(TAO; HET TRANSCENDENTE IN HET LICHT VAN HET ANTIEKE CHINA, vervolg1)
De volgende, natuurlijk onhistorische anekdote, illustreert op; treffende wijze het verschil tussen de drie genoemde geestelijke stromingen in China.
Sakyaniuni, dat is de Boeddha, Kong Fu Tse en Lao Tse wandelden
eens samen opeen weg; Plotseling stonden ze tegenover een groot
vat, dat tot aan de rand gevuld: was met een wonderlijke vloeistof.
Alle drie staken ze hun vinger erin en proefden.
“Bitter”, zei Sakyamuni en wendde zich vol walging af.
“Zuur”, konstateerde Kong Fu Tse kalm en nuchter.
“Zoet!”, riep Lao Tse in verrukking uit.
We begrijpen. dat de vloeistof hier het symbool is voor het leven. Beter en duidelijker dan veel gewichtige en ingewikkelde uiteenzettingen toont deze korte anekdote het meest wezenlijke verschil aan tussen de levenshoudingen van Boeddha, Kong Fu Tse en Lao Tse.
Door de kollectivistische, autoritaire en kosmopolitische strekking van Kong fu Tse’ s ideeën, door zijn kalme, bijna nuchtere verstandelijkheid geniet hij in het Westen een zekere bekendheid en populariteit Hij wordt gaarne geciteerd. Men voelt onmiskenbaar verwantschap bij alle verschil. Voor een samenleving die zich ontwikkelt in de richting van steeds grotere bemoeiing van de staat met het openbare en zelfs met het partikuliere leven, bezitten Kong Fu Tse’ s opvattingen veel bruikbare (231) elementen. Heel anders staat het echter met zijn geestelijke tegenvoeter, de wonderlijke wijze Lao Tse. Het zal nog heel lang duren voor men voor zijn diepe wijsheid open staat. In een utilistische maatschappij is hij van weinig nut. Slechts weinigen kennen hem; nog geringer is het aantal der genen die hem verstaan. Vele vertolkingen van en kommentaren op het Tao Tê King heb ik gele zen en bestudeerd, Duitse van Richard Wilhelm, Carus, Klabund e.a., de oudste Franse vertolking van Julien, Engelse van Giles, Methurst en van de Chinees Lin Yu Tang, Nederlandse van Borel, van Suchtelen, Duyvendak, Blok, Hackmann, Wolf en Welz. Maar geen van allen voldeed mij geheel en al; geen van al dezen raakte naar mijn gevoel Lao Tse’ s diepste wezen. Ze zijn wel knap en deskundig deze schrijvers, zeer des kundig zelfs; er zijn beroemde sinologen onder. Maar men kan een zeer knap sinoloog zijn, zonder ook maar iets van Lao Tse te begrijpen. Toe passelijk is op al deze het laatste deel van deze spreuk van Lao Tse:
.,De wetende behoeft niet geleerd te zijn; de geleerde is niet nood
zakelijk wetend.”
Om hem te verstaan is allereerst nodig een diepe ziels- en geestverwant schap; anders baat alle kennis niet, al kan die kennis niet gemist worden. Wie het met hem eens is, kan hem verstaan. Wie hem verstaat, kan niet anders dan het met hem eens zijn. Dit met-hem-eens-zijn, met-hem-één zijn, heeft uiteraard betrekking op het meest essentiële, dat voor alle mensen waarde heeft, niet op het bijkomstige, dat aan plaats en tijd gebonden, begrepen en gewaardeerd moet worden vanuit het milieu van het archaïsche China. Wanneer men geleerd heeft dit essentiële van het bijkomstige te scheiden, dan houdt men over een parel van wijsheid van uitzonderlijke schoonheid en betoverende glans. Maar hoe kan de niet-sinoloog tot deze diep-verborgen schoonheid doordringen? Ik heb het gedaan door een zorgvuldige vergelijking van vele vertolkingen. En ik voel een diepe dankbaarheid tegenover al deze gidsen, die door hun kennis van het Chinese schrift en de Chinese taal, beter toegerust dan ik, mij zoekend voorgingen. De enkele karakteris tieke uitspraken, die ik hier zal weergeven, heb ik nu eens aan de ene, dan weer aan de andere vertaling ontleend. Soms, als geen enkele vertol king mij geheel bevredigde, heb ik door kombinatie van verschillende teksten een nieuwe samengesteld.
In den beginne werd ik het meest bekoord door de fijnzinnige, kunst gevoelige Borel. Later vond ik hem echter te dweperig en te roman tisch. Daarna trok mij dr. Lin Yutang. Hij was tenslotte een Chinees en ik hoopte door hem dichter bij het begrijpen van Lao Tse te komen. Maar dat viel bitter tegen, want deze moderne Chinees leerde mij wel veel van zijn land en volk, maar hij is desniettemin een echte Westerling. Hij denkt en voelt Westers en is mijlenver verwijderd van de geest van Lao Tse, die hij beschouwt als een slimmeling, een materialist en een skeptikus, die een brillant-ondeugende philosofie der zelfbescherming heeft geschreven. Van alle vertolkers, die ik ken, bleek juist deze intel ligente Chinees nog het minst in staat om tot Lao Tse’ s wijsheid door te dringen. Even onaanvaardbaar zijn de opvattingen van Dr. Herman Wolf e.a., die Lao Tse beschouwen als een individualist en een wereld verzakende askeet. Hij was noch het één noch het andere. Het is waar, men vertelt van hem, dat hij zijn funktie bij het Staatsarchief van de (232) hoofdstad der Chow-dynastie opgaf, toen er wanorde ontstond, en dat hij daarna verdween, niemand weet waarheen? Is hij soms daarom een individualist?
Kent men dan voldoende de situatie, die hij ontvluchtte? Begrijpt men dan zijn motieven? Maar ik geloof, dat hij inderdaad weggegaan is. Ik begrijp dat weggaan; het past volkomen bij hem. Maar slechts hij, die hem niet verstaat, kan in dat gedrag een uiting van individualisme zien. Men zegt, dat het Tao Tê King na zijn dood is geschreven. Misschien is het inderdaad zo, maar mij kost het moeite om dit te geloven. Ik ben sterk geneigd het Tao Tê King voor een oorspronkelijk werk te houden en in die mening sta ik niet alleen. In de boeken van Kong Fu Tse wordt steeds gesproken van: de Meester zeide … Maar het Tao Tê King heeft een uitgesproken persoonlijke toon. De uitspraken doen mij aan, alsof ze onmiddellijk uit het hart komen. Als ik me verdiep in deze diepzinnige spreuken, dan is het mij of Lao Tse persoonlijk tot mij spreekt en of een adem van zeldzame zuiverheid mij beroert. Eén uitspraak vooral maakt het mij onmogelijk aan te nemen, dat deze zó door anderen kan zijn opgeschreven. Het is geen spreuk, het is een noodkreet, een jammer klacht, die plotseling omslaat in een uiting van fierheid en vreugde. Tussen al de andere teksten valt deze onmiddellijk op, omdat zij weinig verband houdt met de uitspraken, omdat zij geen wijsheid bevat, maar een echte stemmingsuiting is, waardoor we begrijpen, hoe diep het lijden, maar ook hoe diep de vreugde geweest moet zijn van deze vol strekt eenzame mens, wien het gegeven was, tot zo hoge wijsheid te stijgen.
“Alle mensen stralen van vreugde als op een feest of boven op een
uitkijktoren in lentetijd.
Maar ik alleen ben vol zwarigheid en vol eenzaamheid; ik ben als
een zuigeling, die nog niet glimlachen kan.
Ik dool doelloos rond.
Alle mensen hebben overvloed, maar ik ben als iemand, die iets
verloren heeft.
Ik heb het hart van een dwaas en ben zo droevig, zo droevig I
De gewone mensen zijn zo verlicht en zo scherpzinnig; zij zijn
zo fris; ik ben zo loom.
Ik ben vaag als de zee; ik ben als drijfhout op de baren.
De mensen weten, wat zij willen, maar ik ben een rechte onbenul.
Ik ben alleen! Ik alleen ben anders dan alle anderen.
Maar … ik weet, wie de Grote Moeder is, die alles voedt en naar
wie mijn hart uitgaat.”
Schrikkelijke eenzaamheid waarde om deze wijze, de afgronddiepe een zaamheid van de groten van geest, die zo ver, zo eindeloos ver verwijderd zijn van het denken en voelen van kleine mensjes. Vijfhonderd jaar later klonk uit de mond van Jezus van Nazareth in het land van J udea dezelfde vreselijke klacht, die ons soms als een beschuldiging door de ziel kan snijden. “En hij was bitter, bitter bedroefd … ” Een kleine duizend jaar voor Lao Tse onderging de jonge heerser Ichnaton in het land van Egypte datzelfde gevoel van mateloze eenzaamheid en diepe droefheid. Maar toch konden zij hun eenzaamheid dragen, want de nabijheid van het Eeuwige gaf hun kracht en vreugde, Lao Tse verzonken in Tao, Ichnaton in aanbidding voor Aton, Jezus opgaande tot de Vader. (233) Moet dit dan steeds zo zijn ?, Kan mendan niet tegelijk met het Eeuwige en met de mensen zijn? Açh, de mensen ontvluchten het Eeuwige en als zij al één ogenblik geraakt zijn, hoe spoedig vallen zij terug in de wereld van het tijdelijke.
“Kunt ge dan niet één ogenblik met mij in de Vader zijn? “, zo klaagde
Jezus verwijtend. En tao Tse schreef:
“Wie de wereld een spiegel voorhoudt, krijgt toeloop van alle kan-
ten. Men komt tot hem zonder te verdwalen. Men voe1t zich ge- .
rust, in evenwiçht en welbehaaglijk. Waar muziek en maaltijd
wenken, toeft de wandelaar gaarfne. Maar zo men. spreekt.van
Tao, deze spijze staat hen niet aan. Men zou wel naar hem willen
luisteren, maar men begrijpt hem niet. Maar wie zich in Tao ver-
diept, die raakt er in verzonken”
Sommige uitspraken van Lao Tse kunnen slechts begrepen worden als men de stemming aanvoelt, waarin ze zijn geschreven. Schijnbare tegenstrijdigheid wordt dan opgeheven. Lao Tse weet heel goed, dat het niet gemakkelijk is Tao te begrijpen, want hij spreekt van een diep mysterie en zegt, dat lieden van grof verstand geweldig zullen lachen, als zij van Tao horen. Maar dan weer komt hem zijn waarheid zo zuiver, zo simpel, zo helder en doorzichtig voor, dat hij schrijft:
“Mijn woorden zijn gemakkelijk te begrijpen en te betrachten. De wereld wil ze echter niet begrijpen en volgt ze niet op. Mijn woorden hebben een diepe grond; mijn daden hebben een hoge Meester. De wereld wil dit echter niet zien en acht mij gering. Des te vererender zijn de weinige goede verstaanders; zij geven mij al mijn waarde.”
De eerste woorden zijn een klacht. Ach, waarom begrijpt men mij niet, het is toch zo eenvoudig? In zijn ontstemming schrijft hij dit nietbegrijpen toe aan onwil, ofschoon hij wel weet, dat het niet alleen onwil is, maar ook onmacht. En dan volgt een plotselinge omslag, die zo typisch is voor Lao Tse; zijn ontstemming verdwijnt en wordt tot aanvaarding en tevredenheid. Des te vererender zijn de weinige goede verstaanders.
zouden komen, sprekende uit zijn naam. Het zou hem trouwens even weinig gebaat hebben als de Nazarener. Tsjoeang Tse, de bezielde en dichterlijke leerling van Lao Tse, hoonde reeds de Taoïsten om hun hokus pokus, hun levenselixirs, hun sterrenwichelarij en toekomstvoorspellingen. Al deze dingen hebben met de wijsheid van Lao Tse niets van doen. Onder invloed van het Voorindische voorbeeld kwamen de Taoïsten tot het beoefenen van Yogi-praktijken. Maar ook dat is volkomen in strijd met de wijsheid van Lao Tse. Lao Tse was geen Yogi; wereldverzaking was hem vreemd. Zeker zou hij de geforceerde oefeningen en inspanningen der Yogi’s als grote dwaasheid hebben afgewezen. Zijn rustige diepte, zijn zuivere eenvoud, zijn liefde voor de natuur, zijn afkeer van alle onzuivere, geforceerde aktiviteit, hetzij uiterlijk of innerlijk gericht, zijn belangstelling en aandacht voor het maatschappelijk leven, dit alles staat torenhoog boven de ziekelijke mentaliteit der Voorindische zelfkwelIers met hun levensverachting en hun (234) haat tegen het lichaam. Alleen Siddharta Gautama, toen hij zich eenmaal van de Yogi-praktijken afgewend had, komt enigszins in de nabijheid van Lao Tse’ s diepte en rust, al kon hij zich niet bevrijden van de wereldontvluchtende mentaliteit van het Hindoese milieu.
De Chinese historici noemen de leer van Lao Tse de kunst van het in de wereld zijn. Deze omschrijving raakt inderdaad de zaak in de kern. Lao Tse’ s wijsheid is gericht op een levenminnende, edele, verfijnde levenskunst, op een aesthetisch-arÎstokratische levenshouding. De Chinees Lu Wuh schreef de Cha King, dat is het boek van de thee. Okakura Kakuzo vertaalde dit boek in het Japans en ik maakte kennis met het boek van de Japanner in een nederlandse bewerking. In dit boek van de thee wordt de inrichting van de Chinese thee kamer beschreven en de wijze, waarop de gasten worden ontvangen, die op theevisite komen, hoe zij zich gedragen, hoe zij zich bewegen, waarover zij in de theekamer spreken. Welk een barbaren zijn wij Westerlingen, als we onze gedragingen en omgangsvormen vergelijken met deze hoge levenskunst. Zeer opvallend bij Lao Tse is de grote nadruk, die hij legt op specifiek vrouwelijke deugden. Hij knoopt aan bij oeroude, matriarchale tradities, die hoe teruggedrongen ook in het bij uitstek patriarchale China, toch niet geheel verdwenen waren. Dwars tegen de patriarchale tendenties in noemt hij het allerhoogste vrouwelijk. Kong Fu Tse, de aanbidder van vormen en ceremonieel, was steeds vol onderdanige eerbied tegenover de vorst. Lao Tse daarentegen toont een fiere onafhankelijkheid. Hij schroomt niet de vorst en hen, die met gezag bekleed zijn, de hardste waarheden te zeggen.
“Het volk beneden lijdt honger, omdat die daarboven het zijne opvreten. “
Titel, funktie noch geboorte hebben voor Lao Tse veel waarde; de innerlijke eigenschappen betekenen alles voor hem en hij stelt daarom de wijze boven de vorst. Men behoeft niet geleerd te zijn, om wetend te zijn; de wijze is niet noodzakelijk een mandarijn. Vreselijk moeten zl.\lke woorden Kong Fu Tse in de oren hebben geklonken. Kong Fu Tse was als Goethe, die aan de kant van de weg onderdadig stond te buigen, toen het rijtuig van de hertog van Weirnar yoorbij kwam. Maar Lao Tse was als Beethoven, die in het fiere bewustzijn van zijn geestelijke adeldom, vond, dat de hertog en zulke lieden voor hem buigen moesten. De gedachtenwereld van het Tao Tê King beweegt zich rondom de drie, moeilijk te vertolken begrippen Tao, Tê en Wu Wei. Het teken voor Tao is samengesteld uit het teken voor hoofd en het teken voor gaan. De sinologen vertalen het met de bewuste Weg of bewust gaan of het juiste Pad. Bij Kong Fu Tse blijkt deze vertolking wel bruikbaar, maar bij Lao Tse wordt het nietszeggend, ja zelfs onzinnig. Aldus spreekt Lao Tse zelf over Tao:
“Vóór hemel en aarde was er een vaag iets, kalm, sereen, ontastbaar, eenzaam, onveranderlijk, zijn eigen oorzaak. Het is overal en in alles en blijft steeds zichzelf en onveranderd. Het is de moeder van alle dingen. Ik weet zijn naam niet. Om het aan te duiden noem ik het Tao.” (235)
Het is voor Westerse denkers blijkbaar heel moeilijk om door te dringen tot de kern van dit begrip, zelfs al zijn zij knappe sinologen. Wat hen daarbij in de weg staat, is hun eigen Godsbegrip, waarvan zij zich niet of niet voldoende weten te distantiëren. En zo komen zij ertoe hun eigen Godsbegrip ongewild en onbewust in het Chinese begrip binnen te smokkelen. Op deze wijze ontstonden vertolkingen met Zin of Sinn, met Voorzienigheid, met Geest, met Rede of Logos, zelfs met God. Maar al deze begrippen zijn niet alleen niet van toepassin~ op het begrip Tao, zij staan erzelfs lijnrecht tegenover. Zij hebben alle eén of andere eigenschap van het menselijk bewustzijn in zich. Deze kenmerkende eigenschappen van het specifiek menselijk bewustzijn projekteert de mens naar buiten en brengt ze over de Oergrond der dingen. Het begrip Tao is echter volkomen vrij van dit anthropomorfisch element.
Het eerste primitieve Logosbegrip werd ontwikkeld in het antieke Egypte door de priesters van de god Ptah. De tempel van Ptah te Memphis was een werkplaats; de priesters vervaardigden zelve als arbeiders van Ptah het heilige gerei. Voor deze priesters werd nu de gehele wereld de werkplaats van Ptah. Zoals zijzelf eerst in hun geest een plan maakten en dit dan met hun handen uitvoerden, zo meenden zij, maakte ook Ptah eerst voor alle dingen plannen. Hij is de opperste Geest. (De Egyptenaren zeiden “Hart”). Zij echter moesten alles met hun handen vervaardigen, nadat zij het hadden uitgedacht, maar voor Ptah was het voldoende, dat hij sprak. Het gesproken woord had magische, scheppende kracht. De Joden brachten deze zienswijze uit Egypte mee en dus lezen we in Genesis: “God sprak: Er zij licht en er was licht.” Over het Griekse denken heen belandt het Logosbegrip tenslotte in het Evangelie van Johannes, waar de Griekse Logos wordt vereenzelvigd met de Joodse God. In de moderne wijsbegeerte verschijnt het Logosbegrip als Wereldrede, Wereldwil of Wereldbewustzijn. Maar deze begrippen hebben met het begrip Tao niets van doen. Willen we in het Chinese begrip doordringen, dan is het noodzakelijk ons geheel en al los te maken van het mythisch-religieus-wijsgerige Logos-begrip. Tao heeft niet de eigenschappen van het bewustzijn. Het heeft noch de eigen. schappen van het psychische noch de eigenschappen van het ruimtelijke; het heeft helemaal geen eigenschappen. Tao is het Kenmerkloze, het grote Lege. Maar juist door dit Lege, is alle volheid mogelijk, juist door dit Lege bestaan alle dingen in hun onuitputtelijke verscheidenheid. Lao Tse probeert dit duidelijk te maken met eenvoudige voorbeelden. Het belangrijkste van een vat is de leegte binnen in; daardoor wordt het vat pas een vat en bruikbaar. Het belangrijkste van ramen en deuren is de leegte binnen de raam-en deurlijstenj daardoor worden zij pas ramen en deuren en zijn zij bruikbaar. Waar de spaken van een wiel samen komen is een leegte; daardoor wordt het wiel pas een wiel.
wereldj het is het stille, geluidloze, het vormloze. Het is het Niet-Zijn waarin alle Zijn zijn grond vindt. Het is het verborgene; het is alsof het niet is en toch is het overal en in alles. Tao is het onveranderlijke Eeuwige, waarin, waardoor en waaruit alle tijdelijke, veranderlijke dingen zijn. Daarom noemt Lao Tse het terecht de Moeder van alle dingen en in navolging van hem noem ook ik het de Grote Moeder, de geduldig barende, de alles schenkende, de niets eisende, de voedsel voortbrengende, de levenscheppende. En daarom noem ik alle tijdelijke, levende moeders (236) heilig; want zij zijn de hoogste en schoonste zicht-en tastbare gestalte van de Grote Moeder, die Hare weldaden bewijst, maar er niet prat op gaat, die Haar gulle gaven verspreidt, maar zelve verborgen blijft. Zo zijn als Zij is, dat is de hoogste deugdzaamheid, dat is één zijn met Haar, dat is de hoogste menselijkheid, dat is Tê.
Tao is niet boven en buiten de dingen; het is geen wezensvreemde Transcendentie. Tao is niet achter de dingen; het is geen wezensvreemde immanentie. Tao en de dingen zijn één en hetzelfde.
“Het onuitsprekelijke en zijn noembare begrenzing, hoewel niet onder één naam te brengen, zijn één en hetzelfde. Dit is het grote geheim. Het mysterie der mysteries.”
Maar als we Tao opvatten als algemene, ongedifferentieerde natuurkracht, als vormloze wereldenergie -en dat is de enige juiste opvatting dan kunnen we misschien een tipje oplichten van de sluier, die hangt over dit grote geheim, ook al blijft het principieel onmogelijk door te dringen in het Verborgene, dat in zo uiteenlopende energie-vormen te voorschijn komt. En als we denken aan de resultaten der moderne atoom physici, die langs zuiver natuurwetenschappelijke weg eveneens tot de ontdekking van het Lege kwamen, dan wordt het mysterie der mysteries iets doorzichtiger.
De moderne wetenschap kan ons helpen om te leren inzien, dat de ruimtelijke dingen, dat is het onuitsprekelijke in zijn noembare begrenzing, menselijke aanschouwingsvormen zijn, die zich zó aan ons voordoen, krachtens de aard van ons kenvermogen. We kunnen leren begrijpen, dat zij berusten op bi-polaire krachtsystemen, wier tijdelijke bestaan steunt op het wankelbare evenwicht tussen tegengesteld gerichte krachten, die in de Chinese wijsbegeerte Yang en Yin genoemd worden. Maar tot het diepste wezen van het onuitsprekelijke, tot het diepste wezen van Tao, dat als het Absolute boven alle tegenstellingen uit is, dat als het Al-éne alle tegenstellingen omvat, tot dat diepste wezen kunnen we met ons verstand nooit doordringen. En omdat het Absolute en de wereld der dingen tenslotte één en hetzelfde zijn, 0 wonderlijk doorzichtig raadsel, daarom treedt het ontuitsprekelijke ons tegemoet uit elk ding, uit elke steen, uit plant en dier en mens. Daarom zijn alle dingen een eeuwig wonder en de mens, die tot dit inzicht is gerijpt, wordt weer als een kind; het leven is één voortdurende, vreugdige verwondering voor hem. De dichterlijke Tsjuang Tse noemt Tao het eeuwig orgelspel des hemels. Wanneer de mens iets aan wil duiden, waarvoor zijn verstand te kort schiet, wat zijn verstand te boven gaat, dan kiest hij een symbool. Lao Tse koos tot symbool de Moeder. Is er schoner, dieper, inhoudrijker symbool denkbaar?
Maar Zij is zeer wonderlijk, onze Grote Moeder. Ofschoon Zij in menselijke moeders werkt, is Zijzelve niet menselijk en wij mogen Haar geen menselijke eigenschappen toekennen. De menselijke moeder heeft aandacht en zorg voor elk van haar kinderen; zij heeft ze lief en voorziet in hun noden en behoeften. Maar de Grote Moeder is anders; Goddelijke voorzienigheid is een al te menselijk begrip; het is niet op Haar van toepassing. Zij heeft niet lief; Zij heeft geen voorkeur; Zij kent noch telt Hare talloze kinderen; achteloos strooit Zij Haar onuitputtelijke gaven uit over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; Zij maakt geen onderscheid. “Al die duizend, duizend samen, kent de Heere bij de namen”. Dat is (237) heel kinderlijk, heel primitief. “Er valt geen musje van de daken zonder Gods wil.” Dat is heel primitief en heel troostrijk misschien voor kleine, angstige kindertjes. Vele mensen zijn nog zo en zij kunnen de Grote Moeder niet begrijpen. Als zij iets van Haar bemerken, noemen zij Haar wreed. Maar Zij is niet wreed; Zij kent liefde noch haat; Zij is onaantastbaar, kalm, sereen. Zij is eeuwig en het Eeuwige bekommert zich niet om het enkele verschijnsel, hetzij ster of steen, plant, dier of mens. Zo spreekt Lao Tse:
“Aarde noch Hemel, letten op de mens; voor hen zijn wij als offerhonden van stro, waard om weggeworpen te worden.”
Offerhonden van stro werden gebruikt bij de eredienst der voorvaderen. Maar als zij hun dienst gedaan hadden, dan werden ze achteloos weggeworpen. De Grote Moeder let niet op de mens. William Blake wist het ook. Hij zeide:
“Zoals de ploeg naar woorden luistert, zo verhoort God gebeden.”
Hoe wonderlijk eng en benepen moet het Godsbegrip van die Christenen wel zijn, die bordjes hangen in wachtkamers en tramwagens: Vloekt niet, want gij beledigt daarmee God. Hoe zou de kleine mens, ééndagsvlieg, met zijn woord, hoe lelijk ook, een eeuwige God kunnen treffen? Hoeveel meer wijsheid spreekt uit het Chinese gezegde: “Wie naar de Hemel spuwt, bevuilt zichzelf, maar de Hemel raakt hij niet.” Onaantastbaar hoog troont de Groter Moeder.
Het begrip Tê wordt doorgaans vertolkt met deugd. Het heeft inderdaad zeer nadrukkelijk betrekking op de mens, op zijn levenswijze, op zijn levenshouding. Maar het begrip deugd geeft toch niet voldoende weer, wat Lao Tse met Tê zeggen wil. In het Westen schijnt het begrip deugd nu eenmaal onlosmakelijk verbonden aan de dreigend opgeheven vinger Gods en het streng-gebiedende Gij-zult-niet van de dekaloog. Tê echter is de wijze, waarop de mens behoort te leven om in overeenstemming te zijn met Tao, om in harmonie te zijn met het Eeuwige, met Tao. Miskenning van het Eeuwige voert van verwarring tot ellende. Wie het Eeuwige kent is sereen en in deze sereniteit ligt de ware adeldom en de hoogste deugd. In harmonie met Tao leven, dat betekent geven en niets terug verlangen, voortbrengen en nergens aanspraak op maken, goed doen zonder ophef, in stilte.
De mens, die waarlijk Tê heeft, zal zich niet voor deugdzaam uitgeven; hij zal niet aan deugdzaamheid denken; hij zal niet op deugdzaamheid letten; hij zal niet naar deugdzaamheid streven; want hij heeft deugd als iets vanzelfsprekends en hij handelt deugdzaam, zoals hij ademhaalt. De mens met minder Tê zal zijn deugd niet willen verliezen; hij zal naarstig naar deugdzaamheid streven; hij zal voortdurend deugdzaamheid ten toon spreiden; hij zal voortdurend deugdzaamheid eisen van zichzelve en van anderen; hij zal over deugdzaamheid waken; hij zal deugdzaamheid trachten aan te kweken. De mens met geringer Tê moet altijd aan Tê denken en dus is hij waarlijk zonder Tê. Aldus spreekt Lao Tse:
“Als Tao verloren is, dan komt de menslievendheid. Als de mens- (238)
lievendheid verloren is, dan komt de plicht. Als de plicht verloren is, dan komt het dekorum.”
Lao Tse konstateert een voortdurende neergang. Waar de mensen leven in overeenstemming met Tao, daar spreken en denken zij niet over menslievendheid, barmhartigheid, gemeenschap, broederliefde, solidariteit. Tao is verloren en al deze dingen worden nu een behoefte, een verlangen, een hunkering, een ideaal en volgens velén zelfs een onbereikbare utopie. Maar als ook dit verloren is, dan worden ze door de onontkoombare noodzaak van het samenleven tot een harde plicht, waarop men voortdurend streng toeziet en men wordt trots op trouwe plichtsbetrachting. Als ook het plichtsgevoel verdwenen is, dan blijft niets meer over dan een lege, uiterlijke vorm, het dekorum. Men verlangt nog slechts van elkaar het in acht nemen der burgerlijke beleefdheid. Onder moeilijke omstandigheden valt dan ook nog het dekorum weg en de mens staat naakt in al zijn verminkte afzichtelijkheid.
Ouder-en kinderplichten, zo zegt Lao Tse, zijn een noodhulp, een ersatz voor het ontbreken van de natuurlijke harmonie in het familie-leven. En we kunnen er aan toevoegen: gemeenschapsplichten zijn een noodhulp voor het ontbreken van de natuurlijke harmonie in de samenleving. Onze moderne samenleving is al zeer onharmonisch en dus behoeven we ons niet te verwonderen, dat men veel en met nadruk spreekt over de plichten tegenover de gemeenschap.
Het is van zeer grote waarde Tao te kennen in geestelijke eenvoud. Zonder deze kennis en zonder deze eenvoud is veelweten, is geleerdheid een gebrek. Maar wie dit gebrek inziet, komt het zeker te boven.
Lao Tse’ s hoge wijsheid, waarvan hij zich terdege bewust was, ging gepaard met een diepe bescheidenheid. Meen niet van jade te zijn, zo zegt hij, houdt u maar voor een gewone steen. De wijze mens gaat niet prat op zijn wijsheid; hij praalt er niet mede. In zijn afkeer van alle Streberei gaat Lao Tse zelfs zover, dat hij opzettelijk verborgen wil blijven. Maar desondanks heeft hij toch tot zijn medemensen gesproken en hoogstwaarschijnlijk heeft hijzelf zijn boek geschreven. Wie van mening is, dat het Tao Tê King met koele verstandelijkheid is geschreven, zal hier wel weer een tegenstrijdigheid ontdekken. Maar hij zal Lao Tse nooit leren verstaan. De tegenstrijdigheid is slechts schijn.