Pantheïstisch Pleidooi

09/03/2009

Hoofdstuk 9 vervolg2

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 10:59

(TAO; HET TRANSCENDENTE IN HET LICHT VAN HET ANTIEKE CHINA, vervolg2)

Achter vele spreuken, die getuigen van een hoge, koele wijsheid, voelt men tegelijk een diep verborgen warme, soms zelfs hartstochtelijke bewogenheid. En in zijn onmetelijke afkeer van wat voor hem de allergrootste ondeugd is, namelijk de eerzucht, in zijn hevige weerzin tegen alles wat ook maar in de verte lijkt op zich naar de voorgrond dringen, komt Lao Tse tot de overdrijving, dat men zijn wijsheid moet verbergen. Gelukkig voor ons heeft hij het niet gedaan.

Van een denker, die de vrouwelijke deugden zo zeer akcentueert, kan men niet anders verwachten, dan dat hij zeer afwijzend staat tegenover wapengeweld en militairisme. In dit opzicht past l}ij wel geheel en al in het archaïsche China, waar men het beroep van soldaat oneervol vond en de militaire mandarijn met de Rode Knoop diep moest buigen voor de burgerlijke mandarijn met de Blauwe Knoop. Van goed ijzer maakt men geen spijkers, van goede mensen maakt men geen soldaten, luidt een Chinees spreekwoord. En Lao Tse laat zich aldus uit: (239)

“Waar de veldslag woedde, woekeren onkruid en wandaad; achter de legers sluipt de honger.”
En
“Wapenen zijn werktuigen van onheil; zij zijn niet de werktuigen van een edelman.”
De soldaat is voor Lao Tse allerminst het toonbeeld van mannelijkheid.
“Ken uw mannelijke kracht, maar betracht vrouwelijke zachtheid; want zuiverheid en zachtmoedigheid zijn der wereld richtsnoer.”

In de uiteindelijke overwinning van deze vrouwelijke zachtheid over soldateske hardheid en schijn-mannelijkheid had hij een onverwoestbaar vertrouwen.

“Bij zijn geboorte is de mens teer en zwak. Bij zijn dood is hij stijf en sterk. Bomen en planten, wanneer zij pas opkomen, zijn soepel en teer; wanneer zij verwelken, zijn zij dor en droog. Zachtheid en soepelheid zijn de begeleiders van het leven.”
En hij richt zijn aandacht op het water.
“Water is het zwakste en het zachtste van alle dingen en toch heeft het zijnsgelijke niet in het breken van wat sterk is en hard. Het zwakke overwint het sterke; het zachte overwint het harde.”
Hoe zouden we hier niet denken aan de dichteres H. Roland Holst, die met niet minder diep gevoel van innerlijke zekerheid voorspelde:
“De zachte krachten zullen overwinnen aan het eind.”

Voor een vergeldingsgedachte is in de levensbeschouwing van Lao Tse geen plaats. Wil Kong Fu Tse het kwaad rechtvaardig straffen, Lao Tse wil ook goed zijn voor degenen, die hem kwaad doen en oprecht tegenover de trouwelozen en oneerlijken. Zulke woorden klonken in het antieke China vijfhonderd jaar voor het Evangelische: Doe wel, degenen die u haten. Leven in overeenstemming met Tao, dat is Tê, dat is de edele kunst van het in de wereld zijn, dat is het heerlijke vermogen om in het Nu te leven. De wijze mens leeft niet in het verleden, al wordt hij door dat verleden gedragen. Evenmin leeft hij in de toekomst.

“De wijze ziet af van herinneringen; de wijze heeft geen voornemens.”

Het hoogste Tê is Wu Wei. Tot de betekenis van dit begrip doordringen is niet zo moeilijk, maar het leren aanvaarden als richtsnoer voor het leven, dat is voor de hyper-aktieve Westerse mens voorlopig vrijwel onmogelijk. Het is te zeer in strijd met zijn ganse levenshouding, waarin de overwaardering van aktiviteit, arbeid, prestaties en resultaten zo’n grote rol speelt. Zelfs voor zijn eigen tijdgenoten achtte Lao Tse een volgens (240) het hoogste Tê heel moeilijk.

“Het teerste op aarde overwint het hardste. Het ledig doordringt alle vastheid. Aldus versta men de werking van Wu Wei. Leren zonder leer, bereiken zonder streven, werking zonder werken. Daartoe zijn slechts weinigen op aarde bij machte.”

Letterlijk betekent Woe Wei niet-doen, niet bedrijvig zijn. Hoe minder we ingrijpen in een proces, dat in wezen harmonisch is, des te beter is het. Hier blijkt wel een zeer grote tegenstelling met Kong Fu Tse. Want van allerlei maatregelen door en verordeningen van de staat wil Lao Tse niets weten. Volgens hem is die staat de beste, waarvan de onderdanen niets merken.

“Wie de wereld wilden organiseren, ik heb het zien gebeuren, dat zij niet slagen. De wereld is een heilig vaatwerk. Men kan het niet vormen. Wie het vormt, bederft het. Wie het vasthoudt, verliest het. Hoe uitgebreider de verordeningen en geboden, hoe armer het volk. Hoe ingrijpender de wetten, hoe groter de massa der dieven.”

Hoe moeilijk is het voor de Westerling om dit in te zien, om te begrijpen, dat men de wereld niet door handelen verbeteren kan, dat men het nieuwe, hoe noodzakelijk het ook moge zijn, niet met geweld kan doorzetten, dat het in stilte moet rijpen en dat het niet komt voor zijn tijd. Wat voor de wereld geldt, geldt dat ook niet voor het kind? Is ook het kind niet een heilig vaatwerk, waarmee men zeer behoedzaam om moet gaan? Ook hier mag men niet dwingend ingrijpen, mag men niets forceren, mag men niet haasten. Uit het kind zal de mens wel groeien, wanneer men het maar met rust laat. Voor een goede omgeving zorgen, dat is de enige taak van de opvoeder. De rest gaat dan vanzelf. Waar Tao heerst, daar gaan de dingen vanzelf, zegt Lao Tse, en men behoort zo te leven en te laten leven, dat de dingen vanzelf kunnen gaan. Dat is Wu Wei.

Maar de hardnekkige wereldverbeteraars scheppen door hun gebrek aan vertrouwen in het leven en in de mens, door hun rusteloze en fanatieke aktiviteit, door hun ongeduldige hunkering naar orde, welvaart en veiligheid, steeds nieuwe wanorde. En omdat zij het niet met elkaar eens kunnen worden over de snelste weg en de beste methode, strijden zij onophoudelijk met elkaar en zijn weinig kieskeurig in hun middelen. Zo maken zij het leven ondraaglijk en armoede, oorlog en vernietiging zijn het gevolg. Zij doen mij denken aan die dwaze mensen, die bij een toneelvoorstelling, waar het niet erg rustig is, onophoudelijk hard om stilte schreeuwen en daardoor de onrust en het rumoer slechts doen toenemen. Lao Tse heeft een afkeer van alle onecht, onzuiver, geforceerd gedrag. Als de verkeerde mens, dat is de ongeordende, de disharmonische mens, het goede middel toepast, schept hij toch slechts onheil. Tenslotte doet de mens steeds wat hij niet laten kan, hetzij goed, hetzij kwaad. Maar wie Wu Wei toepast, laat wat hij niet doen kan en zwijgt, als hij niet spreken kan. Eerst dan is een daad goed, wanneer zij uit ons voortkomt, zoals een rijpe vrucht valt van een boom. Eerst dan is het woord goed, als het in stilte is gerijpt en als het van ’s harten bodem opwelt naar de keel. Maar al (241) het andere is zinledige bezigheid en ijdel gepraat. Dat wat de mens is, is belangrijker dan dat wat hij doet. Het eerste bepaalt de waarde van het laatste.

Eenmaal zal de Westerse mens misschien genezen van zijn dwaze verheerlijking van arbeid en produktie, van prestaties en sukses. Zijn technische sukses sen maken zijn arbeid overbodig en zijn inspanning zonder zin. Hij zal wel moeten leren niets doen. Hij moet zich leren schamen, het druk te hebben; hij moet zich leren schamen voor zijn haast, want haast is een lastering tegen het leven en maakt van de menselijke ééndagsvlieg een nar. Maar een edelman zou hij kunnen worden, die de schone kunst des levens beheerst. Ledigheid is des duivels oorkussen, zegt het spreekwoord. Maar de duivel is geen luiaard; hij is steeds druk bezig met kwaad stichten. En de mensen van onze eeuw hebben door een ongelooflijke, rusteloze, inspannende arbeid een groot deel van de wereld verwoest. De wijze behoeft niet veel te reizen, zegt Lao Tse. Op zijn plaats blijvend, leert hij toch alles kennen. Hij is van mening, dat de mensen in kleine groepen samen moeten leven op eenvoudige wijze. Ze behoeven niet zoveel te leren en kennis te vergaren, maar ze moeten voldoende te eten hebben. Kennis maakt hen niet gelukkig. Kennis is macht en macht is onheil. Laten we zorgen, dat hun spijzen zoet zijn, hun kleding mooi, hun woning vreedzaam en hun zeden vrolijk. Dan zullen ze zelfs geen behoefte hebben om buiten hun kring te treden, al horen ze bij hun buren de hanen kraaien en de honden blaffen. Men moet deze laatste opvattingen van Lao Tse vanzelfsprekend zien in het licht van zijn tijd. In onze dagen is het onmogelijk geworden zo los van elkaar te leven. De groei der techniek heeft de wereld aaneengesmeed. Maar in kleine groepen zouden we toch wel kunnen leven, indien we deze groepen slechts tot een harmonisch geheel zouden weten te verenigen. Alleen in de kleine groep komt de enkele mens volledig tot zijn recht. In de grote kollektiviteiten echter wordt hij onherroepelijk tot een nummer. De verwezenlijking van Lao Tse’s ideaal is niet zo onmogelijk, indien we bij de organisatie van de samenleving de juiste weg zouden kunnen vinden, waarbij we een zo groot mogelijke zelfstandigheid der delen zouden weten te verenigen met een zo innig mogelijke samenhang en eenheid. Juist door de geweldige kapaciteit van het produktieapparaat en het machtige organisatie-vermogen van de moderne mens kan ook in produktie en distributie alles zoveel mogelijk vanzelf gaan en dan zou juist daardoor de mens der toekomst kunnen komen tot een levenshouding van onbekommerde, blije lichtheid. Technischorganisatorisch ligt zulk een mogelijkheid zelfs zeer dichtbij. Alleen de mens staat zichzelve in de weg. Moeilijk is het, heel moeilijk hem te genezen van zijn onrust en zijn angst, van zijn mateloze begerigheid en zijn zinneloos machtsstreven.

Lao Tse betekent de oude Meester. De sinologen zeggen, dat deze naam ook vertaald kan worden met het oude kind. Het oude kind? In die benaming ligt een diepe, glanzende wijsheid verborgen. Het oude kind, dat is de meest treffende benaming voor de wijze mens, de koningsmens, de Godmens, de Kindgod. De mens, gekomen tot de jaren des onderscheids, gerijpt tot weten en bezonnenheid, maar toch gaaf en zuiver gebleven als het kind, zulk een mens alleen mag waarlijk een wijze heten. De scheiding tussen kindtoestand en volwassentoestand is bij de ware wijze opgeheven. Hem is het gelukt vanuit de hulpeloze begintoestand (242) het glorieuse eindpunt te bereiken.

Wat betekent het kind te zijn? Kind zijn betekent gaafheid en zuivere argeloosheid. Kind zijn betekent openheid, totaliteit en ongedeelde eenheid. Kind zijn betekent schuldeloosheid, want waar geen kennis is van goed en kwaad, daar kan ook geen schuld zijn, al noemen barbaarse Christenen het kind reeds bij de geboorte zondig. Kind zijn betekent onbekommerd zijn en een volledige gerichtheid op het Heilige Nu. Het betekent van zichzelve weg te leven, niet zichzelf zoeken, maar de diepe gloed van de kleur, de zilverklank van de zuivere toon, de tere ronding van de schone vorm, de sprankeling van het milde licht. Kind zijn betekent leven in de onmiddellijke nabijheid van de Grote Moeder, maar het niet weten.

Volwassen zijn en wijs betekent leven in de onmiddellijke nabijheid van de Grote Moeder en het weten. Daarom zegt Lao Tse, dat de weg naar Tao, de weg naar de Grote Moeder, een achterwaarts gaande weg is, een weg terug naar de kindtoestand. Maar toch is deze weg tegelijk een weg vooruit, een weg omhoog. Want de kindtoestand is het Paradijs der onbewuste eenheid. Naar de onbewustheid kunnen noch willen wij terug, want de glorie van het bewustzijn en van de rede willen we niet prijsgeven. Alleen de neurotici trachten in hun onweerstaanbaar verlangen naar de kindtoestand deze verkeerde weg te gaan, waarvan de talloze infantiele fixaties en regressies getuigen. In de bloemrijke taal van het antieke China werd de kindtoestand door schone, symbolische beelden aangeduid. Men sprak van het grenzenloze land, van de purperen zaal der nephrietstad, van het drakenslot op de bodem der zee. Vanuit de grondeloze diepten van de Oceaan van het Onbewuste, vanuit de donkere schoot der Grote Moeder stijgt het drakenslot langzaam omhoog; het verschijnt boven de golven en verheft zich hoger en hoger boven de wereld, stralend in een verblindend licht, tot vlak bij de Grote Moeder. Want Zij is overal, beneden en boven, in de diepten van het Onbewuste en op de hoogste toppen van de denkende geest. Dat is de glorieuze eindtoestand, die in potentie in de begintoestand besloten ligt.

In elk kind sluimert de Wijze, de redelijke mens. In elk kind ligt deze wonderschone belofte. Elk kind is een kind van de Grote Moeder, een Godkind, dat tot Kindgod worden kan. Daarom is elk kind een stralende belofte in onze geestelijke armoede, onze ellende en onze verscheurdheid en met van Collem kan men zeggen: Telkens als op aarde een kind geboren wordt, is de verlossing der mensheid nabij.

Zo spreekt Lao Tse, het oude, wijze kind uit het antieke China over de Grote Moeder:

“De Grote Moeder is overal; Zij is rechts en links tegelijk. Alles kan alleen door Haar ontstaan en Zij laat alles ontstaan. Aan de Grote Moeder komt alle eer toe en het is Haar om het even. De Grote Moeder is steun en betrouwen van alle wezens. Zij voedt en onderhoudt alles en gedraagt zich niet als heerseres. In Hare begeerteloosheid is de Grote Moeder als een nietig ding en Zij is groots, doordat Zij, boven alle wezens verheven, Haar kracht en macht nimmer doet gelden. Daarom ook achte de Wijze zich nimmer belangrijk. (243)
De Grote Moeder brengt alle wezens voort; Haar adem voedt en
onderhoudt hen. De Grote Moeder geeft alles vorm en wezen;
Haar adem brengt alles tot bloei. Ere zij de Grote Moeder!
Hare hoogheid en de adel van Haar diepste wezen zijn oematuur
in alle eeuwigheid. Daarom maakt en voedt de Grote Moeder alles,
doet alles groeien en bloeien en beschermt alles. En hoewel alles
Haar eigen maaksel is, acht Zij niets Haar eigen en begeert voor
niets roem en eer. En hoewel de Grote Moeder alles leidt, laat Zij
alles in volkomen vrijheid. Dit is waarlijk het geheim van Haar
kracht.
De Grote Moeder is onsterfelijk; Zij is het bovenzinnelijk-moederlijke
en de wortel van hemel en aarde.
Eeuwig zit de Grote Moeder aan het weefgetouw; nooit wordt Zij
wevensmoe.”

De Heilige Geest waait waar Hij wil. Hij is niet gebonden aan een speciale kerk of aan een speciale godsdienst. En als kerken en godsdiensten vergaan, dan stijgt toch in de ziel van de mens omhoog het onstilbare heimwee naar het Goddelijke. Er zijn vele onbewuste en bewuste Godzoekers. Maar enkelen zijn door een onbegrijpelijk wonder diep en sterk verbonden met het Eeuwige. Hunne zielen gloeien onder de stralen van de Grote Moeder. Zij zijn de hemelloodsen. Zonder hen loopt het schip der mensheid op de klippen der technische civilisatie te pletter.

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress