TAO; HET TRANSCENDENTE IN HET LICHT VAN HET ANTIEKE CHINA.
Een mens heeft eens geleefd, groter dan de grootsten, eenzamer, dieper, stiller en vooral rustiger, veel rustiger. Hij leefde 500 jaar voor Christus in het verre China. Hoe weinig ik ook feitelijk weet van die stille, terug getrokken denker aan de oevers van de Blauwe Rivier, toch heb ik hem herkend als mijn vriend, als mijn meest nabije ziels- en geestverwant, als mijn broeder.
Het is om zijn gestalte te doen herleven, opdat velen hem zullen Hefkrij gen, zoals ik hem liefheb, dat ik schrijf over het antieke China, dat aan het begin van onze jaartelling reeds kon bogen op een eeuwenoude kul tuur. Het heeft me zeer veel moeite gekost om hem te begrijpen, die zonderlinge, woordkarige Lao Tse. Vele tolken vertaalden zijn gedachten voor mij. Zij spraken elkaar vaak tegen, deze tolken, en met wrevel wendde ik mij af. Ik begreep deze vreemde, paradoxale uitspraken niet. Maar ik kon het niet opgeven; het was of ik In deze duistere, ondoor zichtige teksten iets vermoedde en ik zette door. Totdat het inzicht doorbrak. Toen ik zelf rijp genoeg was om te kunnen verstaan. En dwars door de tegenstrijdigheden en onjuiste verklaringen en toevoegingen der tolken, straalde toen dit zeldzaam klare, betoveren de licht des geestes. Ik wist nu, dat in het verre China een mens het aller diepste menselijke woord gesproken had, de allerzuiverste menselijke wijsheid had gedacht. En ik wist wie de Grote Moeder was en dat Zij ook mijn Moeder was en de Moeder van al wat leeft onder de Hemel en dat een stille, oude Chinees aan de oevers van de Yang Tse Kiang en een Hollandse Jood aan de oevers van het IJ, dwars over de scheiding der eeuwen heen, broeders konden zijn.
Omstreeks het begin van onze jaartelling was de Chinese kultuur zeker al een drieduizend jaar oud. En deze wereld vertoonde een stabiliteit en een kontinuïteit, waarvan wij ons nauwelijks een voorstelling kunnen maken. Welk een rust, welk een bestendigheid, welk een harmonie! Diep heeft deze toestand ingewerkt op het denken en voelen der antieke Chinezen_ Vanzelfsprekend was het voor hen het wezen van leven en wereld op te vatten als harmonie. Het Universum was voor hen een eeu wig, geordend, harmonisch Geheel. De basis van de Chinese samenleving was de patriarchale grootfamilie en deze basis bleef duizenden jaren lang onaangetast. De typische Westerse versplintering en atomisering kende het oude China niet en de eigendoms verhoudingen kan men beter aanduiden met het woord familie-bezit dan privaatbezit. De Chinees was door en door maatschappelijk en de Chine se denkers en moralisten gingen vanzelfsprekend uit van de mens als (222) sociaal wezen. De in het Westen zo algemeen aanvaarde gedachte, dat de mens wel sociaal behoort te zijn, maar krachtens zijn aangeboren aard a-sociaal, egocentrisch is, kon in het antieke China niet ontstaan. Het patriarchale gezin was niet alleen produktie- en konsumptiegemeen schap, het was ook geloofsgemeenschap. De eredienst der voorvaderen was de hoeksteen van de Chinese religie. Tempels en een speciale priesterklasse bestonden oorspronkelijk niet. Zegt de Engelsman: “My home is my castle”, de antieke Chinees had kunnen zeggen: “Mijn woning is mijn tempel.”
Een landbouwer was hij en diep was hij geworteld in de aarde. De land bouw wordt beschouwd als het enige gepaste beroep, als de vanzelf sprekende en natuurlijke wijze, waarmede de mens zich verschaft, wat hij nodig heeft. Tegenover de veeteelt stond de Chinees afwijzend en hij was doortrokken met een typisch boers pacifisme. De soldaat werd niet geëerd. En ook de handel stond niet bijzonder hoog in aanzien. Het leven voltrok zich in een harmonische kringloop, in volstrekte af hankelijkheid van de gang der seizoenen. Een intensieve kleintuinbouw werd toegepast met zorgvuldige verza meling van mest en met bemesting en minutieuze verzorging van elke plant afzonderlijk. Ook mensenmest werd gebruikt en het gold als zeer onbeleefd en ondankbaar om na een goede maaltijd zijn gastheer te verlaten zonder de afvalprodukten van het rijkelijk onthaal ter plaatse te deponeren.
Hokvast was de Chinees. Wanneer ge hem had kunnen vragen, hoe lang woont u hier al, zou hij geantwoord hebben: “Ik woon hier al twee duizend jaar”. Hij voelde zich niet alleen verbonden met zijn levende familie-leden maar zijn sterk groepsgevoel strekte zich uit over zijn ganse voorgeslacht. Zijn voorvaderen waren steeds bij hem; hij bracht ze offers, vroeg ze om raad en verwachtte hun steun. Verhuizen was feitelijk een immorele daad. Alleen noodgedwongen verlaat men de plaats, waar men geboren en opgegroeid is en waar de voorvaderen gediend willen worden. Eeuwen en eeuwen lang werd de landbouw op dezelfde wijze beoefend. Was de Chinees niet intelligent genoeg om machines uit te vinden, die zijn arbeid konden verlichten? 0, aan intelligentie ontbrak het hem stel lig niet. Papier, kompas, buskruit, boekdrukkunst, het zijn Chinese uit vindingen. Waarom verbeterde hij dan zijn landbouwtechniek niet? We zullen een oude Chinese tuinman het antwoord op deze vraag laten geven. Men bood hem een machine ten geschenke aan, maar hij weigerde en motiveerde zijn weigering aldus:
“Mijn leraar leerde mij, dat wie een machine gebruikt er gemakkelijk
toe komt om alles machine-ach tig te doen; wie alles machine
achtig doet, krijgt een machine-hart; wie een machine-hart heeft,
verliest de zuivere eenvoud des levens. Wie de zuivere eenvoud des
levens verloren heeft, wordt disharmonisch en ongelukkig; wie dis
harmonisch is, leeft in strijd met het kosmische principe. Ik ken
die dingen wel, maar zou mij schamen ze te gebruiken.”
Nu kunnen we begrijpen, dat de eerste spoorweg in China door opstandi ge Chinezen werd vernield. En als we onze eigen gemechaniseerde wereld eens bekijken door de ogen van die oude Chinees, huiveren we dan niet bij de aanblik van al deze disharmonische mensen, allen met machine (223) harten? En als we bedenken, dat deze machine-mensen bezig zijn hun derde grote machine-oorlog voor te bereiden, is het dan niet vergeeflijk als we een heel klein ogenblikje wegdromen en ons verbeelden midden in dat oude, wijze, vredige, China te staan en niets te weten van moto ren, kanonnen en raketten?
Maar onze sympathie voor het oude China mag ons niet blind maken voor de donkere kanten van deze eeuwenoude samenleving. De donker ste kant was de positie van de vrouw. Streng patriarchaal was het oude China; zeer slecht was de toestand der vrouwen. Ze mochten haar eigen levensgezel niet kiezen. De meisjes waren het eigendom van de vader, die ze naar eigen goed dunken uithuwelijkte. Het huwelijk bracht zelden verlossing of verbe tering. De gehuwde vrouw was de dienares, misschien moeten we zelfs zeggen, de slavin van haar echtgenoot. Daarbij stond ze ook nog onder het gezag van haar schoonmoeder, wier tyrannie vaak onverdraaglijk was. Stellig moeten de boerenvrouwen, wier arbeid op de akkers en de velden onmisbaar was, gelukkiger geweest zijn dan de meisjes der aanzienlijken. De eersten bleven ook vrij van die verschrikkelijke verminking der voe ten, die op de laatsten werd toegepast.
“De sierlijke Perzikbloesem staart vanuit haar paviljoen dromend
de avondschemering in; zingend keert het landvolk huiswaarts,
het gereedschap op de schouder. Vrolijk en veerkrachtig stappen
de vrouwen naast de mannen. En de rijke, welopgevoede Perzik
bloesem, uit een aanzienlijke familie, benijdt de eenvoudige
boerenmeisjes en weent om haar arme “gouden lotussen”, waar
op zij nooit zó zal kunnen gaan.”
Maar hoe uitgesproken mannelijk ook, geheel en al zonder invloed was het vrouwelijk element in China niet. De tijd van de Chinese kultuuriaan de Ho, plus minus drieduizend jaar voor Christus, ligt bijna geheel in het duister. Hoogstwaarschijnlijk had deze oeroude kultuur van de Miao-i stam een matriarchaal karakter. Ongeveer tweeduizend jaar voor Christus werd dan deze matriarchale Miao-stam door de patriarchale Hia-stam ver drongen of onderworpen. Maar een rest van vrouwenverering is toch nog gebleven. Wat in het Westen Maria is, dat was in het oude China de lief lijke godin Kwan Yin. En Lao Tse, de diepzinnige wijze, noemde de eeuwige Oergrond der dingen moederlijk en de wortel van Hemel en Aarde.
Waar het leven opgevat en geleefd wordt als een rythmische, harmonische kringloop, daar is weinig ruimte voor wat wij ondernemingslust noemen. De antieke Chinees vertoonde er geen neiging toe. De Faustische mens, de mens als rusteloze strever, de hyper-aktieve mens van het Westen, zou al heel slecht gepast hebben in deze oude Chinese wereld. De uitspraak van Julius Caesar:
“Zolang er nog iets ongedaan is, is er nog niets gedaan.” zou de Chinees zeker met verbazing en met afkeer hebben aangehoord, al zou hij wellicht begrepen hebben, dat zulk een uitspraak van een oor logsman afkomstig moest zijn. Het antieke China heeft ook zijn tijden van verval, van verwarring en wanorde gekend en het is geenszins toevallig, dat juist in zulke tijden die (224) typen van mensen een rol gaan spelen, die ook onze Westerse samen leving beheersen. Het zijn de naar buiten gerichte, aktieve daadmensen. Hun geprononceerde vertegenwoordigers zijn de krijgsman, de zaken man en de staatsman. Zij behoren bij elkaar deze drie. Met vereende krachten maken zij het leven op aarde ondraaglijk. De krijgsman maakt onze aarde tot een hel door mensenmoord en vernieling; de zakenman verjaagt alle vrede door zijn rusteloze jacht naar winst en bezit; hij jaagt het arbeidstempo op, buit de arbeiders uit en maakt van elk mens een rad in zijn rentabiliteitsmachine. De staatsman legitimeert moord en uit buiting, verplettert ons onder belastingen en verstikt het leven onder een stortvloed van wetten, reglementen, verordeningen en bepalingen. Desniettemin staan deze drie typen bij ons hoog in aanzien. En als men soms al tegen hen rebelleert, dan toch alleen om ze door andere krijgs lieden, zakenlieden en staatslieden te vervangen. Wij kunnen ons blijk baar geen wereld voorstellen zonder generaals en trustkoningen, zonder deurwaarders en diplomaten. Maar in China werd zelfs de god van de oorlog, Kuanti, uitsluitend in een defensieve houding afgebeeld en zelfs in de boeken over krijgskunde staat, dat het allerhoogste is het overwinnen zonder strijd.
De Chinese wijsbegeerte is sterk ethisch gericht. Alles draait om het gedrag van de mens. De antieke Chinees geloofde in een natuurlijke orde, die berustte op de fundamentele eenheid van mens en kosmos. Kosmische orde en aardse ethica werden gezien als zeer nauw ver bonden, een opvatting, die we ook ontmoeten in het antieke Hellas, in het oude Egypte en het vroege Perzië. Voor de Westerling is het niet gemakkelijk om door te dringen in de Chineze zienswijze. Zijn dualis tische wereld- en mensbeschouwing staat het begrip in de weg. De dualistische Westerling gelooft in een God, die louter geest en in een wereld die zonder ziel is, die in de aanvang liggend in de Chaos, door God tot Kosmos wordt omgevormd. De antieke Chinees kent echter het begrip Oerchaos niet en dus was er in zijn gedachtegang ook geen plaats voor een “Urheber”, die de Chaos ordenen moest. De Chinese denker ging uit van een kosmische Oerorde, waarin ook de mens zijn natuurlijke plaats heeft. Orde behoort tot het wezen van de dingen. Wanorde ontstond als de mens van het beginsel der Kosmische harmo nie afweek. De wanorde en het kwaad in de Chinese maatschappij werd dan ook daaraan geweten. In deze denkwijze is het kwaad geen wezen lijke macht tegenover het goede; het is een gevolg van het uittreden uit de harmonische, Kosmische kringloop en het kan uitgebannen wor den door weer in die kringloop terug te keren. Overeenkomstige op vattingen vindt men in de Chassidische denkbeelden van Martin Buber. Gods goedheid is alomvattend en er is dus voor de zonde, voor de dui vel geen plaats. Maar de koortsig-onrustige, in levens- en doodsangst verstrikte Westerling ijlt over verworpenheid en de zinloze afgrond van het Niets. Het is geen toeval, dat de beide grote Chinese wijsgeren juist in een tijd van wanorde leefden. De omstandigheden dwongen tot nadenkenuver de oorzaken. Zowel Lao Tse als Kong Fu Tse zochten naar een weg, een methode om de orde te herstellen. Beide verheerlijkten en idealiseerden het verleden, toen alles nog goed en harmonisch was. Beiden wilden dat schone, evenwichtige verleden herstellen. Het pad naar Tao is een achterwaarts gaande weg, leerde Lao Tse. Maar toch is de weg van de één niet de weg van de ander. Ofschoon beiden Chinezen waren en beiden even diep geworteld in de kultuur van hun land, levend (225) in dezelfde tijd, stonden ze desniettemin als vreemden tegenover elkaar en was de levenshouding van de één voor de ander onaanvaardbaar. De Chinese historikus Ssi-ma-Tj’ien, die omstreeks 100 jaar voor Chris1:us leefde, weet te vertellen, dat Kong Fu Tse, die de jongste was, de oudere Lao Tse, zoals het behoorde opzocht om met hem te spreken over zijn denkbeelden en plannen. Maar Lao Tse moet voor deze ideeën de groot ste geringschatting getoond hebben, zodat Kong Fu Tse diep gegriefd huiswaarts keerde.
In deze mislukte ontmoeting der beide wijsgeren komt de tegenstelling tot uiting tussen twee zeer verschillende China’s. Kong Fu Tse is de ver tegenwoordiger van Noord-China. Dat is het stroomgebied van de Hoang Ho, de Gele Rivier. Het is het land van tarwe en gerst, waar in de winter grote droogte heerst en in de zomer overvloedige watermassa’s allesver nielende overstromingen kunnen veroorzaken. Het leven is er afhanke lijk van de samenwerking van velen bij het irrigatie-systeem. De Noord chinezen zijn grof en zwaar van lichaamsbouw; ze zijn traag en bedacht zaam, boers en arbeidzaam, nuchter, moraliserend en streng. En zo is ook Kong Fu Tse. In het Westen is hij de meest bekende en gewaardeerde denker en wordt hij ook het best begrepen. Hij is een typische rationalist, het type van de verstandelijke, nuchtere denker en doener, de naar buiten gerichte, aktieve daadmens.
Lao Tse is de vertegenwoordiger van Zuid-China. Dat is het stroomgebied van de Yang Tse Kiang, van de Blauwe Rivier. Het is een subtropisch ge bied met een zacht klimaat; het is het land van de rijst, de thee en de zij de. De Zuidchinezen zijn fijn en tenger gebouwd; ze zijn onstuimig en lucht hartig. Zuidchina is het land van de edele levenskunst, het gebied van de verfijnde, dichterlijke Chinese kultuur, die gekenmerkt wordt door een grote liefde voor de natuur en een diepe gevoeligheid voor de schoonheid van het Chinese landschap. En ook de literatuur vertoont deze zelfde edele verfijning en subtiele gevoeligheid. Zomer en winter lag deze Chine zen niet; die waren te fel voor hun behoefte aan tere nuances. Door de lente en de herft werden ze aangetrokken. In dit land leefde Lao Tse, de stille, intuïtieve, beschouwende, mystieke dromer, het type van de naar binnen gekeerde mens. Maar ook in andere tijden en in andere kul turen gaapt de kloof tussen de mens van de daad en de mens van de droom.
Omstreeks het jaar 750 na Christus leefden in het zonnige Zuiden, tij dens een periode van zeer grote, kulturele bloei, de twee grootste dichters van China, Li Tai Pe en Thu Fu. De historie en de mythe kennen vele edele vrienden paren, Castor en Pollux, Achilles en Patroclos, Orestes en Pylades, David en Jonathan, maar geen paar vormt een zo schone een heid als de boezemvrienden Li Tai Pe en Thu Fu. Li Tai Pe is de levens dronkene dichter van de lente; Thu Fu de zwaarmoedige zanger van de herfst. De literaire deskundigen beweren, dat Thu Fu de grootste dichter is, maar Thu Fu zelf stelde zijn vriend boven zich. “Uw taal is de poëzie, 0 Li Tai Pe, heb dank!
Zo was altijd de taal der vogelen, de klare klank;
In het helle zonlicht of de diepe schaduwen der nacht,
Hebt gij der dingen waarde U steeds dichterlijk gedacht.
En als gij vele bekers gouden wijn naar binnen giet,
Dan is het of uw dichteroog door gouden misten ziet.
(226)
Gij, grote mens, zijt als een zonne, welke nooit verarmt,
Die ons, verkleumde stervelingen, door uw vers verwarmt,
Aanvaard, 0 Heerlijke, die over lichte hoogten gaat,
Waarachtige verering van hem, die diep in het donker staat.”
Zo bezong de droefgeestige Thu Fu zijn onbekommerd zingende en drinkende boezemvriend, die nooit anders gezien werd dan met een bloemenmeisje aan de ene arm en een wijnkruik van jade in de andere. Li Tai Pe stapte zekere nacht in zijn roes van een bloemenschip en verdronk. Voor zulk een mens en zulk een dichter een schone dood. Ik kan zijn gedichten niet lezen in de oorspronkelijke taal. De Chinese taal is moeilijk te leren; het schrift is een begrippenschrift; een enkel teken kan een gehele gedachte uitdrukken; een alfabet kennen de Chinezen niet. En dan werden de verzen geneuried en veranderde de betekenis der woorden door een verandering in toonhoogte. Maar Klabund vertaalde vele Chinese gedichten en in zijn Duits klinken Li Tai Pe’s verzen zoet en muzikaal; gedichten als fijne schilderijtjes; versregels als tere penseelstreken.
Der Strom flosz,
Der Mond vergosz,
Der Mond vergasz sein Licht- und ich vergasz
Mich selbst, als ich so sasz
Beim Weine.
Die Vögel waren weit,
Das Leid war weit,
Und Menschen gab es keine.
Een der merkwaardigste geschriften uit de wereldliteratuur is ongetwij feld de Yi King. Ik leerde dit merkwaardige boek kennen in een verta ling van de sinoloog Richard Wilhelm en het vervulde mij met verbazing. Want ik ontdekte in een Chinees geschrift, dat naar men zegt uit het jaar 1000 voor Christus afkomstig is, een wereldbeeld, dat ik voor uiterst modem hield en dat ik had leren kennen uit de werken van Hegel en Marx. De naam Yi King betekent Boek der Wisselingen; het leert, dat alle dingen onderhevig zijn aan voortdurende veranderingen. Hier klinkt het Panta rei van Herakleitos.
De kosmische harmonie berust op de elkaar in evenwicht houdende, tegengesteld gerichte krachten Yang en Yin. In elk verschijnsel werken deze beide krachten, ja door deze werking bestaan de dingen, de planten, de dieren, de mensen. Rust is dus verborgen beweging. Hier vinden we de eenheid van tegendelen van Hegel. Zou deze misschien de Yi King ge kend hebben en erdoor geïnspireerd zijn tot de konstruktie van zijn dialektisch wereldbeeld? En wie zou hier niet denken aan de struktuur van het atoom, al heet de positieve pool hier Yang en de negatieve Yin. Alleen wie slecht verstaat of opzettelijk niet verstaan wil, kan hier dua lisme ontdekken. Yang en Yin vormen geen volstrekte tegenstelling, maar een bi-polaire eenheid, die door het onderstaande eenvoudige sym bool werd voorgesteld. (227)
Het Yang is het mannelijk beginsel. Het is identiek met begrippen als Hemel, hoog, licht, helder, bewustzijn, denken, geest, droog, aktiviteit. Het Yin is het vrouwelijk beginsel; het is identiek met begrippen als Aarde, diep, donker, het Onbewuste, beleven, ziel, vochtig, passiviteit. Maar in het lichte Yang is ook het donkere aanwezig en in het donkere Yin ook het licht. Hegel noch Bolland zouden tegen deze ongescheiden onderscheidenheid bezwaar kunnen hebben. C.G. Jung vestigt de aan dacht op de betekenis van Yang als het analytische, logische verstand en op de betekenis van Yin als de oergrond van het Onbewuste, dat in zijn diepste lagen altijd donker blijft. Zowel de overheersing van het Yang als die van het Yin leidt tot disharmonie. Yin is de Grote Moeder van alle verschijnselen, ook van de geest. Want de geest is eindig en uit de eeuwige Grote Moeder geboren. De geest is Haar Zoon. In onze kultuur staan Moeder en Zoon vijandig tegenover elkaar. Hij overheerst Haar. Maar het onderdrukte leven barst in duizend neurotische verschijnselen naar buiten. En dat zal zo blijven tot de Zoon in ootmoed tot de Moeder is teruggekeerd.
De twee grootste wijsgeren van China vonden tijdens hun leven weinig aanhangers van hun denkbeelden. Voor Lao Tse betekende dat niet veel; hij deed weinig voor de verspreiding van zijn opvattingen; hij was afkerig van alle propaganda en wilde zelfs opzettelijk verborgen blijven. Men zegt, dat hijzelf niets heeft geschreven, maar dat anderen, die gesprekken met hem gevoerd hebben en die getroffen waren door zijn opmerkingen, ze later hebben verzameld en opgetekend. Kong Fu Tse echter moet onder zijn miskenning geleden hebben. Men vertelt van hem, dat hij tever geefs rondzwierf van staat tot staat, maar nergens wilde men veel van zijn ideeën weten. Later, lang na hun dood, werden beiden echter vereerd, ja zelfs vergoddelijkt en tempels werden voor hen opgericht, waarin ze als echte goden werden aanbeden. Doch dit betekende geenszins, dat nu hun denkbeelden werden begrepen en overgenomen. Integendeel, de denkbeel den van deze wijsgeren, vooral van Lao Tse, waren te verheven voor de grote massa der Chinezen. De mystiek van Lao Tse werd gevulgariseerd, werd verbonden met magie, met alchimie en banale sterrenwichelarij. Het latere Taoïsme heeft dan ook weinig meer te maken met de opvat tingen van Lao Tse. Maar waarlijk niet alleen in China werden denkbeel den, die te hoog waren voor de gemiddelde mens door een proces van vulgarisering en mythologisering neergetrokken in een primitief-magische sfeer. Altijd weer opnieuw wordt het hoogste, het schoonste en edelste, dat door uitzonderlijke mensen is gedacht, gevoeld en uitgesproken, neer gehaald. Kerken en partijen maken er zich meester van, twisten erover in eindeloze haarkloverijen, leggen het vast in gekanoniseerde leerstellingen en dogma’s en trachten het te verstikken. Zij beroepen zich er voortdu rend op; ze varen onder de vlag van het meest verhevene, maar zijn er tegelijk de grootste vijand van. Wat hebben de barbaarse en bekrompen ketterjagers van een dogmatisch Christendom te maken met de stralendel verheven menselijkheid van het Evangelie? Wat heeft het noordelijk Mahayana-Boeddhisme met al zijn hellen en hemelen en Bodhisattva’s of het Thibetaanse, hiërarchiiiche Lamaïsme te maken met de lekenreligie van Siddharta Gautama? Wat heeft de primitief-gewelddadige bloed- en bodemreligie van het nationaal-socialisme te maken met socialisme? Wat heeft het despotisch, kollektivistisch Stalinisme te maken met het huma nistisch Socialisme van Marx en Engels? (228)
Het vulgariseringsproces is blijkbaar algemeen en schijnt tot nog toe on ontkoombaar en we begrijpen de smartkreet van Bernard Shaw, die hij Jeanne in de mond legt, als zij uitroept:
,,0, God, die deze heerlijke, mooie aarde hebt geschapen, wanneer
zal deze in staat zijn Uw Heiligen te ontvangen?
°Heer, Hoelang nog
Hoelang nog ? “
In de eeuwen vlak na de dood der beide wijsgeren drongen hun opvat tingen toch door tot de intellektuele bovenlaag van het Chinese volk. Deze bovenlaag werd enerzijds gevormd door de ambtenaren, anderzijds door de edelen. Om ambtenaar te worden moest men in het oude China degelijk studeren en vele examens afleggen. De ambtenaren waren ont wikkelde literaten. Wij kennen ze onder de naam van mandarijnen. Deze mandarijnen werden langzamerhand gewonnen voor de leer van Kong Fu Tse, wiens opvattingen voor mensen, die belast zijn met de organisatie van de Staat, belangrijk en bruikbaar waren. Tegenover de mandarijnen stonden de edellieden, die zich aangetrokken voelden door de denkbeel den van Lao Tse. De mandarijnen oefenden in hoofdzaak macht uit in de steden. Op het land echter was de familie oppermachtig en waren het de edellieden der rijke, aanzienlijke families, die de lakens uitdeelden. De tegenstelling tussen mandarijnen en edellieden liep soms heel hoog. Was het centrale gezag sterk, dan konden de mandarijnen zich stevig laten gelden, ook op het land. Het is zelfs gekomen tot onderdrukking en vervolging van het Taoïsme door de aanhangers van Kong Fu Tse, die het Taoïsme gevaarlijk achtten voor de Staat.
In het huidige China bestaan in hoofdzaak drie godsdienstige richtingen, althans als de kulturele revolutie van Mao Tse Tung er geen einde aan gemaakt heeft. Dat zijn het Kongfucianisme, het Taoïsme en het uit India gekomen Boeddhisme. Tussen de 8ste en de 12de eeuw komt in China het zgn. Ch’ en Boeddhisme op. Het Ch’ en deed een poging om de drie voornaamste geestelijke stromingen in China in één bedding te leiden, ze tot een nieuw geheel te verenigen. Deze poging is echter volledig mislukt en was ook tot mislukking gedoemd, want het is on mogelijk innerlijk tegenstrijdige elementen tot een gave eenheid te vor men. Al kan men deze elementen wel door elkaar mengen, ze verbinden zich daardoor nog niet tot een nieuw en zuiver, harmonisch geheel. Zo is ook het Hellenisme een vermenging van Voorindische en Helleen se denkbeelden, maar het is evenmin een zelfstandige, nieuwe harmo nische eenheid geworden, en kon dat niet worden, omdat het niet moge lijk is de Voorindische levenshouding te verzoenen met de Helleense. De Voorindische levensverachting en wereldverzaking passen even slecht bij het aardsgerichte, antieke China als bij het levensblije en levenminnen de, antieke Hellas. Een voorbeeld van de vermenging der denkbeelden vormt het volgende gezegde:
“Voor iemand, die niets van het Boeddhisme weet, zijn de bergen
bergen, de bomen bomen en de wateren wateren. Maar wanneer
hij geschriften heeft gelezen en iets van het Boeddhisme afweet,
dan zijn de bergen geen bergen meer, de bomen geen bomen en de
wateren geen wateren.
Maar wanneer hij het Boeddhisme geheel en al begrepen heeft, dan
zijn de bergen weer bergen, de bomen weer bomen en de wateren (229)
weer wateren.”
De Taoïstische invloed blijkt uit de laatste zin, Voor het Boeddhisme is de wereld der verschijnselen noch werkelijk, noch waardevol en belangrijlk.. Deze wereld is illusie, Maya. De Boedhist, die de verlossing zoekt, wendt er zich vanaf. De bomen zijn geen bomen” de bergen geen bergen. Maar de Ch’ en Boeddhist doorschouwt wel het onwerkelijk karakter der verschijnselen, maar hij vindt die wereId niet onbelangrijk en niet waardeloos enkeert na de doorschouwing van hun ware aard, tot de vreugdevolle aanschouwing ervan terug. De bergen zijn weer bergen, de bomen weer bomen.. Het Ch’ en Boeddhisme: wil de drang naar verlosssing van het Boedhisme verenigen met: de diepe eerbied voor ceremonieel en sociale orde van Kong Fu Tse en met de vertederde liefde voor de natuur van de Taoïsten. Maar het Boeddhisme is een van het leven afgekeerde levershouding. Voor de Boeddhist zijn leven en lijden idientiekj. Hij miskent en ontvlucht aardse vreugde en zinnelijke lust. Lust en begeerte is voor hem niets dan lijden en het is van dat lijden, dat hij verlossing zoekt. Hoe zou zich deze leven- en wereldverzakende houding kunnen verdragen met. d,e levenminnende, aards gerichte houding der Taoïsten? Taoïsme, dat is de kunst van in de wereld zijn; Boeddhisme is de kunst van het niet in de wereld zijn. Kan men deze kunsten tegelijk beoefenen?
Sommige schrijvers over Lao Tse noemen hem een wereldverzaker. Zij verbazen zich over zulke denkbeelden bij een Chinees en opperen de veronderstelling, dat Lao Tse onder Voorindische invloed heeft gestaan. Zij demonstreren daarmee slecht hun wanbegrip. Want Lao Tse ’s denkbeelden zijn door en door Chinees. Wereldverzaking is inderdaad vreemd aan het Chinese wezen en even vreem aan Lao Tse.
“Wie zich te buiten gaat aan overdaad in eten en aan overdaad in kleding, krijgt licht een afkeer van de dingen. Daarom wie Tao heeft, houdt zich daarmee niet op.”
De vertaling van deze zin is van Prof. Duyvendak. Ik heb alleen Tao geschreven, waar prof. Duyvendak den Weg zet. Eersten kan men niet een weg hebben; dat is geen Nederlands. Wel kan men een weg gaan of een weg weten. Ten tweede is het veel beter helemaal geen poging te doen om het begrip Tao in een andere taal uit te drukken, want elke vertaling is fout en misleidend. Maar daarover straks. Uit deze zin bijkt duidelijk hoezeer Lao Tse naar de dingen toegekeerd is. Hij wil voorkomen, dat men van de dingen een afkeer krijgt en daarom beveelt hij aan, bij het voldoen aan onze verlangens en begeerten, maat te houden. Wie kan hier wereldverzaking ontdekken ? En hoeveel zuiverder, hoeveel gezonder, hoeveel edeler en schoner en tegelijk hoeveel reëeler is deze houding dan de waanzinnige angst voor de begeerte, waardoor het Boedhisme wordt beheerst.
Edele maat houden … dat is nu juist, wat men in het Hindoeïsme niet heeft kunnen leren. Alles in India is even mateloos, uitbundig en overdadig. De bergen vliegen door de lucht; de Goden gebruiken ze, om de zee er mee te karnen; koning Sagara heeft 60.000 zonen; de Goden hebben veel hoofden en een wirwar van armen en benen. Hard en meedogen- (230) loos heersten eeuwenlang de heerserskasten der Brahmana en Ksatrya over een doodarme millioenen bevolking, waarop ze vol verachting neer zagen en wier aanraking ze in een ziekelijke angst voor verontreiniging, schuwden. Vrije, gezonde, sterke mensen zullen de Arya zeker wel geweest zijn, toen ze neerdaalden van de sneeuwwitte hellingen van de Himalaya. Maar als overwinnaars doorgedrongen in het zwoele Ganges gebied ondergingen ze de nadelige invloeden èn van het klimaat èn van een onbeperkte heerschappij. Zo verloren zij hun psychische zuiverheid. Mateloze instinktbevrediging werd mogelijk en zij gaven zich er aan over tot velen er van walgden en omsloegen tot een niet minder mateloos asketisme. Nergens werd de waarheid van Lao Tse’ s simpele woorden duidelijker gedemonstreerd als juist in India: In deze wereld ontstond het Boeddhisme, in zekere zin als een reaktie er tegen, maar toch volkomen onmachtig om er zich volledig van te bevrijden. Inderdaad heeft Siddharta Gautama een poging gedaart om tot een evenwichtiger houding te komen. Hij verwierp het meest extreme asketisme met zijn lichamelijke verwaarlozingen en zijn zelfkwellingen, maar de weg naar het gulden midden vermocht hij niet te vinden; hij bleef in wereldverachting en askese steken. Kritiekloze bewonderaars en navolgers van het Oosten prijzen de Hindoe om zijn verdraagzaamheid op godsdienstig gebied… Dat is zeker niet ten onrechte, maar men vergeet, dat de Hindoe op maatschappelijk gebied van een zeldzaam hardnekkige onverdraagzaamheid blijk geeft. Wie aan de strenge scheiding der kasten en aan de kasten regel stornde, werd uitgestoten. Siddharta Gautama was zeIf, een Ksatrya, maar hij had niets van een revolutionair. Hij eerbiedigde de kastenregds en schudde niet aan het systeem, waarop de heerschappij van Brahmana en Ksatrya steunde. Een begrip als sociale gerechtigheid is in het Boeddhisme trouwens volkomen onbekend. Het Boeddhisme wint in onze tijd aan invloed in het Westen; dat is een typisch ondergangs symptoom.