Pantheïstisch Pleidooi

08/03/2009

Hoofdstuk 7 vervolg1

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 13:34

(OPENBARING EN WEDERGEBOORTE. vervolg1)

Ondanks zijn huiverende afkeer van de wrede aanraking der wereld, drinkt Jezus na luttele aarzeling, de smartbeker tot op de bodem leeg, een daad van opperste heldhaftigheid. Hier rijst de gestalte van een held omhoog, zoals de wereld nog niet eerder had gezien. Want de profeet is de ware Heros, die geestelijke kracht stelt boven physieke macht. Hoe nietig en stuitend is naast deze bijna bovenmenselijke moed de dapper­ heid van de met handgranaat en geweer gewapende soldaat. Kan men zich Jezus voorstellen met handgranaat en bajonet strijdend voor het Koninkrijk der hemelen? Wie zich waarlijk tot Jezus heeft bekeerd, heeft afgedaan met de barbaarse strijdmiddelen der wereld, wat de ge­ volgen daarvan ook mogen zijn. Want het Evangelie kent maar één methode, de methode der liefde en wijst alle andere resoluut af. De profeten spraken met absolute zekerheid, religieuse zekerheid. De profeet is geen politieke hervormer; hij is geen politikus, laat staan een diplomaat. Hij staat aan de kant van God, van het Transcendente, omdat hij dat moet. Hij kan niet anders. De profeten waren niet de politieke, maar de geestelijk-zedelijke leiders van hun volk. Zij konden geen politieke leiders zijn, ook niet als hun inzicht daartoe toereikend was, omdat zij afwijzend stonden tegenover elke machtsvorming. En zonder machtsvorming is politiek onmogelijk. Daardoor vooral werden zij als wereldvreemde dwepers beschouwd door de politieke en militaire machthebbers hunner dagen en door de politieke en militaire macht­ hebbers van onze dagen, ongeacht of deze zich Christenen noemen of niet.

Jesaja en Micha waren tegen de invoering van paarden en wagens. Niet op paard en wagens, maar op de Heer moet ge vertrouwen, aldus spraken zij. De “politiek” van Jeremia, de houding van eenvoudig niet vechten, beschouwden de leiders van Juda als waanzin. Jeremia was in hun ogen een landverrader en een defaitist. Nebukadnezar beschouwde hem als een bondgenoot. Hij was noch het één noch het ander. De lijdende knecht Gods was hij, die tegen alles en iedereen in de juiste weg wees, die zeker niet leidde naar overwinning met de wapenen, naar behoud van macht en rijkdom, maar die leidde naar God. Zo waren de profeten zeer tragische, eenzame figuren; zij waren misschien niet altijd van grote zedelijke volmaaktheid, maar zij waren allen buitenstaanders. En in onze dagen is een profeet niet minder eenzaam, niet minder een buitenstaan ­ der en zijn stem verdrinkt in de onophoudelijke stortvloed van waarde­ loze woorden, die de wereld dagelijks over ons uitgiet. Na. ruim twee­ duizend jaar is er nog steeds geen plaats voor profeten. Verreweg de meeste Christenen van onze dagen vereren slechts profeten, die goed dood zijn.

De tegenstelling tussen de priester, die krachtens beroep en wijding God vertegenwoordigt en de profeet, de leek, die zich uitsluitend beriep op (198) Gods stem werd in de loop der geschiedenis der Joden steeds feller, voor­ al als de priester ook wereldlijk heerser is geworden. De tegenstelling kulmineert in het konflikt tussen Kajaphas en Jezus van Nazareth. Het is het konflikt tussen de vrije, zelfstandige persoonlijkheid en het gezag van kerkelijke en wereldlijke kollektiviteiten. Theoretisch moge in de westerse wereld de idee der vrije persoonlijkheid gewonnen hebben, maar bitter droevig is de praktijk. Hoezeer hinkt de westerse mens op twee gedachten en probeert hij God en de Mammon tegelijk te dienen. En hoe zwak staat hij daardoor tegenover de zedelijk verwerpelijker, maar konse­ kwenter totalitaire machten. Ook in onze dagen is het gezag van priesters en wereldlijke heersers sterker dan de invloed van profeten. De profeet van onze dagen toornt tegen de moderne afgoden, de Staat en de Kerk, het wereldlijk koningschap, macht en geweld, Bezit en Geld, tegen de Natie en tegen een zielloze welvaart. Maar hij toornt tevergeefs. En zo moest Bernard Shaw in zijn toneelstuk St. Joan, het schoonste van al zijn stukken, J eanne wel laten uitroepen:

,,0, God, wanneer zal Uw aarde rijp zijn om Uwe heiligen te ont­
vangen? Hoe lang nog, Heer? Hoe lang nog? “

HET EVANGELIE VAN JEZUS VAN NAZARETH.

Niemand van ook maar enige geestelijke importantie kan de figuur van Jezus negeren. Maar het is niet gemakkelijk hem te herkennen. De mede­ delingen over hem zijn fragmentarisch. De beschrijving van zijn woorden en daden is vermengd met vele legendarische en mythische elementen. En tenslotte is het beeld van een Joods profeet verduisterd onder in­ vloed van het Hellenisme. De persoon van Jezus, zijn uitspraken, zijn handelingen, kennen we slechts door de woorden der evangelisten en elke evangelist schiep zijn eigen Jezusgestalte. Tussen het optreden van Jesaja II en het optreden van Jezus ligt een profetenloos tijdperk van vijfhonderd jaar. Na Jesaja scheen het of het profetisme dood was, maar toen kwam het plotseling te voorschijn als een verblindend licht. De ar­ gumenten tegen de historiciteit van Jezus lijken mij weinig doorslag­ gevend; de latere opsiering met en toevoeging van legendarische, mythi­ sche en astrologische elementen vormen geen hewijs voor het onhisto­ risch karakter van de Jezus-figuur. Legende-vorming rondom historische, uitzonderlijke persoonlijkheden is een algemeen verschijnsel. Rondom Frederik Barbarossa, rondom Karel de Grote wemelt het van legenden en toch twijfelt niemand aan hun historiciteit. Wie aan die van Jezus twijfelt, moet ook twijfelen aan de profeten, die hem voorafgingen, want hij was vlees van hun vlees en bloed van hun bloed. En uitsluitend vanuit de geest van het Joodse profetisme kan hij worden begrepen. Zeker, hij komt niet voor in de annalen der kroniekschrijvers; de kro­ niekschrijvers zullen het grootste stuk onbenul vermelden, mits hij maar een gouden kroon draagt. Maar de drager van een doornenkroon merken zij niet op en zo zij hem al opmerken, achten zij hem niet ver­ meldenswaard. De evangelisten, die wel over hem schrijven, zijn geen historici, ook geen biografen, geen kroniekschrijvers, geen objektieve verslaggevers. Vol van zijn ontmoeting werden zij zijn verkondigers, zijn vurige propagandisten. De eerste Christenen brachten hun boodschap nog in overeenstemming met de karakteristieke trekken van de histori-­ (199) sche Jezus. Die trekken zijn herkenbaar. Zij vertonen een oorspronkelijke echtheid, frisheid en levendheid. En het zijn typisch menselijke trekken, die een zuivere mythische figuur niet heeft en ook niet hebben kan. We kunnen er echter zeker van zijn, dat de oergemeente Jezus woorden in de mond heeft gelegd, die hij niet heeft gesproken en daden heeft verteld, die hij niet heeft verricht.

Jezus stijgt ver boven zijn voorgangers uit, al treedt hij onmiskenbaar in hun voetsporen en de evangelisten begrepen van hem, wat zij begrijpen konden. Hoe minder zij daarbij werkelijk van hem wisten, des te meer konden zij van hem vertellen. In Marcus, het oudste evangelie, is Jezus nog geheel en al een mens, zij het dan ook een zeer uitzonderlijk mens. Maar Mattheus ergert zich reeds aan Marcus en bij hem wordt Jezus tot een volmaakt en volstrekt zondeloos wezen. In Mattheus is Jezus de Messias van Israel; in Lucas, dat men bijna anti-Joods zou kunnen noe­ men, is Jezus nadrukkelijk de Messias van de gehele mensheid en niet van Israel alleen. Bij Johannes is Jezus bijna een abstrakt-theologisch begrip geworden, de vleesgeworden Logos. Bij deze langzame mytholo­ gisering en theologisering ging tenslotte de tragische grootheid van de mens Jezus teloor. De evangelisten laten in hun propagandistische ijver Jezus allerlei wonderen verrichten. Zonder wonderen werd in die tijd geen Messias geaccepteerd. Maar wie aan al dit overbodig klatergoud behoefte hadden en nu nog behoefte hebben, waren en zijn blind voor het ware wonder van J ezus’verschijning. De leerlingen van Jezus trachten de identiteit vast te stellen van de historische Jezus met de K yrios, de verhoogde Christus, maar zij ergerden zich daarbij aan zijn onaanzien­ lijkheid, want hij had geen gezag, althans geen officieel gezag, geen titel geen opleiding, geen gestalte, geen zichtbare heerlijkheid. En het is dan ook geen wonder, dat velen hem niet herkenden. Maar Petrus herkent Jezus als de Messias enJezus antwoordt hem daarop:

“Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader,
die in de hemelen is.”

Wanneer ik die woorden nu vertaal voor onze moderne oren, dan luidt
deze uitspraak van Jezus:

“dat hebt ge niet geleerd uit boeken en geschriften; ge hebt het
niet van andere mensen gehoord, maar het is uit de diepste diep­
te van uw eigen ziel in u omhooggestegen en zo hebt ge hetzelf
ontdekt.”

Ondanks de hinderlijke opsiering van kleine, kinderlijke geesten, treedt zijn gestalte desniettemin stralend uit de evangeliën te voorschijn. Van het Evangelie neemt men geen kennis als van een of andere historische kroniek. Wie er kennis van neemt, kan veel moois en waars ontdekken, maar ook veel, dat dwaas en onlogisch is. Wie kennis neemt van het Evangelie kan het tot een zeer positieve, kritische waardering brengen, maar hij heeft Jezus niet ontmoet en kent hem derhalve niet. Wie Jezus ontmoet heeft, is tot in het diepst van zijn ziel geschokt en deze ziel werd binnenste buiten en onderste boven gekeerd. Hij heeft een onmete­ lijke afstand gevoeld, een duizeligwekkende hoogte gezien; hij heeft de stem gehoord, die maant tot navolging en hij raakt die st~!!! niçllI1J~eI~ kwijt. Hij moet volgen, omdat hij niet anders meer kan, want van deze (200) ontmoeting staart hij met diepe afkeer naar de oude, gevallen Adam, die in hem is. En zijn leven zou volstrekt ondraaglijk geworden zijn, was daar niet deze heerlijke belofte van een nieuw Adam in de verte. Wie Jezus ontmoet heeft, heeft de afgrondelijke diepte van ’s mensen val gepeild en tegelijk de mogelijkheid aanschouwd van een glorieuse op­ standing. En hij gaat, het stuntelige en armzalige van zijn pogen besef­ fend, desniettemin het moeilijke, smalle pad. In ootmoed gaat hij, val­ lend en struikelend, maar met volharding en vertrouwen de koninklijke weg van het Evangelie. Wat mij in vele Christenen zo intens tegenstaat, is de gemakkelijkheid, waarbij ze zich neerleggen bij hun zondige staat. Want dat is nu juist, wat Jezus ze verbiedt te doen. Maar begrijpelijk is de haat van de gevallen mens tegen de profeet.

“Hoe is deze zo goed, zo zuiver, zo schoon! Hij heeft niet het recht door zijn onverdraaglijke glans mijn eigen vuilheid, lelijkheid en ver­ lorenheid tot mijn bewustzijn te brengen! Laat hem sterven! ” En zo klonk de kreet der massa’s: “Kruisigt hem! “en werd Jezus vermoord. De enige kans van een levende Jezus nu om niet gedood te worden, is het doodgezwegen worden. Want als het Evangelie op de juiste wijze wordt verkondigd – en dat gebeurt vrijwel nooit dan roept het nu dezelfde ergernis, dezelfde angst en dezelfde haat op, die het eertijds heeft gedaan. De eisen, die Jezus stelt zijn zo radikaal, zo ab­ soluut, zo zonder enig kompromis, dat ze de bestaande kultuur onder­ graven en dreigen te vernietigen. En dat kan alleen aannemelijk zijn voor hen, die de bestaande kultuur fundamenteel afwijzen in een diep vertrouwen in de komst van het Koninkrijk.

Wie Jezus ontmoet heeft, is niet meer dezelfde mens als voordien en kan dat niet meer zijn. Hij is waarlijk anders geworden, nieuw geworden, wedergeboren, bekeerd tot Jezus. Maar helaas, de oude Adam in hem is daarmee nog niet overwonnen! Feitelijk behoeft men helemaal geen Christen te zijn om Jezus met zijn ganse hart lief te hebben. Het getui­ gen van deze hartverwarmende liefde voor Jezus zou voldoende moe­ ten zijn als belijdenis. Hoe weerzinwekkend is het beeld, dat de Christen­ heid biedt met haar verdeeldheid en haar onderlinge verkettering, haar waardeloze disputen over de leer. Kunnen voor de mens, die Jezus waar­ lijk heeft ontmoet, leerstellingen nog belangrijk zijn? Ligt dan niet juist in de ontmoeting met en de vurige liefde voor Jezus de kern van het Evangelie?

Was Jezus een God of was hij alleen maar een mens? Maar wat betekent dat woord mens? Welk mens is alleen maar een mens? Is dan niet elk mens voortgekomen uit Gods hand? Is niet elk mens Gods schepping? Is niet elk mens Gods kind en heeft daardoor niet elk mens iets van God in zich? Goed, de mens is van God afgevallen, is van God vervreemd. Dat is nog steeds waar. Jezus echter was niet aldus. Hij stond in de juiste relatie tot God en daarom draagt hij terecht de eretitel Zoon van God. Wie in de juiste relatie tot God staat, is één met God, is als God, is God. Vader en Zoon zijn één! Jezus is de zichtbare verschijningsvorm van het Onzichtbare. Zo is hij tegelijk mens en God, zoon van God en zoon des mensen. En daardoor is hij de ware mens, de eigenlijke mens, de ide­ ale mens. En deze ideale mens is geen onwerkelijke illusie, omdat hij in Jezus realiteit werd en in ons potentiële, nog verborgen, nog ongeboren realiteit is. Jezus is het voorbeeld ons ter navolging gegeven; wij kunnen het navolgen, hoe klein en onmachtig we ons ook meestal voelen. Want wie kent de diepte en het vermogen van Gods kracht, die in ons is? En (201) dus maant de roepstem: “Weest gij lieden dan volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is! “.

Hoe onnozel en onzegbaar kinderlijk is dat geloof aan de lichamelijke op­ standing van Jezus. Voor de moderne mens is er maar één aanvaardbare opstandingsidee en dat is die van Angelus Silezius:

“Al was de Christus duizendmaal te Betlehem geboren,

En niet in uw ziel, dan waart ge toch verloren.”

en deze spreuk:
“Vraagt gij, 0 mens, waar staat toch wel Gods troon?

Waar Hij zich in u wederbaart als Zoon! ”

Er is geen wezenlijk verschil tussen Jezus en de profeten. Er is geen we­ zenlijk verschil tussen de profeten en andere mensen. Want dan zou er van navolging geen sprake kunnen zijn. Het is niet uitzonderlijk, dat God handelt en spreekt door een mens. Hoe zou het anders kunnen? God kan immers niet zelf handelen en spreken. In het Evangelie wordt de grote afstand tussen God en mens, zo karakteristiek voor het Oude Tes­ tament, overbrugd in de gestalte van Jezus, de zoon Gods. En allen, die door de geest geleid worden, zijn zonen Gods, aldus Romeinen 8. Door het wezenlijk verschil met Jezus te poneren, werpt de kleine mens de bijna bovenmenselijke opgave van zich af en laat zich nu op passieve, bovenzinnelijke, mythisch-magische wijze door Jezus redden, door zijn bloed te reinigen. En wat uiterlijk, zichtbaar symbool behoort te zijn van een onzichtbaar, innerlijk, ingrijpend gebeuren wordt verlaagd tot magisch tovermiddel. Maar met het Evangelie heeft deze primitieve ma­ gie niets van doen. Een Christus, die niet aktueel is, is niet de ware Christus, zegt Paul Tillich terecht. Maar het is duidelijk, dat een Christus, die een God is en geen mens en wezenlijk van alle andere mensen ver­ schilt, de moderne mens niet meer aanspreken kan. Alleen als Jezus in wezen niet van andere mensen verschilt, dan eerst is zijn voorbeeld in­ spirerend en navolgbaar. De theologische Christus, de Here van het orthodoxe Christendom, is niet aktueel.

Primitieve volken beschouwen rampspoed als een gevolg van de al of niet verdiende toorn der Goden. Wanneer de rampspoed heel groot is en het onheil niet aflaat, trachten zij de toorn hunner Goden te verzoenen door offers, in het uiterste geval door het offer van wat hen het meest dierbaar is, hun eigen kinderen. Dikwijls vindt men de kinderlijke op­ vatting, dat de Goden offers nodig hebben en dat zij daarom regelmatig hun offerrantsoen moeten hebben. De Joodse profeten echter waren zeer beslist tegen het offer, zeker tegen het mensenoffer, tegen het offer van een onschuldige. Jezus kan zichzelf dus nooit als zoenoffer gezien hebben. Is een godsdienst, die Jezus’ dood ziet als een offer en rantsoen aan God, niet barbaars en primitief?

De oude afkeer der Rechabieten tegen alles wat Tempeldienst is, wordt bij Amos tot de eis van een beeldloze en offerloze godsdienst. Priesters eisen offers, speciaal materiële. Profeten eisen gerechtigheid en zuiver­ heid des harten. Op grote verzoendag laadden de antieke Joden al hun zonden op de rug van een bok en joegen deze bok daarna naar de woes­ tijndemon AzazeL In het officiële Christendom, meer Oudtestamentisch dan Evangelisch, wordt Jezus nu de vrijwillige zondebok, het offerlam, (202) het zoenoffer voor eens en voor goed. Primitief, volkomen in de magische sfeer, ligt de opvatting, dat dit offer schuld delgt, ook onze schuld. Voor de moderne mens is zulk een gedachte volstrekt onaanvaardbaar. Minder onaanvaardbaar is de gedachte van het plaatsvervangend lijden, althans indien deze gedachte betekent, dat Jezus het lijden op zich neemt, dat voortvloeit uit de schuld der onrechtvaardigen. De rechtvaardige wordt geslagen aan het hout. Dan kon niet anders zijn; dat is ook heden nog niet anders. De rechtvaardige gebruikt niet de middelen der onrecht­ vaardigen; hij kan geen onrecht doen, want dan is hij niet meer de recht­ vaardige. Zo draagt de rechtvaardige het lijden door de onrechtvaardigen veroorzaakt en hij draagt het met geduld, omdat hij weet, dat de on­ rechtvaardigen gaan in duisternis, dat zij niet weten wat zij doen en dat het hen uit dien hoofde moet worden vergeven. Het Evangelie eist van ons, dat wij liever onrecht lijden dan doen. En het lijden van Jezus delgt niet onze schuld, maar vergroot haar. Reiniging kan alleen tot stand ko­ men door bekering en bekering betekent wezenlijke bereidheid tot navol­ ging; wat helaas nog geen bekwaamheid tot navolging betekent.

De kern van de leer van Jezus is liefde. Liefde is het enige middel, waar­ door alle problemen worden opgelost en alle kwalen worden genezen. Hoe gering is het aantal Christenen, dat hierin werkelijk geloofd. Deze liefde erkent geen grenzen en scheidingen tussen de mensen; zij is uni· verseel. M.i. betekent dit echter niet, dat Jezus een onderscheidloze liefde heeft gepredikt. De konkrete liefde kiest; liefde zonder keuze is helemaal geen liefde. Wie meent allen evenzeer lief te hebben, heeft nie­ mand lief! De liefde van het Evangelie doorbreekt de grenzen van de groep, welke die groep ook moge zijn. Want er is maar één God en Hij is overal aanwezig. Alle mensen zijn Zijn kinderen; de ganse aarde is Zijn tempel; alle mensen behoren zijn priesters te zijn en zij behoren elkan­ ders priester te zijn. En ons gehele leven moet zijn als één lofzang op God, een aan God gewijde handeling. Het Evangelie predikt een wereld zonder tempels en zonder tempeldienst, zonder kerk en zonder priesters, zonder scheiding tussen het heilige en het profane. Want God is overal en in alles en niets van zijn schepping is profaan. Zeer, zeer hoog grijpt het Evange­ lie; desondanks is het niet onmogelijk, dat de eenvoudige Galileeërs, die Jezus volgden, meer van hem en zijn leer begrepen dan de Schriftgeleer­ den.

Leert het Oude Testament: “Hebt uw naaste lief als u zelve”, het Nieuwe
Testament eist met nadruk: “Hebt uw vijanden lief en doet wel, degenen
die u haten.”

Deze eis is voor de natuurlijke mens onbegrijpelijk en onaanvaardbaar. Want de natuurlijke mens leeft vanuit de primitieve groepswet, die wel solidariteit eist naar binnen, maar vijandschap naar buiten. Solidariteit naar buiten is voor de natuurlijke mens verraad aan de eigen groep. Hoe droevig ver staat ook de mens van nu, Christen of geen Christen, nog af van deze Evangelische ethiek. Toch is de liefde tot de vijand geen eis van het Evangelie alleen. Men vindt dezelfde gezindheid bij Sokrates, bij Boeddha, bij Lao Tse. Maar toch niet zo pregnant, zo vlijmscherp geformuleerd als alleen Joodse profeten dat vermochten. Het is een typische Joodse karaktertrek, dat wat men belangrijk vindt, te onder­ strepen door overdrijving. Dit moet men voor ogen houden als men hun taal verstaan wil.

“Zo men u op de rechterwang slaat, biedt dan ook de linker aan”. Daar hebben heel wat mensen moeite mee, maar ontdaan van de karak-­ (203) teristieke overdrijving betekent dit:

“Wanneer uw medemens u op benedenmenselijke wijze bejegent, doe
dan zelve niet aldus, want daardoor verlaagt ge u tot zijn niveau.”
Hoe eenvoudig en hoe onontkoombaar waar … maar hoe moeilijk
om er naar te handelen!

“Wanneer men u de rok neemt, zo geef dan ook nog het hemd”. Ook hier zit deze typische overdrijving in. Toch is het voor met dure bontjassen beklede Christenen, wier leven bovendien door solide banksaldi beveiligd is, maar beter deze tekst over te slaan, als zij in hun Bijbel lezen. Er zijn er trouwens niet weinigen, die zich zo ge­ dragen, alsof er stond: Wanneer ge iemands rok neemt, vergeet dan ook niet zijn hemd. Het zijn de pharizeeërs, die de kemel doorzwelgen en de mug uitzuigen. Jezus noemde ze adderengebroedsel. De ethiek van het Evangelie betekent de opheffing van de primitieve groepswet, de opheffing van de natuurlijke verbondenheid van bloed en bodem. Dat geestverwantschap boven bloedverwantschap gaat, verkondigt het Evangelie op zijn gewone, onverbloemde en indringende wijze. Jezus verloochent in het openbaar zijn eigen moeder en wendt zich van haar af en van haar kleinmenselijke bezorgdheid en angst en hij keert zich naar zijn disscipelen, die met hem zijn in de dingen zijns Vaders. Deze zachtaardige Jezus is tegelijk harder dan het hardste staal. Hij is de synthese van eindeloze zachtmoedigheid en onbreekbare geestelijke kracht, van eindeloze vergevensgezindheid voor de tekort­ komingen der mensen en de onbuigzame eis tot zedelijke zuiverheid en volkomenheid. Zo verkondigt hij zijn leer en leeft haar voor. Zo laat hij de mens geen zondige vrede, maar schudt hem wakker en roept hem op in te gaan tot zijn Koninkrijk.

De verwachting van het Koninkrijk Gods is de stuwende kracht van het Evangelie. Het Kerstfeest behoort gevierd te worden als een feest van belofte, als een feest van wat komen zal en niet op de allereerste plaats als een herdenkingsfeest van wat lang geleden is gebeurd. In dit verband maakt Cullmann in zijn boek Christus und die Zeit een wel treffende vergelijking. De invasie-dag, D-day, zo zegt hij, is een belofte voor de komende V-day, de dag der viktorie. Zo is ook de geboorte van Christus een D-day, de invasie van God in de wereld en de belofte van een komen­ de V-day, de aankondiging van de komst van het Koninkrijk. Alleen in en door de levende verwachting van de komst van het Koninkrijk Gods op aarde zou het Kerstfeest een werkelijk Christelijk, beter een Evange­ lisch feest kunnen zijn. Maar de mens van nu viert zijn Kerstfeest om de gezelligheid alleen, zonder veel verwachting en zonder veel geloof. De werkelijke Christenen zullen zich wel vol weerzin afkeren van de vulgaire, wee-sentimentele, klatergoud-achtige Kerstviering, zoals die in onze dagen langzamerhand algemeen is geworden in de westerse wereld. Voor hen is er waarlijk geen reden om zich te verheugen over de­ ze vorm van “herkerstening”.

Volgens de Oud-testamentische verwachting zal het Koninkrijk Gods nederdalen uit de hemel als een wonder, ineens, onverwacht en zonder enig aandeel der mensen. De komst van dit Koninkrijk betekende voor de antieke Jood het herstel van het koninkrijk van David. De Messias zou een koning zijn uit Davids geslacht. Met de heerscharen des hemels zou hij de vijanden van Israel uit het land jagen en de Joodse staat in al (204) zijn oude glorie herstellen. Het Joodse Messianisme had een uitgesproken nationaal en imperiaal karakter. Deze Joodse Messias-verwachting, die alleen een Messias accepteerde als hij uit Davids geslacht was, dwong de evangelist tot de onhandige conceptie van het verhaal van de volkstelling en de reis naar Betlehem. De Romeinen hebben heel wat volkstellingen gehouden, maar ze waren niet zo dwaas er een volksverhuizing voor te veroorzaken. Indien Jezus niet waarlijk een Nazarener geweest was, zou het hele verhaal van de reis naar de stad Davids overbodig zijn geweest. Maar hij was de zoon van een timmerman uit Nazareth en dat histori­ sche feit was blijkbaar niet weg te cijferen. Maar een man uit Nazareth, één van die verachte, domme Galileeërs, zou de Messias zijn?

Kon dan uit Nazareth iets goeds komen? Dat was niet aanvaardbaar en zo werd Jezus een telg uit Davids geslacht en de koning der joden. Maar Jezus een koning? Een koning zonder gouden kroon, zonder blinkend harnas, zonder scepter, zonder leger? Neen, het was den Joden onmoge­ lijk in deze zachtmoedige, ongewapende, palmdragende koning te ge­ loven. Ze konden het niet en kunnen het nu evenmin. Wie zou deze wonderlijke koning willen volgen, wie wil hem dienen, ongewapend en palmdragend als hij? Zijn het misschien de Christenen onzer dagen? Neen, Jezus heeft niets van doen met Joodse koningen, noch met niet­ Joodse. De lijdende knecht des Heren is hij en zijn overwinning is het kruis. Een overwinnaar, deze gekruisigde, die de smadelijke dood van een misdadiger stierf? Hoe klein moet het aantal der Joden geweest zijn, dat hier iets van begreep. En is het aantal Christenen in onze dagen, die in de weg des kruises, in deze vorm van overwinning geloven, zoveel gro­ter?

Mede onder de onmiskenbare invloed van het Parsisme stijgt bij een klein deel der Joden het nationale, gewelddadige Messianisme uit tot de Evan­ gelische verwachting van het Koninkrijk Gods. Het belangrijkst is in dit verband, dat volgens het Parsisme, de mensen in de komst van dit Ko­ ninkrijk een werkzaam aandeel hadden. Door een zuivere, hoog-zedelijke levenswandel hielpen zij Ahoeramazda in zijn strijd tegen Ahriman, de God des kwaads, en brachten zo de uiteindelijke overwinning op Ahri­ man nabij. Deze uiteindelijke overwinning op het kwaad, de terugkeer tot God, het herstel van de zuivere relatie tussen God en mens op aarde, dat is de Evangelische verwachting van het Koninkrijk Gods. En volgens het Evangelie mogen wij juichen, want het brengt de blijde boodschap, dat dit Koninkrijk reeds gekomen is inJ ezus Christus. InJ ezus Christus is het op aarde verschenen en het zal eenmaal over de ganse aarde heer­ sen. En dit zal gebeuren niet uit de kracht der wapenen, niet door leger­ scharen, aardse noch hemelse, maar door de kracht van de Heilige Geest alleen.

naar Hoofdstuk 7 vervolg2

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress