Pantheïstisch Pleidooi

08/03/2009

Hoofdstuk 6

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 12:01

TIJD EN EEUWIGHEID.

De mens is een tijdelijk wezen. De religieuze mens kan zich opgesloten voelen binnen de grenzen van het tijdelijke als in een dwangbuis en hij lijdt onder het gevoel, dat hij zo niet leven kan, ja hij meent, dat hij hele­ maal niet leeft en hij hunkert er naar aan de grenzen van de tijd te ont­ komen. Zijn er wel mensen, die geheel en al zonder eeuwigheidshunke ­ ring leven? Of is geen mens geheel en al zonder eeuwigheidsverlangen, al is dat verlangen dan verdrongen, vaag en onduidelijk en nîet herkenbaar? Of zijn er oppervlakte-mensen en diepte-mensen zoals er oppervlakte ­ vissen en diepte-vissen zijn en kan ieder slechts leven in zijn eigen ge­ bied? Ik kan dat niet geloven; ik kan niet geloven, dat er twee soorten mensen zouden bestaan, religieuze van nature en a-religieuze van nature. De a-religieuze mens komt me voor als een zieke_ Het is geen kwestie van bewustzijn. Simpele, eenvoudige mensen kunnen zeer diep religieus zijn, zonder dat zijzelve zich dat bewust zijn. Zij hebben diepte, maar weten het niet. Maar men kan zich er ook bewust van zijn, maar het bewustzijn is bijkomstig. Feitelijk leven alle kinderen buiten de tijd en dat doen ze net zo lang tot de opvoeding ze dwingt te leven binnen de tijd. Ik meen, dat de hunkering om te ontsnappen nooit helemaal gedood kan worden Op vele verschillende wijzen heeft de religieuze mens getracht de kloof tussen tijdelijkheid en eeuwigheid te overbruggen. Vaak zijn die po­ gingen heel kinderlijk. Men onderneemt een pelgrimstocht naar de plaats, waar het eeuwige zich heeft geopenbaard; men gaat naar Betlehem, naar Lourdes, naar Benares, naar Jeruzalem, naar Mekka. Maar het is immers niet nodig op reis te gaan om het Eeuwige te zoeken. Het Eeuwige is overal en kan zich overal en steeds openbaren; het is niet aan tijd of plaats gebonden. In de hogere vormen van religie zijn die pogingen niet meer zo kinderlijk; daar wordt een psychische weg, de weg van de inkeer tot zichzelve gevolgd. Daar is het besef doorgedrongen, dat de Eeuwig­ heid niet een soort objektieve plaats is, ergens heel ver weg, in een hogere wereld, maar dat men Eeuwigheid ervaren kan binnen in de eigen ziel. Die ervaring is vreugdevol en onvergetelijk en slechts te bereiken door een diep naar binnen gericht zijn, want men moet zich helemaal van tijd en plaats los maken.

“Mijn vriend, zolang gij nog iets geeft om plaats en tijd,

Krijgt gij geen blik op God en op Zijn Heerlijkheid.”

dichtte Silezius. Het woord Eeuwigheid heb ik hier gebruikt als aanduiding voor een sub­ jektieve innerlijke ervaring en ik onderga die ervaring telkens als het mij gelukt de tijd te vergeten. En het is mijn diepste verlangen om dat te (165) doen! Ik roep het Aldous Huxley na: “Time must have a stop! ” Helaas, de wereld staat mij niet toe mijn horloge naar de lommerd te brengen.

Wanneer ik nu overga tot een meer theoretische beschouwing van de be­ grippen tijd en Eeuwigheid, dan doe ik dat niet terwille van de theorie. De theorie is hulpmiddel, hulpmiddel om mijn levenshouding ten op­ zichte van het Eeuwige duidelijk te maken. Want onze houding tegen­ over de Eeuwigheid bevat het antwoord op de meest essentiële levens­ vraag: Wat is de zin van ons bestaan?

Kant bracht een volstrekte ommekeer in de opvattingen over de tijd. Hij maakte duidelijk, dat de tijd niet iets is, dat onafhankelijk van de mens en buiten de mens bestaat, maar dat de tijd een menselijke belevings­ vorm is. Men spreekt dan ook terecht van een kopernikaanse omwente­ ling in het denken over de tijd. Tijd is onafscheidelijk van bewustzijn. Denken en bewustzijn zijn ondenkbaar zonder tijdsbeleving, maar waar geen bewustzijn is, daar is ook geen tijd. Gezien vanuit de tijd is Eeuwig­ heid iets onbegrijpelijks, terwijl we tegelijkertijd gedwongen zijn te er­ kennen, dat de onvatbare Eeuwigheid werkelijker is dan de begrijpelijke tijd.

Voor het vormen van ons tijdsbegrip is het noodzakelijk, dat we een be­ weging waarnemen of ons een beweging voorstellen. Reeds Aristoteles wees op de innige samenhang tussen tijd en beweging. In onze beleving ervaren we een vroeger en een later, een eerst hier en dan daar. Vanouds heeft de mens de beweging aan de hemel als uitgangspunt genomen voor het meten van de tijd. Die beweging is voldoende gelijkmatig om een bruikbaar tijdsbegrip te leveren. De hemelbeweging leverde een voor het praktische leven bruikbare universele tijd, waardoor elke duur in een en dezelfde tijdmaat gemeten kon worden. Duur is een eigenschap van de be­ weging. Elk objekt heeft een begin en een einde of m.a.w. na zijn ont­ staan heeft het een verleden en voor zijn einde heeft het een toekomst. Aristoteles noemde de tijd de konkrete synthese van verleden, heden en toekomst. De Franse filosoof Sartre vergat dit helaas weer of begreep het niet. Wel zegt hij, dat de tijd niet iets uitwendigs is, maar een beleving van het bewustzijn hij noemt dat het pour-soi – van verleden, heden en toekomst. Dat heeft hij geleerd van Kant. Maar in zijn grondeloos pessi­ misme knoopt hij daar zijn opvatting over het Niets aan vast. Ik leef in het Niets, zegt Sartre, want wat ik geweest ben, dat ben ik niet meer en wat ik worden zal, dat ben ik nog niet. Maar Sartre vergist zich, want de mens is wel degelijk, wat hij geweest is. Het verleden is geen dood ding, dat achter hem ligt, maar het ganse verleden is werkzaam in het heden. Ook de toekomst is niet iets, dat nog niet werkelijk is, want ook de toe­ komst is als gerichtheid en als potentie in het heden aanwezig. Zo zijn verleden en toekomst in het heden aanwezig, al beleven we door ons be­ wustzijn het naast elkaar als na elkaar.

We beleven de tijd als een vloeiend kontinuüm, d.w.z. hij verloopt zon­ der onderbreking en gelijkmatig. Ook is de tijd niet omkeerbaar; de tijd schrijdt voorwaarts, maar keert nimmer op zijn schreden terug. De we­ reld der verschijnselen is elk ogenblik nieuw, verandert voortdurend. Maar de Transcendentale Werkelijkheid, die aan de verschijnselen ten grondslag ligt, is onveranderlijk. Hoe paradoxaal het ook klinken moge, de wereld is altijd weer nieuw en blijft toch steeds dezelfde wereld. De wiskundigen werken met de mathematische tijd. Ze nemen een on­ (166) veranderlijk objekt aan, waarvan de baan verdeeld kan worden in opeen­ volgende, gelijke delen. Daar is dus geen verleden, heden en toekomst, want daarvan kan alleen gesproken worden bij veranderlijke objekten. Nu zijn echter alle objekten veranderlijk, alle hebben verleden, heden en toekomst. Het Eeuwige, onveranderlijke is het objektloze. De mathema­ tische tijd is dus een zuiver wiskundige abstraktie.

Elk verschijnsel heeft zijn eigen specifieke duur, waarin verleden, heden en toekomst verbonden zijn. Elk levend wezen heeft zijn eigen tijd, die bepaald is door zijn ontologische, zijn psycho-physische struktuur. Deze gedachte vinden we bij Bergson en Heidegger. Het tempo, waarin een levend wezen zijn bestaansbaan doorloopt bepaalt zijn tijd. Leefden wij 1000 maal zo snel, dan was onze levensbaan ook 1000 maal zo kort en dan zou voor iedere waarneming 1000 maal zo weinig tijd zijn. Onze ge­ hele Umwelt zou daardoor veranderen. Gezien vanuit ons werkelijke levenstempo zouden we dan maar dertig dagen leven; we zouden geen seizoenen kennen; een vliegende kanonskogel zouden we zien. Verliep ons levenstempo 1000 maal zo langzaam, dan leefden we dus 1000 maal zo lang; een jaar zou de indruk maken van 8%uur; seizoenwisseling zou­ den we waarnemen om de vier uur; elke minuut zou de zon op en onder gaan; we zouden de planten zien groeien. De techniek maakt het ons mo­ gelijk de planten te zien groeien, zonder dat ons levenstempo verandert. Met behulp van een filmapparaat kunnen we, wat zich heeft afgespeeld in een maand, in een uur af laten draaien.

Ik zou mijn levensbaan als een treinreis kunnen beschrijven. Ik moet me dan in een omgekeerde vorm uitdrukken, want ik glijd dan langs de dingen heen! Ik zeg niet: “Dat is er nog niet, maar ik ben daar nog niet.” Het naast elkaar, beleef ik als na elkaar. Als ik in de trein zit, glijd ik langs de bomen, de dorpen, de gebouwen heen, die op hun plaats blijven. Mijn levensbaan echter beschrijf ik niet door een star, statisch Heelal. Alles beweegt; elk objekt beschrijft zijn eigen baan en er is geen enkel vast punt. Vanuit het tijdelijke is er geen vastheid en geen zeker­ heid; vanuit het tijdelijke is er het onophoudelijk verschijnen en ver­ dwijnen; vanuit het tijdelijke is alles zinloos, zonder waarde en het men­ senleven zonder waardigheid. Maar zin, waarde en waardigheid hervindt de mens, als hij zich vermag los te maken uit de knellende banden van de tijd en het Eeuwige, het vormloze en tijdloze, toelaat in zijn leven. Hij kan dat niet bereiken, door de tijd tot in het oneindige te verlengen, want het Eeuwige is niet dat wat altijd duurt, maar dat wat alleen maar is.

Silezius roept de mens op zijn geest te verheffen hoog boven plaats en tijd, zodat zijn ganse bestaan kan opgaan in de Eeuwigheid. En daarvoor moet de ziel zuiver zijn en geheel leven uit het heilige Nu. En Karl jaspers zegt: “zich realiseren, dat is tot zinvolle existentie komen, dat is in de juiste relatie treden tot het Transcendente” en dat wil zeggen: in het tijdelijke het Eeuwige tot werkelijkheid brengen. Ieder weet, dat we in de droom ons besef van tijd verliezen. In onze droom kunnen we jaren doorleven, terwijl het horloge aangeeft, dat we slechts drie minuten hebben geslapen. Tijd hoort bij bewustzijn, maar het Onbewuste kent geen tijd. In het Onbewuste ligt alles naast elkaar in het heden; er is daar geen na elkaar. Silezius wist dat ook zonder diepte-psychologie. (167)

“Er is geen voor en na; wat morgen zal geschien,
Heeft God van eeuwigheid tot eeuwigheid reeds wezenlijk gezien.”

Een mens, bij wie bewustzijn en het onbewuste in harmonie met elkaar zijn, bij wie het Es en het Ik één zijn, leeft niet in de tijd. En eerst zulk een mens is waarlijk gezond. In een toestand van veranderde bewustzijns­ intensiteit verdwijnt het besef van tijd. Dit is het geval bij de onwillekeu­ rige aandacht, waarbij we volledig opgaan, ons totaal verliezen in datgene, wat dan in het middelpunt van onze opmerkzaamheid staat. De wille­ keurige aandacht is een opzettelijke wilsdaad, die heel gauw vermoeit. De spontane aandacht vermoeit nooit, integendeel, we ontwaken eruit voldaan en verfrist. Hoe weinig mensen beseffen, wat we onze kinderen aandoen door ze tot aandacht te dwingen voor wat ze geen belangstel­ ling inboezemt. En dat alles om zich te kunnen handhaven in een samen ­ leving, die door volstrekt zinloze haast wordt gekenmerkt. Haast en ner­ veuze beweeglijkheid zijn de typische kenmerken van de moderne grote­ stads-mens, die geen wortels heeft, die geen geduld heeft en geen kon­ centratie-vermogen, die altijd op weg is naar een onzekere toekomst en op de vlucht uit een onbevredigend heden. Maar een evenwichtig mens kan zich niet eens haasten. Een snelle beweging moeten we niet verwar ­ ren met een haastige. De haastige bewegingen zijn niet doelmatig. Een snelle, doelgerichte en doelmatige beweging is juist niet haastig. De mens moet zijn levensvervulling nooit afhankelijk maken van een tijd ­ stip in de toekomst, waarvan hij nooit weten kan of hij die daar vinden zal. Hij moet een zo groot mogelijke levensvervulling zien te bereiken in het moment zelve, dat hij leeft. Want eerst dan krijgt dit levens­ moment zijn volle portie. En hoe meer vervulling dit moment zelf geeft, des te minder denken we aan de toekomst. Nietsche leerde ons, dat het authentieke, het volle menselijke bestaan, een bestaan is in het Hier en Nu. Juist leven, goed leven is niet mogelijk, indien we het Eeuwige niet in de tijd toelaten. Wanneer verleden en toekomst in het Nu werkzaam zijn, dan omspant des mensen geest de oneindigheid en is zijn ziel vol Eeuwigheid; hij leeft in God. En wat zegt Silezius?

“Als ge niet leeft in God, houdt dit dan vast voor waar,

Dan zijt ge en blijft ge dood, al leeft ge duizend jaar.”

Maar we leven niet in God, als we de tijd tot in het oneindige verlengen en dit dan eeuwig leven noemen. Ook dat wist Silezius, deze geniale mysticus:

“Zie, dat ge dit doorgrondt: bij God is de Eeuwigheid;

Bij Duivelen in de hel is slechts een eeuwige tijd.”

Evenmin leven we in God, wanneer we geheel en al opgaan in bewuste handelingen, in drukke daden. Want dan worden we afgesneden, snijden we onszelf af van ons innerlijk leven, dat vanuit de diepte opwelt. Onze diepte is tijdloos en onze hyper-aktiviteit dwingt dit tijdloze leven in het harde harnas van de tijd. Volgens Jacob Boehme is Eeuwigheid het spel van God, het doelloze spel van God. In dit opzicht dacht deze Christen niet anders dan de Helleen Epikurus, volgens wien de Goden speelden in hun gelukzalige verblijven zonder zich te bekommeren om de aarde en de mens. Volgens Jakob (168) Boehme is Adams val een val van uit de Eeuwigheid in de tijd. Hij viel daarin als in een diepe valkuil; hij kon toen niet meer spelen, maar moest zwoegen om in leven te kunnen blijven. En dat is zo gebleven tot op de huidige dag, voeg ik er bij. Als het werk begint, begint de geschiedenis. Maar het eigenlijke zijn, het ware leven, het leven in God, dat begint pas als werk en geschiedenis ophouden en we weer hebben leren spelen. We zullen heus niet omkomen van de honger; er zijn machines. En de arbeid zelve kan tot een spel gemaakt worden, als we eindelijk inzien, dat de producent belangrijker is dan het produkt.

Hoe meer vervulling het moment zelve geeft, des te minder denken we aan de toekomst. Maar deze schone momenten van grote vervulling zijn in onze harde, haastige, arbeidzame maatschappij helaas zeer zeldzaam. We zouden graag in elk moment eeuwig willen zijn, maar we worstelen in de pijnlijke greep van de tijd. Voor elke, werkelijk diepe beleving van geluk moeten we onafhankelijk zijn van de tijd. En omdat ons dat niet wil gelukken, kijken we vol hoop reikhalzend naar de toekomst. Dan zal het werkelijkheid worden … in de toekomst, de diesseitige of de jenseitige … ach, het is beide even dwaas. Maar kan een mens dan zonder die hoop leven?

De stoïcijnen probeerden het door bij voorbaat van alle vervulling af te zien; ze streefden naar ataraxia, een van het leven afgewende, psychische onverstoorbaarheid. Wien het lukte, leefde inderdaad zonder vrees en zonder hoop, maar ook zonder deelname; hij leefde dan helemaal niet meer. Maar als we ons niet van het leven afwenden, als we het leven liefhebben en als het ons gelukt in het Nu volledige vervulling te vinden, dan blijft er niets te hopen over. De hoop is overbodig geworden!

DOOD EN ONSTERFELIJKHEID.

“Zie, dat ge dit doorgrondt: Bij God is de Eeuwigheid,

Bij duivelen in de hel is slechts een eeuwge tijd.”

(Angelus Silezius)

Er zijn niet zoveel mensen, die dit doorgronden. Wie verlangt naar eeuwig voortbestaan, verlangt niet naar de Eeuwigheid, maar naar de duivelen in de hel. Het individu kan niet eeuwig voortbestaan. Zonder de dood van het individu zou er helemaal geen individualiteit zijn en er zou geen be­ wustzijn zijn. Het unieke in elk levend wezen zit onlosmakelijk vast aan zijn eindigheid en eenmaligheid. Epikurus wist dat al; hij ontkende de persoonlijke onsterfelijkheid. Maar de dwaze mens strijdt tegen de dood; hij wil hem niet aanvaarden als horend tot het leven. De mens is een dier, dat niet sterven kan. Maar de mens, die nooit geleefd heeft, hoopt: “Ik zal nooit sterven.” Hij vreest de ondergang van het Ik en beseft niet, dat het voortbestaan van het Ik hem bij alle duivelen in de hel zou brengen. Maar de pogingen van het Ik om de onsterfelijkheid te veroveren – vele mythen verhalen ervan – zijn tevergeefs, zijn gelukkig tevergeefs. On­ sterfelijk is God alleen; onsterfelijk is dat was is; sterfelijk is dat wat be­ staat. Want wat bestaat, vergaat.

Volgens Unamuno is de angst voor de dood, het hart van elke religie. (169) Unamuno heeft ongelijk. Hij heeft te eenzijdig gekeken naar het Christen­ dom, waar de door schuldgevoelens gekwelde mens siddert voor het mo­ment, dat hij voor de eeuwige Rechter moet verschijnen.

Ons leven is een “sein zum Tode”, zegt Heidegger. Zeker, de dood is het einde van het individu, het einde van het Ik, maar dat is geen reden om te jammeren. We moeten leren dankbaar te zijn voor onze kortstondig­ heid, maar we zullen blijven wenen om bloemen, die in de knop gebroken zijn. Want we willen het leven tot zijn vervulling zien komen. Hoe weinig mensenlevens komen tot hun vervulling. Dankbaar zijn voor de kort­ stondigheid van ons bestaan is onmogelijk als we stikvol onbevredigde be­ geerten zitten. En het is heel begrijpelijk, dat velen hopen en verwachten, dat er een vervulling zal zijn na dit leven. Maar indien vervulling voor ons is weggelegd, dan is dat een vervulling hier en nu !

“Bloei op, bevroren ziel, Gods lente-wekstem noodt!

Bloeit ge niet hier en thans, dan blijft ge eeuwig dood.”

Aldus Silezius.

De wet van het behoud van energie geldt ook voor de organische wereld. Het organische als totaliteit schijnt onsterfelijk. Organismen ontstaan en organismen vergaan, maar het leven als totaliteit schijnt onvergankelijk. Maar dat is slechts schijn, want ook het organische als totaliteit is onder­ worpen aan de wet van worden en vergaan. Eenmaal is het leven op aarde voor het eerst verschenen; eenmaal zal het ook weer verdwijnen. Het eencellig organisme is aan afmeting gebonden. Als het in zijn groei die afmeting heeft bereikt, dan deelt de cel zich. Bij infusoriën b.v. kan deze celdeling onbeperkt doorgaan, indien milieu en voeding gunstig zijn. In een jaar tijds zou de infusoriënmassa dan de omvang van de aarde be­ reikt hebben. Bij eencelligen schijnt de dood van het individu dus geen natuurlijk proces. Er is in elk geval geen veroudering! En bij de mens is de kiemcel onsterfelijk, al is hij dat bij een sterfelijke gastheer of gast­ vrouw. Want alle andere cellen van ons organisme verouderen. Elke soort heeft zijn eigen, voor die soort karakteristieke, levensduur, vanaf vlinders, die slechts een dag leven tot de kalifornische den, die 1000 jaar kan wor­ den. Wat de betekenis hiervan is, weten de biologen nog niet. Levensangst en doodsangst gaan bijna altijd samen. De gezonde, vitale mens denkt niet aan de dood; hij leeft alsof hij nooit sterven zal. En dat is goed. De oude mens echter, die geleefd heeft, die uitgebloeid is, die begroet de dood als een vriend. Wie niet geleefd heeft, kan ook niet ster­ ven. Maar wie ja zegt tot het leven, zegt ook ja tot de dood. Maar ja zeg­ gen tot de dood wordt onmogelijk als men eigen zijn identificeert met het Ik. De opgeslotene in de tijd vreest de ondergang van het Ik, hij vreest het Niets. Maar de gelovige, hij die kontakt heeft met het Eeuwige, is bevrijd van angst. Hij sterft licht en onbekommerd als zijn uur gekomen is. De dood maakt een einde aan het Ik, maar niet aan het niet-Ik. Het niet-Ik, dat is het Totale Zijn, dat is het Eeuwige. Het Ik, dat is het be­ wustzijn en tijd is een bewustzijnsverschijnsel. In het onbewuste bestaat geen tijd; de onbewuste processen zijn in zichzelf tijdloos. Eeuwigheid is niet altijd duren, maar een manier van zijn, een zijn zonder verdringing. De aandriften zijn de universele grondwetten van de levensbeweging. De verdringing verstoort het levensrythme, verstoort het eeuwigheidsrythme. Daarom is een leven zonder verdringing een leven in de Eeuwigheid. En (170) wie in de Eeuwigheid leeft, bekommert zich niet om de ondergang van zijn Ik; hij aanvaardt die ondergang rustig en vindt die vanzelfsprekend. Doodsangst kent hij niet. Ik kan niet nalaten steeds maar weer de geni­ ale mysticus Silezius te citeren:

“Sterft gij niet graag, 0 mens, dan wilt ge ook niet graag leven,
Want het leven wordt U slechts door het sterven heen gegeven.”

Freud heeft in zijn latere geschriften de theorie van de doodsdrift ont­ worpen. Grote geesten maken grote fouten en de doodsdrifttheorie is er één van. De doodsdrift, die Freud bij zijn klinische ervaringen, heeft ontdekt, heeft hij niet herkend als een geperverteerde levensdrift. Aan­ driften zijn alle krachtens hun wezen levensdriften. De tegen de eigen persoon gerichte agressie, de aandrift tot zelfvernietiging is onbewuste afweer van een verboden of onmogelijke agressie naar buiten. In zijn meest extreme vorm leidt deze geperverteerde vorm van agressie tot zelfmoord. Maar juist in de zelfmoord zit een groot stuk hunkerend levensverlangen verborgen. Doodsverlangen is in wezen levensverlangen, maar een verlangen naar een leven in veilige geborgenheid. De neuroti­ kus tracht dit te bereiken langs de weg der infantiele regressie. De mysticus zoekt de geborgenheid in God, in de unio mystica.

Veel mensen lopen met een zelfr_lOordenaarspsyche rond, maar zij ma­ ken zich niet van kant. Afgewend van het leven, schimpend op het leven, rondwentelend in zwartgallig pessimisme, blijven ze voortbestaan. Sommigen zijn zeer tegenstrijdig; ze spannen zich in en werken hard en produceren dikke, geleerde boeken, zoals b.v. Schopenhauer en Sartre, om te bewijzen, dat het leven niet de moeite waard is om geleefd te wor­ den, dat het ons niets anders dan pijn en lijden, angst, walging en zorg kan schenken.

Waarom hebben zij zich zo ingespannen? De mens, die niet leven kan, die stikvol levensangst zit, koestert een onbewuste, maar diepe en hevige haat tegen de vollevende mens. Schematiserend zou ik in dit verband vier levenshoudingen willen onder­ scheiden.

1. De agressieve, van leven en wereld afgewende houding. Deze houding
is volledig negatief. Het is de houding van de zelfkweller, de zelfbe­
schuldiger, de zelfkastijder. Deze mens woedt onophoudelijk tegen
zichzelf. In extreme gevallen komt het tot zelfmoord. In de Middel­
eeuwen hebben in een milieu van wereldverachting zelfbeschuldiging
en zelfkastijding een grote rol gespeeld.
2. De agressieve, naar de wereld toegerichte houding. Ofschoon hier geen
sprake is van wereldverzaking, integendeel, is deze houding toch ook
volkomen negatief. Door de struktuur van onze op kompetitie berus­
tende samenleving worden velen in deze richting gedreven, een richting,
die feitelijk tegen de sociale natuur van de mens ingaat. Maar men
wordt gedwongen zich tegen de wereld te verdedigen om zijn deel te
veroveren, om niet van zijn plaats te worden gedrongen, om over ande­
ren heen omhoog te klauteren op de maatschappelijke ladder.
Een schijnheilige moraal preekt de onzelfzuchtigheid, maar bewondert
de man, wien het gelukt is omhoog te komen. Een zeer groot deel der (171)
mensen behoort tot deze omhoogklauteraars. Künkel, een leerling van
Alfred Adler, noemde dit type het Caesartype, dat wegduikt voor de
sterkere, maar meedogenloos toeslaat, als het zich zelf de sterkere weet.
Het al of niet bewuste, het al of niet uitgesproken levensbeginsel van
deze mensen is:
het is beter hamer te wezen dan aambeeld. De meesten zijn hamer en
aambeeld tegelijk en houden op deze wijze de keten der heerschappij
in stand. Ofschoon deze houding duidelijk in strijd is met het Christen­
dom, zowel als met het Humanisme, behoren toch vele zich noemende
Christenen en humanisten ertoe.
3. De libidineuse, van wereld en leven afgewende houding. Hier ontbreekt
de agressiviteit. Dat is zeker heel wat waard, maar toch zijn deze men­
sen dikwijls nog vrij negatief ten opzichte van de maatschappij en hun
mede-mensen. Freud noemt ze narcisten, omdat ze feitelijk alleen van
zichzelf houden. Het zijn de zoekers naar eigen ziele-heil, de individua­
listische kluizenaars, de in de mens teleurgestelden, de wereldverzakers
terwille van eigen verlossing. Zulke eenzame, teruggetrokken en be­
scheiden levende mensen zijn er vele. Ze doen niemand kwaad, maar
bemoeien zich zo min mogelijk met de maatschappij. Kluizenaars
leven heus niet uitsluitend in een hutje in het woud of in een grot. Men
vindt ze in onze tijd in de jungle van de wereldstad.
4. De libidineuse, naar leven en wereld toegewende houding. Dit is de enige
gezonde en positieve levenshouding. Ook hier ontbreekt de agressiviteit.
Er is evenmin wereldverzaking noch wereldontvluchting. Deze mens
aanvaardt het leven met vreugde en met liefde. Hij houdt van zichzelf
zowel als van de anderen. In onze maatschappij hebben deze mensen
het moeilijk, omdat ze krachtens hun psychische struktuur niet mee
kunnen doen en ook niet mee willen doen in de maatschappelijke
“struggle for life”.

Volgens de pessimist Schopenhauer is de wil tot leven – bij Schopen­ hauer moet men dat woord vertalen met aandrift een listig-verleidelijke macht, die de mens ertoe brengt te doen wat zinloos is, namelijk voortbe­ staan. Freud stond sterk onder invloed van Schopenhauer. Het doel van het leven is de dood, zegt Freud. Voor deze typische kultuurpessimist is het leven slechts een omweg naar de dood. Maar Freud maakt hier een toch wel zeer ongeoorloofd gebruik van het woord doel. Men kan immers niet eens zeggen, dat het einde van het leven de dood is. De dood is slechts het einde van het individu, het einde van het Ik, maar ondanks de onophoudelijke ondergang van milliarden organismen, zet het leven zich onoverwinnelijk voort. Ook het einde van alle leven op de aarde, betekent niet het einde van alle leven. Al weten we het niet, er is geen enkele reden om aan te nemen, dat de aarde de enige bewoonde planeet is. Alleen de mens, die zich vastklampt aan zijn Ik, die zijn Ik identificeert met het leven en die daardoor de ondergang van zijn Ik als de ondergang van het leven ondergaat, alleen zulk een mens kan spreken over de overwinning van de dood. Gezien vanuit het Geheel is er geen dood. Hij is slechts een overgang van de ene levensvorm in de andere. Het rijk van de dood be­ staat nergens; het is een fiktie evenals het rijk van het kwaad. Dood en Duivel zullen als de afzichtelijke personifikaties en projekties van ver­ ziekte, angstige mensen eenmaal hun verschrikking verli~zen. . Eenzijdige, klinische oriëntatie bracht Freud tot de foutIeve konceptIe van de doodsdrift. Noch bij de mens, noch bij het dier is sprake van een (172)

naar Hoofdstuk 6 vervolg1

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress