is, waaruit zijn existentie opbloeit, die wezensgelijk aan hem is, deze God kan openbaar in hem worden door in zijn bewustzijn door te dringen. En dan herkent hij het Eeuwige in elk objekt. Het is een emotionele, intuïtie
ve, vreugdevolle herkenning. Het Eeuwige straalt door het tijdelijke objekt heen en daardoor krijgt het glans. Dan wordt het tijdelijk-ruimtelijk begrensde niet meer als wezenlijk ervaren. En men weet, of zou kunnen weten, dat het Eeuwige niet achter het ding is, dat het niet verborgen in het ding is, dat het niet iets totaal anders dan het ding is, maar dat het het ding zelf is. De identiteit van de zijnden met het Transcendente is doorschouwd! De identiteit van de mens met het Transcendente is doorschouwd! En de ziel stroomt vol gloeiende vreugde. Zij wordt als een tempel, waarin de duizend lichten der Eeuwigheid stralen. Moge toch dat heilige licht in mij blijven. Want ik ben wel bevreesd. Ik ben bevreesd voor en vol afkeer van deze ontheiligde wereld, waarin ik leven moet en die altijd klaar staat een domper te zetten over mijn glanzende vreugden, een stinkende zak te trekken over mijn hoofd en het heilig licht te doven. Openbaring is onthulling van het verborgene. Maar deze onthulling is toch niet zo ongewoon, behoeft dat althans niet te zijn. God is immers aanwezig in de diepte van elke mensenziel. Het afgesloten zijn van God is niet het gewone, niet het natuurlijke. Integendeel, het is abnormaal en onnatuurlijk. Het verborgene behoeft niet verborgen te blijven; het dringt naar omhoog. Maar waarom breekt het dan zo zelden volledig door? Het ondoorgrondelijke is het gevolg van onze vanzelfsprekende menselijke beperktheid, maar het verborgene is het gevolg van onze af geslotenheid. Deze afgeslotenheid is niet eigen aan het mens-zijn! Maar de mens sluit zich af en wil het Eeuwige niet in zich toe laten. Hoort Silezius: “Schrei niet tot God omhoog; gijzelf zijt Zijn Fontein! Sluit ge niet de uitgang af, Zijn stroom zal in U zijn.” God, gaarne wonend in een menselijk zielehuis, Klopt telkens bij u aan; och, vond Hij u eens thuis! ” (192) Maar er is een weg van de mens naar God. Langzamerhand is de mens echter zo in zijn eigen Ik opgesloten, dat de verbindingen met het Transcendente verstopt zijn geraakt. De stroom kan niet doorkomen. En de poorten van de neurotische hel zijn van binnen gesloten. Ieder mens kan ze dus alleen zelf openmaken. Maar dat lukt hem nooit, als hij niet de aanwijzingen volgt van hen, bij wie de poorten open zijn. Zulke mensen zijn er altijd geweest en zij zijn er nog! Zij zijn de midde laars. Zij moeten hen helpen, die de persoonlijke openbaring niet ken nen. Zij onderscheiden zich niet wezenlijk Van de andere mensen, maar zij hebben het gevoel voor het Transcendente in versterkte mate. Daar door kunnen zij middelaar zijn. Geheel open voor de openbaring is hij de religieuse opvoeder bij uitnemendheid. Hij kan een ziener zijn of een heilige of een profeet.
Wie de persoonlijke openbaring wel kent, ervaart dit als een genade, als een geschenk zonder enig verband met persoonlijke verdienste. Streven naar zedelijke volkomenheid is geen weg naar het Transcenden te, maar is het natuurlijke gevolg van de doorbraak van en het innige kontakt met het Transcendente. Bij vele protestanten, bij Luther en Calvijn, leeft het besef, dat goede daden de mens niet nader brengen tot God. Ze hebben daarin ongetwijfeld gelijk. Maar dat is geen reden om te beweren, dat de grendels helemaal niet geopend kunnen wor den, dat er geen weg is van de mens naar God! Zeker, de mens, die de persoonlijke openbaring kent, is een uitverkorene. Hij mag het zo voelen. Maar, wee hem, als hij het daarbij laat. Het licht is hem niet ge schonken voor hem alleen; hij moet het uitdragen. Als hij dat niet doet, als hij zich alleen of met een kleine groep afsluit van de anderen, de verdoemden, dan slaat zijn gave om in haar tegendeel en het hem ge schonken licht wordt tot diepe duisternis. En dat is helaas bij vele Kalvinisten het geval. Volgens de Bijbel heeft God zich zeer in het bij zonder geopenbaard aan het Joodse volk en daardoor zou speciaal dit volk een uitverkoren volk zijn. Nu zijn uit het Joodse volk inderdaad enkele uitzonderlijke mensen voortgekomen, waarvan men terecht zeggen kan, dat zij onder invloed van goddelijke openbaring hebben ge sproken en gehandeld. Maar er is geen sprake van, dat het gehele volk aan die openbaring deel had. Het grootste deel van het Joodse volk stond afwijzend tegenover zijn eigen profeten en dat is zo gebleven tot op de huidige dag. Joden en Christenen vereren slechts dode profeten. Levende profeten zouden zij hoogstwaarschijnlijk niet eens herkennen, laat staan erkennen.
In het verschijnsel der openbaring heeft de ontmoeting plaats tussen God en mens. Geloof is het resultaat. Het zich bewust worden van het Trans cendente is de geboorte van het geloof. Vanaf dit moment weten we: wij, mensen zijn niets zonder God; we leven in, uit en tot Hem. En dit leven vanuit het geloof is geen privilege van welke godsdienst dan ook. De hunkering naar een leven in harmonie met het Transcendente is uni verseel. Al mag een mysticus zich van deze diepste drang der mensheid veel meer bewust zijn, tenslotte leeft deze hunkering naar Goddelijke harmonie in elk mensenhart, al is dat meestal diep verborgen. Maar ook de mysticus is niet altijd en permanent van God vervuld. Ook bij hem houdt de stroom wel eens op te vloeien. De afwezigheid Gods veroor zaakt bij de mysticus diepe wanhoop; de leegte dompelt hem in ramp zalige ellende en het leven wordt ondragelijk voor hem. Wat voor verschrikkelijks is er toch met de mens gebeurd, dat zelfs zij, (193) die weet hebben van Gods heerlijke Werkelijkheid Hem toch kunnen ver liezen? Het heeft zin naar de oorzaken te vragen en te speuren en het is misdadig te zeggen, dat er geen weg is van de mens naar God.
Ik herinner me een oud verhaal, waarin verteld werd van een vroom Christen, die gekweld werd door de onbegrijpelijkheid van het dogma der Heilige Drie-eenheid. Hij deed niets anders dan daar over nadenken. Eens wandelde hij op het strand en zag een klein jongetje, die met een mossel schelp naar de zee liep en probeerde de zee leeg te scheppen in zijn emmer tje. Dat zal je nooit lukken, jongetje. De zee is immers veel te groot. “Maar het jongetje was een door God gezonden engel en het antwoordde: Ik zal er toch eerder mee klaar zijn dan u met de oplossing van het pro bleem der Heilige Drieënheid.” Maar ik heb dit probleem op mijn wijze opgelost. De overloze oceaan, de grondeloze diepte in ons, dat is de Va der, waaruit al het zijnde wordt geboren. De kracht, die vanuit deze diep te in ons doorbreekt is de Heilige Geest. En wie vervuld is van de Heilige Geest, is vervuld van de Vader, is een kind van God, is Gods zoon. En deze drie zijn waarlijk één. Maar om tot dit inzicht te komen, moet men weten dat God en mens wezensgelijk zijn.
Voor de orthodoxe Christen is de openbaring van God in Jezus Christus niet herhaalbaar. Hoe Jezus volledig mens kan zijn en toch God, wordt tot een onoplosbaar en onbegrijpelijk probleem, wanneer men uitgaat van een Totaal Andere God. Maar wanneer een mens met zijn gehele wezen in de juiste relatie tot God staat, dan is hij de belichaming van het gestalteloze Goddelijke in een mens, dan is hij één met het Goddelijke, dan is hij God! Bij Jezus van Nazareth, zoals zijn gestalte te voorschijn treedt uit de Evangeliën, moet dit stellig het geval zijn geweest. In poten tie is dit echter bij elk mens mogelijk, hoe zeldzaam het in werkelijkheid ook gebeurt. Het ligt in de natuur van de mens, dat hij lief kan hebben en bemind kan worden. En het ligt in zijn natuur, dat hij de Heilige Geest ontvangen kan en daardoor in de juiste relatie met God kan treden. En het enige zinvolle gebed luidt, zoals het staat in een of andere psalm: “God, neem toch Uw Geest niet weg van mij! “.
Ik zal duidelijk maken, dat de verwerping van het Christelijk exclusivis me geen enkele wezenlijke waarde van het Evangelie aantast en dat het geen verloochening betekent van het openbaringskarakter van het Evan gelie. Voor de innerlijke ervaring van Gods werkelijkheid is de mens trouwens niet uitsluitend aangewezen op de Bijbel noch op enig ander heilig Boek. De mysticus heeft onmiddellijk kontakt met het Eeuwige buiten alle boeken om. De mystiek is naar zijn wezen afkerig van alle dogmatiek, zoals de dogmatikus afkerig is van alle mystiek. Waar de theologie scheidt, verenigt de mystiek. De mysticus staat niet noodzake lijk buiten, laat staan tegenover het Evangelie. Hij behoeft ook niet de a-sociale trekken te vertonen van de Indische kluizenaar, die zozeer ge speend is van sociale bewogenheid. De universele, tijdloze, verstilde, naar binnen gerichte vroomheid van de mysticus kan heel goed gepaard gaan met het hartstochtelijke, actieve voortgestuwd zijn van de profetische vroomheid. Kontemplatie en aktie behoeven elkaar niet uit te sluiten. Kontemplatie zonder aktie kan a-sociaal zijn, maar handelen zonder kon templatie is handelen in den blinde. Maar de profeet trok naar de woes tijn, gehuld in een kemelsharen kleed en hij voedde zich met sprinkhanen. (194) Hij bereidde zich voor op zijn taak in de wereld en hij keerde na een tijd van kontemplatie in die wereld terug. Daarom stel ik de Joodse profeet boven de individualistische kluizenaar. Beiden mogen de weg zoeken naar een juiste relatie met God, de kluizenaar denkt slechts aan zijn eigen zieleheil, de profeet echter keert terug tot de mensen. Daarom wil ik mij met de Joodse profeet bezig houden.
Elk beroep op de mens om zichzelf tot in zijn kern te herzien en zich los te maken uit zijn Ik-gebondenheid is een poging tot bekering, een op roep tot wedergeboorte. Er is een groot verschil tussen iemand bekeren en iemand overtuigen. Het overtuigen is altijd partieel. Ik wil iemand overtuigen, dat zijn inzicht op een bepaald punt fout is en trach t hem met redelijke argumenten tot een ander inzicht te brengen. De bekering echter is gericht op de kern van de mens, op de gehele mens. De beke ring tast de oude levensstijl aan en vervangt deze door een nieuwe. In zijn nieuwe levensstijl voelt de mens zich dan als herboren; hij heeft zijn oude huid afgelegd en is waarlijk nieuw geworden. En zijn nieuw heid vervult hem met overweldigende vreugde. Het verlies van oude, vertrouwde Godsvoorstellingen leidt eerst tot diepe droefheid, tot wan hoop en vertwijfeling zelfs. Daarom is er geen bekering zonder weer stand. Maar de weerstanden moeten worden ontdekt en overwonnen. Gemakkelijk gaat dat zeker niet; er is een grote innerlijke worsteling voor nodig. Wie de moed niet op kan brengen om zijn oude huid af te werpen en daardoor kwetsbaar en onzeker te worden, die zal in zijn oude huid verdorren. Want om te stijgen, om wedergeboren te kunnen worden, moet men eerst afdalen in de diepten der wanhoop. De verandering, die wedergeboorte genoemd mag worden, moet men zich vooral niet te acuut, niet te plotseling voorstellen. Meestal voltrekt zich de verandering heel geleidelijk, vaak in het verloop van vele jaren. Zelfs in de zeldzame gevallen van akute bekeringen is er toch sprake van een langzame voorbereiding. Die voorbereiding voltrekt zich dan grotendeels in het onbewuste. Paulus, op weg naar Damascus, was al door Christus bekeerd. Hij wist het alleen nog niet. En toen had een plotselinge doorbraak plaats in zijn bewustzijn. Ik kan me best voorstel len, dat deze hartstochtelijke en verbeeldingrijke Jood Jezus in levende lijve voor zich meende te zien staan. Een meer of minder plotselinge doorbraak kan ook het gevolg zijn van een traumatische ervaring, waar door het vertrouwde wereldbeeld instort. De bekering komt dan tot stand door een shock. Heel vaak zijn echter die snelle bekeringen niet diep verankerd. Zulke mensen, wier innerlijke zekerheid niet zo erg sterk is, omdat ze niet wezenlijk veranderd zijn en ze maar al te gemak kelijk tot bekering zijn gekomen, worden heel gauw fanatici, geneigd iedereen te verdoemen, die niet bekeerd is.
De waarlijk wedergeboren mens voelt zich als ontwaakt. De ontwaking bestaat uit zich nu innerlijk gericht weten op het Transcendente. Het tijdelijke wordt dan vaak beleefd als schijn, begoocheling, gevangenis, valkuil. Dat kan de wedergeboren mens ertoe brengen zich af te keren van het leven. Maar dan gaat hij een verkeerde weg. Hij moet leren het Transcendente te onderkennen in het tijdelijke. Als hij inziet, dat het tijdelijke en het Eeuwige in wezen één zijn, kan hij vol vreugde tot het tijdelijke terugkeren zonder zijn gerichtheid op het Eeuwige prijs te geven. In een boeddhistisch geschrift vond ik het volgende: (195)
“Wie geen geschriften heeft gelezen, voor zulk een zijn de bergen
bergen, de bomen bomen en de wateren wateren. Maar voor wie
geschriften heeft gelezen, voor dien zijn de bergen geen bergen,
de bomen geen bomen en de wateren geen wateren. Maar wie deze
geschriften geheel en al begrepen heeft, voor dien zijn de bergen
weer bergen, de bomen weer bomen en de wateren weer wateren.”
Het is beter de bergen, de bomen en de wateren lief te hebben zonder ge schriften te lezen dan door het lezen van geschriften te vergeten, dat de bergen, de bomen en de wateren, er zijn om bemind te worden. Want wie de gestalten van het Transcendente verloochent, verloochent dit Trans· cendente zelve. Want de mens, als ruimtelijk en tijdelijk wezen, kan het Transcendente slechts liefhebben in de gestalten, die Het aanneemt. Door openbaring wordt het Eeuwige zichtbaar in het lichamelijke.
GEEN PLAATS VOOR PROFETEN.
Wie Evangelie zegt, zegt Jezus van Nazareth en Jezus is het kulminatie· punt van het profetische Jodendom. Dit Jodendom stond en staat nog steeds tegenover het wettische, formalistische, theokratische Jodendom. Het is het geestesprodukt van een uiterst kleine elite en zeker niet van een heel volk. Geweldig groot is de afstand altijd geweest, die het Joodse volk scheidde van zijn profeten en die afstand is in de loop der eeuwen geenszins kleiner geworden. We zijn er van overtuigd, dat zelfs de volge lingen en discipelen van Jezus hem niet altijd begrepen. Steeds opnieuw verwonderden zij zich zeer over hem. Het was niet allereerst zijn taal, maar het was zijn levenshouding, waarvan de quintessens hen ontging. En ook de gemiddelde mens van onze dagen, Christen of niet-Christen, staat innerlijk vreemd, zonder geloof, aarzelend en feitelijk afwijzend tegenover Jezus en zijn Evangelie. Wie toch waagt het de weg te gaan, die hij met zo onmiskenbare duidelijkheid heeft gewezen? Vervorming en ombuiging van zijn verheven leer tot een voor de gemiddelde mens aanvaardbare en praktisch bruikbare ideologie was onvermijdelijk. Dit overkwam trouwens niet alleen het Evangelie. Het Boeddhisme van Siddharta Gautama, het Taoisme van Lao Tse, het Socialisme van Marx, ontkwamen evenmin aan deze blijkbaar onontkoombare neergang.
In hoofdstuk 18 van het boek Deuteronomium vinden we een aantal wetten, die het profetisme poogden te regelen door onderscheiding van echte en valse profeten. De maatstaf was zeer simpel. Wiens voorspel ling niet uitkomt is een valse profeet. Deze merkwaardige wetten heb· ben betrekking op een groep mensen in het antieke Israel, wier beroep het was, de toekomst te voorspellen. Men wendde zich tot de beroeps profeet om inlichtingen over verloren geraakte dieren of voorwerpen. Tegenwoordig hebben de talloze psychometristen deze funktie overge nomen. Uiteraard waren deze beroepsprofeten voorspellers van voor spoed, geluk, redding en overwinning. Daarvoor werden ze betaald. De beroepsprofeet is de profeet, die brood eet. Maar de grote pro feten van het Oude Testament hadden met dezulken niets te maken. Amos distantieert zich nadrukkelijk van hen. In Sauls tijd leefden de Kanaänietische profeten in rondtrekkende groepen; door muziek, krui den en dans brachten zij zich in een extatische toestand en stieten dan (196) allerlei onverstaanbare klanken uit. Het Hebreeuwse woord voor profeteren betekent tekeer gaan, razen. De ware profeet echter danste niet en raas de niet. Hij sprak bij volle bewustzijn en zijn taal was duidelijk en niet vatbaar voor tweeërlei uitleg. Maar men luisterde waarlijk niet met genoe gen en instemming naar hem. De ware profeet is niet hij, wiens voorspel ling uitkomt, maar die het volk de juiste weg wijst, aldus Jeremia. Het doel van de profeet is niet de mensen de zekerheid te geven, dat ze na de dood in de hemel komen, maar ze de zekerheid te laten voelen van de aanwezigheid Gods in dit leven, hier en nu.
De figuur van de Joodse profeet is in de geschiedenis der mensheid een uiterst opmerkelijk en enig verschijnseL Men vindt een dergelijke figuur nergens buiten Juda. In de landen, die beheerst werden door de God koning-idee en dat waren alle grote rijken rondom Juda, was een derge lijke figuur ondenkbaar en onbestaanbaar. Want daar was het de koning, die als zoon van God, middelaar was tussen God en de mensen. De Joodse koning echter was geen Godkoning; het koningschap had bij de Joden geen sakraal karakter; het ontstond uit militaire noodzaak en de koning bleef steeds wereldlijk heerser. De anti-monarchistische en anti despotische verwerping van de Godkoning-idee was een typische trek van de Jahvistische godsdienst. De demokratische woestijntradities ble ven bij een deel van het volk steeds levend, vooral bij de sekte der Recha bieten, voor wie Amos veel sympathie had. In zulk een land, bij zulk een volk kon een man opstaan, een doodgewone leek, soms met, soms zon der veel ontwikkeling, en spreken uit naam van God. Volgens de Talmu dische opvatting zegt de profeet niet wat hijzelf denkt, maar het woord des Heren wordt hem in de mond gelegd. Ik meen voldoende duidelijk gemaakt te hebben, hoeonmogelijk zoiets is. Niet uit den Hoge daalt de profetie, geformuleerd en al, neer in het bewustzijn van de profeet, maar zij stijgt vanuit de diepte van zijn eigen ziel in hem omhoog.
“De Heer sprak tot mij, zeggende … “. Dit was de vorm, waarin de pro feet zich beriep op God. “Nu zal ik mijn wachtpost betrekken”, aldus de profeet Chabakoek, “en op de uitkijk gaan staan om te zien, wat Hij in mij spreken zal”. In mij, zegt Chabakoek, die blijkbaar heel goed weet, waar hij Gods stem hoort. Bij Hosea zijn de woorden van de pro feet zelfs geheel en al geïdentificeerd met die van God. En deze Gods gezant was geen koning, geen priester, geen schriftgeleerde. Hij had geen getuigschriften en geen wettelijke bevoegdheid. Hij was geen theo loog; hij bestudeerde God niet, hij zocht Hem zelfs niet. God zocht hem. Hij was een veeboer als de ruige Amos of een timmerman als Jezus, de Nazarener. De profeet is de door God gegrepene. Gods vuur brandt in zijn ziel en hij wordt voortgezweept om de strijd op zich te nemen voor Gods Koninkrijk, heel alleen, tegen de hele wereld. De profeet spreekt omdat hij moet, want God heeft hem opgedragen het onmogelijke te volbrengen en hij gaat met ontembare wilskracht, in gelovige gehoorzaam heid, bereid tot lijden, ondergang en dood, opdat Gods Koninkrijk kome. In de neergang der tijden, voorvoelend de naderende katastrofe, trad hij op als dreigende boetprediker én als verkondiger van het heil. Maar geen vreugde en verwachting wekte hij bij zijn hoorders, geen blijde instemming. Integendeel, ergernis en verontwaardiging, onrust en angst, woede en haat laaiden op bij zijn verschrikkelijke en meedogenloze taal. Want waarlijk zijn woorden zijn als verbrijzelende hamers en als verzen gend vuur. Schriftgeleerden en priesters zijn vastgekuisterd aan leer en wet en rituaal en Tempel. De profeet veegt, voortgejaagd door Gods (197) kracht, wet, leer en Tempel voor zich uit als kaf. En de hogepriester roept wee, wee en verscheurt zijn opperkleed. Onrust brengt de profeet, waar hij verschijnt. Hij staat de mens niet toe, zich tevreden te stellen met een van God afgekeerd en dus zondig en onwaardig bestaan. Hoe dringen zijn vlammende woorden als pijlen in het hart en veroorzaken pijn, angst, toom. De profeet weet het. Zij zullen hem doden. Hoezeer leed de zo zachtmoedige Jeremia, die zijn volk zo liefhad en het toch niets anders zeggen mocht dan het verschrikkelijke Jeremi Jah, dat is: God heeft verworpen en niets kan u meer van de ondergang redden.