Pantheïstisch Pleidooi

06/03/2009

Hoofdstuk 8

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 10:20

SOCIALISTISCHE MYSTIEK; HET EVANGELIE VAN EEN VERGE­TEN DICHTER.

Voor zover mij bekend is, heeft het Socialisme van de 19de eeuw maar één echte mysticus opgeleverd, de Nederlandse dichter Abraham van Collem. Eenmaal was hij mijn meest geliefde, hartstochtelijke vereerde dichter. Wat ik toenmaals, zelfs in de verste verte, niet voor mogelijk had gehouden, is gebeurd. Deze waanzinnige wereld heeft hem verge­ten. Maar ik zal hem nooit vergeten en heb hem nog steeds lief. Als ik nu zijn gedichten lees, dan mengen zich in mij vreugdige ontroe­ring en bodemloos verdriet. Verdriet, omdat onze gemeenschappelijke droom, de wondervolle, heerlijke droom van een stralende socialistische wereld in scherven ligt. Niet meer worden wij door deze droom opgehe­ ven naar een toekomstwereld, waar mensen zijn als sterren. Ons socialis­ me is dood! De droom ligt aan gruizels. En van Collem is vergeten. In sommige uren, als ik mij diep verlaten voel, in de jungle van de wel­ vaartstaat, die de mensen samenleving noemen, benijd ik hem, omdat hij gestorven is en niet weet, hoe verschrikkelijk anders deze “samen ­ leving” zich ontwikkeld heeft dan wij toen verwachtten. 0, er zijn mensen genoeg, die zich socialisten en kommunist en noemen, maar met dezulken hebben hij en ik niets gemeen. Het zogenaamde Marxis­ me-Leninisme van onze dagen heeft even weinig te maken met de eska­ tologisch-profetische levensovertuiging van Marx en onze droom als het traditionele Christendom met de Jezus-religie. In het moderne, zake­ lijke, uitsluitend politiek-ekonomisch georienteerde socialisme is geen spoor overgebleven van de utopische droom. Het Russische kommunis­ me mist de diep-menselijke inslag, waarzonder het Marxisme geen Marxisme genoemd zou mogen worden.

De Christelijke levensovertuiging heeft in de loop der eeuwen in talloze schone kunstvormen gestalte gekregen. De socialistische levensover­ tuiging is veel jonger en werd door allerlei oorzaken in de kiem ge­ smoord. In Nederland vond dit Socialisme zijn poëtische verwoording bij de grote socialistische dichters Abraham van Collem, Herman Gorter en Henriette Roland Holst. En er waren ook een reeks dichters van wat minder formaat, zoals Adama van Scheltema, Margot en Marie Vos en anderen. Dit Socialisme van de dichters was allerminst gemeengoed van de arbeidersklasse. Het leefde slechts bij een betrekkelijk kleine groep van intellektuelen en arbeiders, waaronder percentsgewijze veel Joden; want er loopt een rode draad van de Joodse profeten uit de Bijbel naar de profeet Karl Marx en zijn aanhangers. Hoe kort was de tijd, dat deze keurtroep een belangrijk deel van de arbeidersklasse wist te bezielen en mee te slepen in het schitterènd kielzog van zijn hoge droom. Hoe spoe­ dig vielen ze af, de velen, toen ze de lucht van het gespekte loonzakje (215) roken. De technische ontwikkeling heeft de bezittende klasse in staat gesteld de buiken van de loonslaven te vullen en hun hoofden te legen. De keurtroep vocht vertwijfeld tegen het revisionisme enerzijds en het partij-kommunisme anderzijds, tegen de Godsvrede met de bezitters en de verloochening van het internationalisme van de sociaal-demokra­ tie en tegen de onmenselijke partij-diktatuur van het Russische kommu­ nisme. Maar het baatte niet. Afgesneden van de massa’s, bleven de weinige echte socialisten eenzaam achter. In minder dan één generatie zijn zij tot historie geworden en de dichters werden als museumstukken opgenomen in de geschiedenis der literatuur. En ik, die de drie groten persoonlijk heb gekend, realiseer me deze verschrikkelijke feiten met een wrang en meedogenloos werkelijkheidsbesef. Als de skeptische, nuchtere jongeren van heden bij uitzondering eens één van die overge­ bleven, vereenzaamde en verdwaasde dromers tegenkomen, dan luisteren ze naar hen met een geamuseerde glimlach. Zo ontzaglijk snel heeft dit dus kunnen gebeuren! Zulk een duizelingwekkende vaart heeft de maat ­ schappelijke ontwikkeling dus genomen! En waarheen bewegen we ons? Zal het Socialisme toch nog weer ergens op deze wereld opnieuw gebo­ ren worden? Is het niet helemaal dood? Groeit het in het verborgene? Onzekerder dan ooit is de toekomst, ondanks alle futurologie.

Geboren in 1858 in Rotterdam, was van Collem al een gerijpt man, toen zijn eerste dichtbundel verscheen. Zijn laatste bundel, kortweg God ge­ naamd, verscheen in 1930. Zijn mystieke gedichten werden maar door weinigen gelezen en gewaardeerd, maar zijn liederen van huisvlijt, waar­ in hij de armste proletariers, de schoenlappers en de biezenvlechters, beschreef, waren veel bekender. En vooral zijn strijdliederen en anti­ oorlogsgedichten werden dikwijls op arbeidersvergaderingen voorgedra­ gen. Ik herinner mij de deklamator Arbous met zUn sonore stemgeluid. Als hij het podium betrad en aankondigde, dat hij het Slachtveld van van Collem voor zou dragen, werd het doodstil in de zaal en honderden gelaten van arbeiders en arbeidsters werden in diepe aandacht naar hem opgeheven. In die stilte stond hij even, een arm horizontaal geheven en dan klonk zijn zware stem:

“De heengelegde lijken der soldaten

Zijn aangeraakt door den goudpaarsen nacht.

Er kruipen lijnen over de gelaten,

Waarop de Dood zijn teken heeft gebracht.

Sommige hunner liggen als beschonken;

Het was ruim veel de wijn uit deze kan.

Hun arme lijven werden volgeschonken,

Zij dronken zich de eeuwigheid daaran.”

En het gedicht ging verder en steeg langzaam tot zijn klimax, die klonk
als bazuingeschal:

Blaast een signaal, gestorven mensenmondenr

Dat Aarde beve en doodsvreze kom

Over de heersers, die u hebben uitgezonden

Voor Vaderland, Bezit en Christendom.

“Dood aan dit drietal en de mensheid leve! (216)
En alle heerschappije ga teniet!


Vertelt wie u den dood heeft ingedreven!


Rijst op, soldaten, zingt uw dodenlied! “

Dit gedicht heeft nog niets van zijn betekenis en aktualiteit verloren. Waarom is er dan niemand meer, die het voordraagt, niemand die er naar luistert?

De woorden kommunisme en socialisme komen bij van Collem vele malen voor; hij gebruikt ze door elkaar met dezelfde betekenis. Maar deze woorden zijn bij hem geen begrippen met een uitsluitend of zelfs maar voornamelijk politiek-ekonomische inhoud. Men mag gerust zeg­ gen, dat het woord kommunisme bij van Collem een heilig woord is. Kommunisme betekent bij hem Gemeenschap, Gemeenschap, die niet beperkt blijft tot de mensen, maàr zich uitstrekt over alle zijnden, een kosmische Gemeenschap. Gemeenschap is bij van Collem een religieus begrip en soms vervangt hij dit begrip door het woord God. Maar het is overduidelijk, dat van Collem Godsbegrip pantheïstisch is, want hij werd gedragen door een diep en sterk kosmisch levensgevoel, waarin alle dingen aan elkaar verwant zijn. Zijn God is een God, die is in de laagste werkingen zowel als in” de hoogste oorzaken, die zich openbaart in de verslindende en in de verslondene, ofschoon Hijzelf boven alle tegenstellingen uit is. Maar de God der Christenen loochent hij.

“Nu zijn wij opgestegen zonder U,

0, Priester, naar de hemelse vertrekken,

Waarin geen God woont, luisterend naar luw

Gezang, dat engelen voor hem verwekken.

“Daar is geen God, en slechts de zang gaat om,

Dien wij aan aarde, ster en zon verlenen.

Stierven wij uit een stilte lag alom,

Godheid en engel waren in het al verdwenen.”

In van Collems pantheïstische mystiek zijn alle zijnden in wezen God en in de mens is God tot bewustzijn en tot rede geworden. En van Collem weet zichzelve een God, hoe diep overtuigd ook van zijn individuele nietigheid.

Zijn wij tezamen, God? Het overkomt

Mij in den nacht, of aan de lichte morgen,

Wanneer ik lig van alle dingen weggeborgen,

Dat iets opstijgt in mij, en ik wacht …

“Te worden toegesproken door een naam,

God, of Natuur, … één wien ik mij niet schaam

Te zeggen, dat ik ben het dwaze ding,

Dat zich een God weet, en een nieteling.”

Kenmerkend voor de grote socialistische dichters was hun diepe verze­ kerdheid van de komst van het Socialisme. De hedendaagse verzorgings­ en welvaartsstaat was het waarlijk niet, wat hen voor ogen stond. Mate­ riële lotsverbetering van de arbeiders zagen zij nooit als doel, maar als middel tot een hoger en edeler mens zijn. Hun gedichten zijn vol heils­ (217) verwachting, verwachting van een heil op aarde en de brenger van dit heil zou de arbeidersklasse zijn, waarin ze een rotsvast vertrouwen hadden. Het is uit die heilsverwachting en uit dit vertrouwen in de arbeidersklasse, dat hun poëzie geboren werd. Het was de bron, waarvan de bezielende en wer­ vende kracht van het socialisme uitging. Het arbeiderskoor de Stem des Volks zong gaarne:

“Eens komt een schone, klare dag,

Dat het volk zijn boeien breekt.”

Ook de dichteres Henriette Roland Holst zong van die stralende, komende
dag:


“De dag zal zijn, blink als een watervlak.”

Voor haar was de arbeidersklasse de moderne Prometheus, die zich tegen de machtige heersers verzet, die telkens wordt verslagen en telkens op­ nieuw in opstand komt, tot aan de uiteindelijke overwinning. Maar die schone, klare dag, die dag, blink als een watervlak, is niet geko­ men en de toekomst is donkerder en uitzichtlozer dan ooit. In zijn grote gedicht Pan laat Herman Gorter de arbeidersklasse een reidans dansen aan de oceaan der wereld. Voor zijn visionaire ogen zal het wel een schone, sierlijke dans geweest zijn, stellig heel iets anders dan het weer­ zinwekkend sexueel geschuifel van de hedendaagse arbeidersjeugd in de dancings. Gorter idealiseerde de arbeiders bovenmate. Hij kende ze niet en leefde niet te midden van hen. Dat zou hij ook niet gekund hebben, want hij was door en door een aristokraat, een soort 19de eeuwse Hel­ leen, trots, fier en schoon. Hij kon prachtig spreken en dichten over de mensen der toekomst, maar de konkrete mensen, zelfs zijn partijgeno­ ten, verveelden hem gauw. Ofschoon ik als achttienjarige jongeman hem vurig bewonderde en hartstochtelijk vereerde, was ik in dit opzicht niet zo blind als hij.

Dikwijls was ik verbijsterd, als ik in gesprekken met hem bemerkte, hoe weinig hij van de werkelijke arbeiders afwist. Zelf opgegroeid in de achterbuurt van een grote havenstad, wist ik maar al te goed, dat de arbeiders niet die hoge, edele, van vurige en zuivere strijdlust bezielde wezens waren, waarover Gorter sprak. Maar wel geloofde ik toen, dat ze zo zouden worden. Van Collem daarentegen kende de arbeiders wel degelijk. Hij wist, hoe lelijk en benepen ze konden zijn.

“De mensen zijn niet mooi, ze zijn maar klein,

En aan hen denken, is iets lelijks zien,

Iets zeer flauwhartigs zien, iets wreeds en lafs,

Iets ijdels, dat te loeren ligt,

En lager dan het dier is … “

Maar als deze lage, verachtelijke mens door de droom van het Socialisme werd aangeraakt, dan veranderde hij, dan werd hij schoon. En er waren zulken. Ik heb ze gekend. Maar het waren weinigen. Gorter had zijn ge­ ïdealiseerde arbeiders lief; maar het waren de gestalten van zijn dichter ­ lijke verbeelding, niet de werkelijke arbeiders. Van Collem, die de werke­ lijke arbeiders kende, had ze niet lief. Hoe zou men deze arbeidsluizen in hun krotten en kroegen, die stompzinnige loonslaven kunnen liefhebben. (218) Maar rotsvast geloofde hij, dat juist deze stinkende arbeidsluizen zouden worden aangeraakt door het Socialisme, dat ze daardoor zouden worden bezield en opgeheven tot de sterke, stralende voorhoede van een nieuwe Mensheid .

.,En toch in die verworpenen, verschijnen

Zal mijn geluid op lichten wapenklank,

Ik zal ze heffen op, die ginds verkwijnen,

In hun vergoorde atmosfeer van stank.”

Van Collem had hem lief, die komt, de schone mens der toekomst. Hij voelde een mateloze afkeer van de mens, zoals hij was, zowel van de werker, vastgestoken aan zijn loon, als van de rijke, vastgekleefd aan zijn bezit. Van Collem zou zeker niet hebben kunnen leven als zijn droom hem was ontvallen. En met Gorter was dat niet anders. Hoe wonder ­ schoon is het gedicht, waarin hij de nieuwe mens beschrijft:

“Van uit een nieuwe wereld treedt

Een man mij aan met enge kleed,

Schittrend zo als ik nimmer zag,

Het hoofd zo stralend als de dag.

Hij heeft geen enkel sieraad aan

Van slaafsheid en geen enkelen waan,

Maar hij is zuiver als een man,

Naakt opgegroeid maar wezen kan.

Hij heeft den arm in zuivere vuist,

Hij heeft het been tot zuiveren voet,

En om het trots gelaat, gekuist,

Hangt stil en hoog een sterke gloed.”

Behalve dichter was Gorter ook theoreticus en propagandist, al waren dat niet zijn sterkste kanten. Niet zo van Collem. Hij was de stille dromer, de mysticus, hij kon alleen maar zingen.

“Kom, Socialisme, draag het witte licht,

Dat in de harten brandt der lichtvertederden,

Boven de hoofden van de diepvernederden,

Dat zij het zien en worden opgericht.

Kom, Socialisme, steek opvlammend aan,

De lampen in de hoofden der arbeiders,

En in de harten van de kleine lijders,

Die als vergetelheden ondergaan.”

Hoe zouden wij nog kunnen leven zonder UI ,zo riep hij uit. Neen, zonder het geloof in het Socialisme zou hij niet hebben kunnen leven. Zo eindigt hij zijn gedicht:

“Kom, stralend Socialisme, kom weldra,

Bind mij met Uw machtige akkoorden,

Raak met Uw gouden adem aan mijn woorden,

(219) Opdat ik zingende tot U inga.”

Ook in mijn hart hebben deze machtige akkoorden geklonken, bijna veertig jaren lang. Nu is hun geluid verstomd en de droom gebroken. Met hoeveel innige afkeer kijk ik nu naar de goedgevoede loonslaven met hun volle magen en hun lichtloze hoofden, waarin geen gouden lampen zijn opgevlamd. Zij schreeuwen zich de keel schor op de tribu ­ nes der voetbalvelden; zij worden als toeristenvee vervoerd in komfor· tabele autobussen; zij staren, passief hangend in gemakkelijke stoelen, naar het beeldscherm der televisie-apparaten. Er wordt goed voor hen gezorgd; ze zijn goedbetaalde loonslaven. En ik besef, dat ze dieper vernederd zijn en meer ontmenselijkt dan toen ze nog leefden in bittere armoe. Materiële armoede is niet het ergste, wat een mens overkomen kan. Erger is de ondergang van zijn geloof, de ineenstorting van zijn droom. Van Collem is dood. De grote socialistische dichters zijn niet meer. Maar ik, die hen liefhad en deelgenoot was in hun dromen en verwachtingen, ik leef nog. Het Socialisme was mijn gehele leven; het is mij ontvallen en ik stortte in afgronden van wanhoop en waanzin. Maar van uit de diepten der verlorenheid ben ik weer opgestaan. Hoe is het precies gebeurd? Ik weet het niet. Maar langzaam is in de af­ gronddonkere macht van mijn ziel een milde glimlach doorgebroken, Gods glimlach. Ook van Collem heeft, juist in droevige ogenblikken, Gods glimlach gezien en zijn zoet geluid gehoord. Want zo dichtte hij:

“Wanneer ik U niet hoor meer in mij spelen

En niet meer ben de man, wien Ge U bekent.

Dat hij moog zingen, van wat Gij wilt delen

Den mensen mee, door hem, Uw instrument.

Wanneer mijn mond wordt bevende of zwijgend,

Omdat Uw zoete nadering wegbleef,

En ik gedompeld wordt in leegheid, neigend

Het moede hoofd, waarin Uw stem niet dreef …

Zal ik nochtans tot U geduldig wezen

En wachten of Uw voetstap naderkoom,

En uitzien naar de tekenen te lezen,

Die Gij wellicht wilt schrijven in een droom.

Want diep in mij, weet ik, Gij zijt alomme!

Of Ge ook verre toeft, Ge zijt nabij,

Ik moog verloren gaan in het rondomme,

Wanneer ik in mijzelve zie, stijgt Gij.”

Ook in mij zijt Ge opgestegen. Door Uw zoon Jezus hebt Ge tot mij ge· sproken. Maar ik was onwillig om te luisteren naar Uw zoon. Opnieuw naar de mensen gaan? Toen werd ik aangesproken door een zeer oude, zeer wijze stem uit een ver verleden, uit een ver land. Van wat die wijze stem mij leerde, verhaalt het hoofdstuk, waarmee ik mijn boek besluit. En jij, mijn lieve broeder Jezus, laat mij nu. Zie, ik heb gedaan, wat je mij vroeg. Hier is mijn woord. Zal het doorklinken te midden van het vele tumult van deze stilteloze, haastige wereld? Ik weet het niet. Maar ik heb gedaan, wat ik doen moest en heb vrede gevonden. Ik ben toch maar een (220) klein mens. Wie kan verder schrijden dan zijn voet komt? Wie kan verder grijpen, dan zijn arm reikt? (221)

naar Hoofdstuk 9

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress