Pantheïstisch Pleidooi

08/03/2009

Hoofdstuk 7 vervolg2

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 13:49

(OPENBARING EN WEDERGEBOORTE. vervolg2)

Als een zuurdesem zal het in de wereld doorwerken en het is de verheven taak der gelovigen in Christus om samen dit zuurdesem te zijn. Toch is het niet zo, dat Jezus een mooie toekomst beloofd als een soort troost voor het ellendige heden. Geheel in de geest der Oudtestamentische profeten opent hij de mensen de ogen voor de aanwezigheid Gods hier en nu en hij roept ze op hem te volgen hier en nu. Daarom heeft het ver­ leden hem niet in zijn macht en baart de toekomst hem geen zorgen. Hij roept de mensen op tot een nieuwe wijze van existeren, die ik be­ schrijven wil als vertrouwen, onbekommerdheid, ontvankelijkheid, openheid, vrijheid van angst, kindschap, eenvoud, liefde. Misschien zijn al deze woorden bij elkaar toereikend om de kern van deze nieuwe wijze (205) van existeren aan te voelen. En er was geen sprake van het ontwerpen van een toekomstbeeld van het rijk Gods, dat dan eeuwig zou blijven bestaan.

“Wie in mij gelooft, heeft het eeuwige leven” aldus sprak Jezus.

Jezus kan de Messias niet geweest zijn, aldus Martin Buber, de wereld is immers nog onverlostl De Messias moet nog komen! In beginsel is de wereld wel verlost, antwoordt hem de Christen, en wel in Jezus Christus, door zijn komst. Het Koninkrijk Gods is er dus al. Maar waar is het en wie ziet het? Hoe zou de verblinde, ontwortelde en verdoolde mens het kunnen zien? Tenzij iemand wederom geboren worde, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien, zo lees ik in Johannes 3. Maar zij, die het zien kunnen, dragen in een duistere wereld een licht in hun hart. Het was nu de taak van de gemeente der gelovigen, van de Christelijke gemeente, het Koninkrijk Gods temidden van deze onverloste wereld te vertegenwoordigen. Waar het Evangelie nadrukkelijk midden in de wereld zijn wil en even nadrukkelijk deze wereld van macht en onder ­ drukking, onrecht en gewelddadigheid afwees, werd het konflikt onver­ mijdelijk. Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld, zeide Jezus. Het is wel één van de droevigste verminkingen van de geest van het Evangelie, dit zo te lezen, alsof er stond: niet voor deze wereld. En deze vermin­ king begint al in het Nieuwe Testament zelve. In I Korinthe 15 lezen we:

“Vlees en bloed kan het het Koninkrijk Gods niet beërven.”

Een dergelijke uitspraak gaat lijnrecht in tegen de geest der profeten en tegen de verkondiging van Jezus. Hier is de levende verwachting reeds gestorven en het Koninkrijk Gods verplaatst naar een onlichamelijk J enseits. Maar als alle aardse verwachting sterft, laten de banden der ge­ meenschap los en blijft er niet veel anders meer over dan de hoop op een individuele zaligheid in het hiernamaals. Maar met het Evangelie heeft dit niets meer van doen. Het Evangelie met zijn sterke sociale bewogen­ heid is wars van elk streven naar persoonlijke zaligheid. De Oudtestamentische Jood wist niets van het hiernamaals en bekom ­ merde er zich ook niet om. De Jood is aards gericht, geheel en al dies- . seitig en het Evangelie is niet anders. Het kent geen geloof in persoon­ lijke onsterfelijkheid. Wie in mij gelooft, heeft het eeuwige leven, zeide Jezus. De mens heeft het eeuwige leven als hij in de juiste relatie tot God staat en heeft dan geen behoefte aan een onbeperkte duur der per­soonlijkheid.

“Ikzelf ben de eeuwigheid, als ik de tijd vergeet,

Als ik om God, en God om mij wordt tot een kleed.”

Zo sprak Silezius. En deze toestand is op aarde bereikbaar, hoever we nu ook daarvan verwijderd zijn. Het antieke Joodse denken, dus ook het oer-Christelijke filosofeert niet. In dit denken is geen plaats voor een ruimtelijke tegenstelling tussen J enseits en Diesseits, noch voor een scheiding tussen lichaam en ziel. Eerst onder Hellenistische invloed, eerst met het Johannes-Evangelie en met Augustinus komen dergelijke platonisch-wijsgerige beschouwingen, wordt het lichaam de kerker der ziel of nog erger een vuile zakrnet sperma. (206)

J enseitigkeit en eschatologie behoren volstrekt niet noodzakelijk samen. De Evangelische eschatologie is geheel en al aards. Uw Koninkrijk kome in den hemel alzo ook op de aarde. Niet in de hemel behoeft het Konink­ rijk te komen, want daar is het al. Maar op aarde is het niet; daar is God niet meer.

Maar het Evangelie zegt: Het zal komen! De aardse eschatologie is dus in geen enkel opzicht minderwaardig aan de J enseitige. Eerder is het te­ gendeel het geval. De, in wetenschappelijk kleed gehulde eschatologie van het socialisme van Marx, met het proletariaat als Messias, staat ver boven de Hitleriaanse droom van een duizendjari$ rijk van Arische wereldheerschappij. Beiden zijn aards. En deze éen Aarde- één Mensheid­ droom van het socialisme is in zijn diepste kern niet wezenlijk verschil­ lend van de Evangelische verwachting van het Koninkrijk Gods en beide zijn ver verheven boven de jenseitige, naïef-kinderlijke, Cherubijnen en Serafijnen-hemel van vele Christenen. In onze tijd wordt het Koninkrijk Gods niet meer verwacht, noch op aarde, noch in de hemel en ook de hoge droom van het Socialisme is verbleekt en verschraald tot materiële zakelijkheid. Maar de verdrongen religiositeit komt te voorschijn in neu­ rotische, gewelddadige, politieke schijnreligies en de verdrongen ver­ wachting uit zich in allerlei grillige pseudo-religieuze vormen vol kwasi­ religieus gezwijmel. En wie daarvan afkerig zijn, komen terecht bij de existentialisten, de wereldverachters, de mysanthropen, de pessimisten, de sceptici,· de cynici. Onze wereld is waarlijk donker geworden. En de mysticus, dronken van God, wordt een vreemdeling, in een wereld, die zo geheel en al leeft binnen de enge grenzen van ruimte en tijd. Ook Jezus was zulk een vreemdeling, een transcendentale vreemdeling om een uit­ drukking van professor Beerling te gebruiken. En deze transcendentale vreemdeling is verschrikkelijk eenzaam. Staande op een heuvel staarde Jezus neer op Jeruzalem. Ach, Jeruzalem, Jeruzalem, ik heb het zo goed met U voorgehad, maar gij hebt niet gewild. En hij was bitter, bit­ ter bedroefd. Neen, Jeruzalem heeft niet gewild en het wil nog steeds niet. Zal het ooit eens willen?

Voor het rechtzinnige Christendom is er geen kontinuïteit tussen deze wereld en het Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk Gods, zo meent de orthodoxe Christen, komt aan het einde der tijden, door de volstrekt Andere als het volstrekt Andere. En hier op aarde ontkomen we nimmer aan de greep van het kwaad. Hier heerst oppermachtig een grondeloos pessimisme ten opzichte van de aarde en van de mens op aarde. Op onbegrijpelijke, bovennatuurlijke wijze, onverwacht en aan het einde der tijden zou het Koninkrijk Gods komen? Het wordt hierdoor een hoogst onzekere, oninbare wissel op de toekomst en komt volstrekt los te staan van ons leven hier en nu, van de aardse werkelijkheid. Door het vasthouden aan deze opvatting moet het Christendom sterven, is het bezig te sterven, omdat voor de mens van nu een dergelijke verwachting nauwelijks een verwachting meer is. En Evangelisch is deze rechtzinnige opvatting zeer beslist niet. Want het Evangelie is juist uitgestegen boven de fantastische, apokalyptische spekulaties van het antieke laat-J oden­ dom. In de synoptische Evangeliën vindt men nauwelijks apokalyptische elementen. De grillige, ongebreidelde fantasie van de apokalyptische open­ baring van Johannes heeft weinig te maken met het Evangelie, dat er in zijn eenvoud en soberheid zo hoog boven uit straalt. Maar het rechtzinnig Christendom is ertoe teruggevallen, zoals het ook op zo menig ander punt (207) terugviel tot het Oude Testament. De schrijvers van de Joods-apok~lyp­ tische geschriften waren geen diepe gelovigen. Het waren ongelukkIge, armzalige hunkeraars. Voor gelovigen zijn ze te hartstochtel!jk-o.1!gedul­ dig. Ze vragen maar: “Wanneer dan, wanneer komt het KomnknJk Gods? ” Ze kunnen niet wachten, geen dag en geen nacht. Ze kunnen niet leven en niet geloven, als het antwoord niet luidt: spoedig. Maar zij, die waarlijk geloven, haasten niet. De termijn is voor hen nauwe­ lijks van betekenis en zij kennen geen teleurgestelde verwachtingen En ook midden in deze droevige, uitzichtloze wereld kunnen zij leven en arbeiden en geloven, omdat zij de werkelijkheid van het Koninkrijk Gods hier en nu kunnen zien. Het Koninkrijk Gods komt niet zichtbaar, aldus Lucas 17, want zie het is reeds binnen in u! Zeker, het is binnen in ons allen. Maar slechts in de weinigen, de zeer weinigen werkt het. In de J ood­ se, socialistische mysticus, van wie ik nog vertellen zal, werkte het, toen hij uitriep:

“want elke moeder is als Maria; elk kind is de Messias en telkens
als op aarde een kind geboren wordt, is de verlossing der mens­
heid nabij! ”

Maar van Collem is een vergeten dichter en de dode zielen vullen de wereld met hun ijdel geraas. Het Koninkrijk Gods komt niet als het komt – als een eindpunt van ge­ leidelijke, historische ontwikkeling. Het groeit in de diepten der mense­ lijke ziel en uitsluitend daar; het kan langzaam zijn ranken uitstrekken naar de sferen van het bewustzijn; het kan ook uitbarsten als een gloeien­ de lavastroom, maar altijd voltrekt het zich in de mens als een innerlijke, principiële omwenteling, een transformatie, een wedergeboorte. Uit de duistere diepten van ondergang en chaos stijgt het onweerstaan­ baar omhoog. Zal de tijd komen, dat het werkelijkheid zal zijn over de ganse aarde, de aarde een bloeiende tuin van Epikurus? Het Koninkrijk Gods, de tuin van Epikurus, de associatie van vrije en gelijke producen­ ten … uiteenlopende formuleringen, dezelfde droom! En in Open­ baring 21 lezen we:

“En alsdan zal er geen onderscheid meer zijn tussen hemel en aar­de. ”

Het orthodoxe Christendom wil ons leren, dat de mens het Koninkrijk Gods wel kan verwachten, maar niet kan verwerkelijken. In de recht­ zinnige theologie gaat weer verloren, wat het profetische Jodendom na de ballingschap van de Perzen had geleerd nl. dat de mens mede-arbeider is aan de komst van Gods Koninkrijk. In het boek van de Groningse professor Heymans over Ethiek lezen we:

“Het Koninkrijk Gods zal, als het eens op aarde werkelijkheid
wordt, het werk van de mensen zijn.”

En het Evangelie bemoedigt ons met de woorden: Hebt slechts geloof zo groot als een mosterdzaadje en ge zult bergen verzetten. De rechtzinnigen behoeven niet te str~jden met Heymans over gelijk of ongelijk. Want inderdaad, het Koninkrijk Gods komt door Goddelijke kracht, maar God werkt in en door de mens! (208)

Neen, van deze wereld is het Koninkrijk Gods zeker niet. Maar het is wel degelijk voor deze wereld en dus moeten de onrechtmatige koninkrijken der heersers plaats maken. Ze moeten van de aarde verdwijnen, want God is de enige rechtmatige gebieder over ons leven en aan wat Hij in ons spreekt, alleen daaraan moeten wij gehoorzamen. Het Koninkrijk Gods en de koninkrijken der heersers, ook al verschuilen zij zich achter de naam van republieken, kunnen niet naast elkaar op aarde zijn. Voor bei­ de tegelijk is geen plaats. jezus eist de mens geheel en al op, in zijn vol­ strekte dienst. Daarom kan en mag er geen vrede zijn tussen de gelovigen en de machthebbers. Want deze vrede is een zondige vrede, verraad aan de gekruisigde, verraad aan het Evangelie. Hoe zou men de stralende vorst der liefde en de heersers dezer wereld met hun robotsoldaten, met hun banksaldi en hun afgrijselijke, weerzinwekkende wapenen tegelijk kunnen dienen? Hebben de kerken, heeft de kerk van Christus deze waarheid niet verloochend? Heeft zij geen wijwater gesprenkeld op de afzichtelijke wapens der van God vervreemde mensen?

“Iedere dag”, zo bad Dorothée Sölle, “heb ik angst, dat jezus ver­
geefs gestorven is, omdat hij in onze kerken begraven is, omdat wij
zijn revolutie verraden hebben in gehoorzaamheid aan en in angst
voor de machten der wereld.”

Het werd haar verboden dit gebed van de kansel uit te spreken!

DE KERK, EEN INSTITUUT VAN DE DUIVEL.


Een fabel:

“Toen jezus gestorven was aan het kruis, heerste er grote vreugde
in de hel. De opperste Satan gaf een groot feest. Het feest duurde
lang. Toen kwamen boodschappers van de aarde de opperste Satan
berichten, dat op de aarde groepen van mensen waren ontstaan,
die zich gemeente van Christus noemden en dat in elk van de leden
van die gemeenten Christus weer was opgestaan, zodat er nu vele
Christenen waren. De opperste Duivel werd razend van woede en
de vuren der zondaren werden extra gloeiend heet gestookt. Nadat
de Duivel weer kalm geworden was, dacht hij diep na. Toen ver­
scheen een brede, kwaadaardige grijns op zijn steenhard gezicht.
Bij de episcopius van een grote, maar zeer arme gemeente van
Christus verscheen op zekere dag één van de rijkste burgers van de
stad en verklaarde, dat hij Christus volgen wou en tot de gemeen­
te wilde toetreden. De episcopius was buitengewoon verheugd;
hij leed er zeer onder, dat hij zo weinig kon doen aan de materiële
nood van zijn gelovigen, van wie de meesten zeer arm waren.
Daardoor was de kas bijna altijd leeg. Maar nu zou daar een eind
aan komen. Want deze rijke burger zou al zijn geld in de kas stor­
ten, zoals de gewoonte was, als men tot de gemeente van Christus
toetrad.
Toen echter zeide de burger, waarin de scherpzinnige lezer de Dui­
vel heeft herkend, dat hij slechts de helft van zijn bezit in de kas
wou storten en de andere helft voor zichzelve wensteJe behouden.
Vol verontwaardiging wees de episcopius dat af en wees op de ge­- (209)
schiedenis van de rijke jongeling, die beschaamd wegsloop. Indien
ge Jezus liefhebt, kunt ge uw bezit niet liefhebben. Indien ge uw
bezit liefhebt, hoe zoudt ge Jezus kunnen liefhebben?
Eerder gaat een kemel door het oog van een naald, dan dat een
rijke ingaat in het Koninkrijk der hemelen. Geef dus alles.
Toen stelde de burger voor, dat hij drie-vierde zou storten, maar
één-vierde wilde behouden, want hij wilde niet aan de armoede
worden prijsgegeven. De episcopius weigerde en trachtte de rijke
burger te overtuigen. Deze echter weigerde beslist alles af te staan;
indien de episcopius bij zijn weigering bleef, dan zou hij niet toe­
treden, hoeveel verdriet hem dat ook deed.
Tenslotte bezweek de episcopius en de rijke deed zijn intrede in de
gemeente. Na hem volgden ook andere rijken. Maar zij bleven
rijken! Na enige tijd bestonden alle Christelijke gemeenten uit
armen en rijken. Zij die van niets genoeg hadden en zij, die van
alles genoeg hadden, waren samen gekomen. Maar waren zij nog
broeders en zusters? De armen waren afgunstig op de rijken,
vleiden hen en keken hen naar de o~en. De invloed der rijken groei­
de in de gemeenten en zo kwam de wereld de gemeente binnen.
En de wereld maakte zich zo breed binnen de gemeente, dat de
gemeente zelf wereld werd. En zo was de Kerk ontstaan. De Kerk
noemde zich plaatsvervangster van Christus op aarde, maar de
Duivel grijnsde en gaf bevel tot het houden van een groot feest in
de hel.
Dit feest duurt voort tot op de huidige dag. Maar Jezus, gezeten
aan de rechterhand zijns Vaders, was bitter bedroefd.”

Het is noodzakelijk scherp te onderscheiden tussen de gemeente der ge­lovigen en de Kerk. Zij vormen onontkoombaar een tegenstelling. Het Christendom ontstond in het Romeinse rijk in zijn ondergang, ruw ge­ nomen tussen 100 jaar vóór en 400 jaar na Christus. Want het begint zeker niet bij Jezus van Nazareth. Op de eerste plaats wortelt het zeer sterk in het profetisme van het Oude Testament en verenigt in de loop van zijn groei vele reeds aanwezige elementen uit andere godsdiensten en kulturen tot een nieuwe synthese. Het is een bij uitstek kompilato­ rische godsdienst. De Christelijke oergemeenten hebben tijdens dit groei­ proces onder leiding van Paulus en Johannes de historische Jezus omge­ vormd tot de Bijbelse Kyrios. Ofschoon essentieel historische trekken niet konden worden weggewerkt, is er toch een onoverbrugbare tegen­ stelling ontstaan tussen de historische Jezus en zijn leer en de verkondig­ de Christus. Het Christendom heeft daardoor nauwelijks iets met Jezus te maken. Nietsche beschouwde het Christendom terecht als een steen op het graf van Jezus. Paulus is de werkelijke stichter van het Christen­ dom; Paulus en Johannes waren de verwoesters van het Evangelie. Begrijpelijk is, dat in de aanvangsperiode het accent zeer sterk komt te liggen op faktoren, die beschouwd moeten worden als een typische reaktie tegen de eigen tijd. Het jonge Christendom tornt op tegen het theokratisch formalisme van J uda. het verwerpt het gewelddadig impe­ rialisme van Rome, het verafschuwt de vulgaire, platmaterialistische en bandeloze levensstijl der Romeinen, het polemiseert tegen het intellek­ tualisme der Hellenistische wijsgeren. Niet één bepaalde oorzaak leidde tot de vrij snelle overwinning van het Christendom op konkurrerende godsdiensten, die toenmaals waarlijk niet zonder invloed waren. Maar (210) steviger. Men was hem volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd; hij alleen had uit te maken, wat men niet en wat men wel geloven mocht. Boven­ dien had hij de kas. Hij werd onafzetbaar. De kiem voor één op het lei­ dersprincipe berustende, hiërarchische organisatie was gelegd.

Wie denkt aan de verbreiding van het Christendom, denkt aan de apostel Paulus. Er mogen Christenen zijn, die geen wezenlijk verschil erkennen tussen een Paulinisch en een Evangelisch Christendom, bij een onbe­ vangen onderzoek is het onmogelijk de ogen te sluiten voor de typische Paulinische opvattingen in het officiële Christendom, die niet alleen niet in het Evangelie voorkomen, maar die er ook nadrukkelijk mee in strijd zijn. Zo kent het Oude Testament noch het Evangelie de idee der erf­ zonde, deze sombere, barbaarse opvatting, die tot op de huidige dag he­ laas nog zulk een grote rol speelt. De puriteinse, harde, eenzijdige-man­ nelijke, zedelijke strengheid van het Paulinisme, zijn neiging tot wereld­ verachting en askese leidde in de gemeenten tot het terugdringen der vrouwen tot het tweede plan. In de oergemeenten hebben zij stellig een belangrijke rol gespeeld, want het Evangelie leerde de gelijkberechtiging van man en vrouw. Het Paulinisme echter bracht de vrouwen weer tot onderwerping en tot onderdanigheid aan het mannelijk gezag. Onevan­ gelisch is het pessimistisch van het leven afgekeerd zijn, de verlegging van de zaligheid naar het hiernamaals, de gehele transcendentale speku­ latie. En tenslotte treedt met Paulus die fanatieke, afstotende, agressieve intolerantie op, die zo heel ver af staat van de milde geest van het Evan­ gelie. Zo konden de verschrikkelijke woorden gezegd worden: “Een ieder, die een ander evangelie brengt, zij vervloekt.”

Tegelijk met de aanpassing aan de rijken, voltrok zich een aanpassing aan de heidenen, aan de niet-Joden, zij het niet zonder talloze kon flik­ ten in en tussen de gemeenten. Van uitsluitend Joods werd het Chris­ tendom zelfs anti-Joods. Een typisch Christelijk anti-semetisme ont­ staat. In de Middeleeuwen was het zeer sterk en het is niet met de Middeleeuwen verdwenen.

De noodlottigste aanpassing was wel de aanpassing aan de gestelde machten. Toen de Imperator van het Westen viel, ging de God-Keizer idee ten gronde. De patriarch van Rome kwam in een zeer bijzondere positie. Het wereldlijk gezag bleef in gebreke en zo moest de patriarch, die vrijwel de enige was, die voldoende prestige had, wel allerlei staats­ funkties overnemen. Was door de onaantastbare positie van de episcopi­ us de kiem van de kerkelijke heerschappij al gelegd, nu wordt de God­ Keizer vervangen door de God-Paus. Zo veranderde de oorspronkelijk vrije federatie van Christen-gemeenten, waarin allen gelijk waren, in een centralistisch-hiërarchisch opgebouwde, kerkelijke organisatie, een organisatie, die geenszins schroomde in de onverzoenlijke strijd om de macht de middelen der wereld te gebruiken. Desondanks bleef de Kerk de gedachte handhaven, dat zij de gemeente van Jezus Christus was en dus het Koninkrijk Gods op aarde vertegenwoordigde. Maar nu was dit Koninkrijk niet meer de oorspronkelijke, machtige, kosmische gebeurte­ nis, maar een individueel hiernamaals tot welks poorten de Kerk de sleutels had. De Kerk verloochende de eschatologische inhoud van het Evangelie. Niet meer de ganse inzet van de persoonlijkheid werd geëist teneinde het Koninkrijk Gods nabij te brengen, maar uitsluitend gehoor­ zaamheid aan de kerkelijke geboden. Damasus, de eerste Paus, hardvoch­ tig heerser en sluw diplomaat, schroomde niet over lijken te gaan om ge­ kozen te worden. Kunstzinnig en prachtlievend, zette hij zeer opzettelijk (212) de tradities van het Romeinse Imperium voort. Toomt in het jaar 300 Tertullianus nog hevig tegen Christenen, die in het leger gaan, plus minus 450 kunnen in het Oostromeinse rijk alleen Christenen soldaat zijn.

Een uitzonderlijke situatie bestond te Alexandrië. Aan de katecheten­ school aldaar had een vruchtbare en veelbelovende vermenging en syn­ thetisering plaats tussen antieke en Christelijke opvattingen. In het jaar 412 kwam definitief een einde aan een dergelijke goede verstandhouding tussen heidenen en Christenen, doordat de vf’!rlichte en ontwikkelde Christin Hypatia op aanstoken van de patriarch van Alexandrië door fanatieke monniken met mosselschelpen in stukken werd gesneden. Zo was de Kerk reeds bij haar geboorte en hoeveel mensenbloed heeft zij daarna vergoten! Is het mogelijk dit te vergeten? Op 12 december 1953 heeft Paus Pius XII generalissimo Franco onderscheiden met de orde van Christus. In het licht der geschiedenis is het hier niet geoorloofd te spreken van dwalingen of gebreken der Kerk, maar dit is de Kerk, ten voeten uit!

Het evangelische Christendom is in de Kerk vrijwel geheel verdwenen. In plaats van Jezus, de zachtmoedige, die geen steen vond om zijn moe­ de hoofd op neer te leggen, kwam een imperator, wonend in een pronke­ rig paleis door pronkerige soldaten bewaakt. In plaats van het schamele schandhout komt een versierde troonzetel; in plaats van een doornen­ kroon komt de pralende mijter der heerschappij; in plaats van het ge­ scheurde, met bloed bevlekte kleed komt de statie-mantel. Rome was gevallen; Rome is weer opgestaan en het staat nog steeds, ofschoon niet alleen in Rome. De Christelijke gemeente moest ontrouw worden aan haar enige taak, het vertegenwoordigen van het Koninkrijk Gods op aar­ de, zodra zij zich inliet met de methoden en middelen der onverloste wereld. Het Evangelie verlangde niet, dat. de Christenen de wereld maar aan haar lot over zouden laten, het verlangde niet een zich terug trek­ ken uit de wereld. Neen, het eiste nadrukkelijk een midden in de wereld staan, een zich met de wereld bemoeien, maar … op zuiver Evangelische wijze, met het unieke, het uitsluitende middel van het Evangelie, juist zoals Jezus het had voorgedaan.

De ontrouw bestaat dus niet in het zich inlaten met de wereld, maar in het gebruik van wereldse middelen van dwang, macht en geweld en het streven naar wereldse doeleinden, bezit en heerschappij. Daardoor werd de gemeente grotendeels zelf wereld d.w.z. zij werd een maatschappelijk instituut, zij werd Kerk. De maatschappelijke funktie van deze Kerk be­ stond en bestaat in de omvorming van het Evangelie in een ideologie, die bruikbaar is in een maatschappij, die berust op heerschappij van men­ sen over mensen, een maatschappij, waarin weinig rijken heersen over vele armen. De taak van de Kerk was mede de vorming van een boven elke redelijke kritiek verheven leer en een onaantastbaar geestelijk gezag. Zo werd de wil tot macht de grondtrek van een godsdienst, die in haar oorsprong niets met macht te maken had, aldus Karl Jaspers in zijn boek Wijsgerig Geloof. Voortgaande op deze weg, zich al meer aanpas­ send aan en instellend op de wereld, werd de Kerk noodzakelijkerwijze van vervolgde tot vervolgster. (B. de Ligt – Vrede als Daad) en zij ver­ volgt dan het felst en het meest meedogenloos juist hen, die in opstand tegen de Kerk, de oorspronkelijke opgave trouw wilden blijven n.l. de ketters. En soms vormen de ketters nieuwe gemeenten, los van de Kerk. De nieuwe gemeenten ontkomen echter evenmin aan de wereld; ook zij worden Kerk met als gevolg nieuwe ketters en nieuwe vervolgingen. (213)

Macht en geweld zijn nu eenmaal geen middelen tot handhaving van ge­ rechtigheid. Het Evangelie wijst ze af; het kent maar één middel, de lief­ de. Zeker, men kan niet zonder enig recht beweren, dat de zonde de in­ stelling van Kerk en Staat noodzakelijk maakt. Maar hebben de kerke­ lijke en statelijke overheden nu ook het recht geweld te gebruiken en dwangmiddelen? Uit het Evangelie kan men dit recht zeker niet aflei­ den. Wel uit Romeinen 13, waar staat: “Er is geen Overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld; wie zich tegen .haar verzet, wederstaat de instelling van God.”

En dan te bedenken, dat het gehele leven van Jezus één grote wederstand was tegen de kerkelijke en de keizerlijke Overheid zijner dagen, tegen Kajaphas en Pontius Pilatus!

Niet zonder recht kan men beweren, dat de mens van nu slecht is. Maar zijn de gezagsdragers dan geen mensen? Zijn zij soms minder slecht? Het zijn sterke benen, die de weelde kunnen dragen, luidt het spreek­ woord. Maar de benen, die de macht moeten dragen, moeten nog heel wat sterker zijn. Kan een mens wel zulke sterke benen hebben? Zijn de gezagsdragers feitelijk niet slechter dan degenen, die het gezag onder­ gaan? Lettend op de toestand, waarin onze wereld zich bevindt, kan men toch moeilijk anders dan die vraag bevestigend beantwoorden. Het officiële Christendom kon dus niet anders dan tweeslachtig worden en het is dat nog steeds. Achter een masker van liefde en vergeving treedt ons maar al te dikwijls een werkelijkheid tegemoet van haat en vergelding, heerszucht en macht, verkleefdheid aan bezit en fanatieke onverdraag­ zaamheid. Zo werd de gedachte onvermijdelijk, dat er feitelijk twee Ker­ ken bestaan, de zichtbare met al haar fouten en gebreken en de onzicht­ bare, de ideëeIe Kerk. Maar deze ideëele Kerk, dat is dus de eigenlijke ge­ meente der gelovigen in Christus, is niet alleen onzichtbaar, maar helaas zelfs geheel en al onmerkbaar.

De bezwaren van de overgrote meerderheid der anti-kerkelijken gaan niet tegen de verheven liefde-leer van Jezus noch tegen zijn persoon, maar tegen de zichtbare Kerk, wier praktijken maar al te schrijnend in strijd zijn met deze leer en waardoor de Kerk wel op de allerlaatste plaats het recht heeft zich als de uitsluitende verkondigster en draagster van het Evangelie te beschouwen. Er is in onze duistere wereld helaas geen orga­ nisatie, die zich metterdaad mag beschouwen als draagster van het Evan­ gelie, al hebben een aantal vrij kleine, Doopsgezinde en Remonstrantse broederschappen in Nederland en aan hen verwante groeperingen buiten Nederland in hun signatuur soms nog vrij veel bewaard van de oorspron­ kelijke, Christelijke gemeente. Desniettemin er bestaan enkelingen, zo­ wel binnen als buiten de Kerk, die het Evangelie als een lichtend heilig­ dom in hun hart dragen. Ook begint men binnen de Kerk de schuld der Kerk aan de ontkerstening openlijk te erkennen en men spreekt het uit, dat de leiders der Kerk maar al te gemakkelijk staan achter machthebbers en politieke partijen. Maar het ziet er nog lang niet naar uit, dat de Kerk zich geheel en al los zal maken van de machten dezer wereld en het zal durven wagen met de methode van het Evangelie alleen. Het ziet er nog lang niet naar uit, dat de Kerk tegenover de machthebbers dezer wereld de fiere en onafhankelijke houding aan zal nemen, die eenmaal de eer­ ste Christenen sierde, ofschoon onze wereld er waarachtig Romeins ge­ noeg voor is. Misschien zou dan weer opnieuw verdrukking en vervol­ ging haar deel zijn. Maar past het de volgelingen van de gekruisigde om daarvoor bevreesd te zijn? (214)

naar Hoofdstuk 8

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress