(TIJD EN EEUWIGHEID vervolg2)
Meestal omterscheidt men een aantal phasen, die doorlopen moeten worden om het doel, dat KarlJaspers konkret erlebter Unendlichkeit noemt, te bereiken.
Eerste phase, de ontwaking. Het dringt tot het bewustzijn door, dat het kleurloze, alledaagse leven binnen de enge grenzen van de tijd en de ruimte niet het volle leven is en het verlangen wordt geboren naar een vollediger en dieper zijn.
Tweede phase, de reiniging. (via purgativa). In de Oosterse meditatie verstaat men daaronder het zich losmaken van de begeerten, die als onrein worden ervaren. De begeerten zijn op zich zelf echter in het geheel niet onrein; de onreinheid zit in de psyche, in de onzuivere houding tegenover de begeerten. Ik wijs met nadruk op Goethe’s uitspraak: Dem Reinen ist alles rein. Wanneer de innerlijke in stelling zuiver is, zijn de gedachten, de voorstellingen, de gevoelens en de handelingen vanzelf zuiver. Hoe weet men, dat men de tweede phase heeft doorlopen? Eerstens doordat men bevrijd is van al te grote Ik betrokkenheid; men weet dan het Ik is niet belangrijk. Tweedens door dat men vervuld is van diepe schroom tegenover de zijnden, ongeacht of dit zijnde een medemens is, een dier, een plant of een ding. Men beseft dan, dat het verschil daartussen niet essentieel is.
Derde phase, de verlichting. (via illuminativa). Het besef dringt door, dat geen enkel zijnde op zichzelf bestaat, dat alles met alles verbonden is in een wonderschone, harmonische, maar ondoorgrondelijke samenhang. Ook zich zelf weet men dan opgenomen in en deel van deze samenhang en de dichter van Collem zingt:
“Ik zag mij door een zangersrei omringen
En stond te zingen zelve in dien kring.”
Men voelt zich opgenomen in de eeuwige reidans des levens. Dansers vallen uit; nieuwe dansers treden op. In den hemel is enen dans, maar hemel en aarde zijn één geworden.
Vierde phase, de via unitiva, volgt gemakkelijk en geleidelijk uit de vorige. Het is de unio mystica, het wegvallen van de scheiding tussen subjekt en objekt. Vooral hier heb ik er behoefte aan er nogmaals op te wijzen, dat in de meditatie-toestand het gevoel van eenheid met het objekt een grote intensiteit kan bereiken. Maar deze toestand is voorbijgaand en is ook niet het eigenlijke doel van de meditatieve oefeningen. Het eigenlijke doel is een blijvend gevoel van verbondenheid met alles wat ons omringt, een (181) gevoel en een besef, dat ons nooit meer geheel en al verlaten kan. Silezius zegt in één van zijn wondermooie spreuken:
“Zie wat ge niet kunt zien, ga waar ge niet kunt gaan,
Hoor aan, wat stemloos is, dan zult ge God verstaan.”
Het zien, dat Silezius bedoelt, is geen zien, dat alleen met het gezichts orgaan geschiedt. Het kijken is niet bedoeld. Het meditatieve zien is een meer verinnerlijkt gebeuren; het moet geleerd en ingeoefend worden, totdat de diepere lagen der ziel erin betrokken zijn. Zodoende ontdekt men het Zijnde. Dit bedoelt William Blake, als hij zegt, dat de ogen der aanschouwing in ons open moeten gaan, als we de dingen willen zien, zoals ze werkelijk zijn. Dit wordt mogelijk zegt Blake door spiritual sensation, dat is de kracht der verbeelding. Het zien wordt tot een schouwen; daarzonder is er alleen het zintuiglijke zien en dat is net zo goed een vorm van blindheid als kleurenblindheid.
Als we geleerd hebben te schouwen, kan het vruchtbare denken begin nen; we houden ons bezig met de innerlijke ontmoete realiteit. Dat denken is niet zo eenvoudig. We moeten volkomen zuiver staan tegen over het geschouwde, maar reeds postgevatte, verstarde, niet geordende, niet kritisch gekontroleerde en dus niet beheerste denkbeelden staan ons in de weg. Die moeten dus opgeruimd worden. Dat is niet eenvoudig. Nodig is allereerst, dat we leren inzien, dat zulke soort denkbeelden in ons zijn, dat ze zich in ons bewegen, onafhankelijk van onze wil. Vooral vlak voor het slapen gaan, kan een stroom van denkbeelden en voorstellingen langs ons trekken. Wanneer we geleerd hebben ze tot rust te brengen, er afstand van te nemen, ons te ontledigen, dan bereiken we een toestand van gespannen opmerkzaamheid en van geactiveerde verwondering. Nu moet de blanke, verstilde aandacht geconcentreerd worden op het voorwerp. Het eigenlijke, verdiepte denken kan nu be ginnen. Bij deze toestand van diepe aandacht kan de blik niet afdwalen, omdat het voorwerp ons geboeid vasthoudt. Deze manier van zien en denken kan men niet in het Oosten leren, omdat ze typisch Westers is. Is niet de gehele Westerse wetenschap opgebouwd op dat volstrekt on bevooroordeelde zien? Velen verloochenen deze prachtige, zindelijke wijze van zien en denken terwille van de vaak zo zwoele, Oosterse me ditatie. Dit dwepen met en zwijmelen in Oosterse mystiek is een ont bindingsverschijnsel; daaruit wordt geen nieuwe, levende religie geboren. Wanneer we nu op deze wijze het voorwerp hebben gezien, erover heb ben nagedacht en zijn samenhang hebben doorschouwd, dan onthult het voorwerp zich aan ons, terwijl toch zijn diepste grond, waaruit we het nu zien opstijgen verborgen blijft. En een grote vreugde, vermengd met verbazing en ontzag vervult ons. Het kennen is een herkennen geworden. We hebben nu door deze gekontroleerde vorm van denken een grote ont dekking gedaan: de dingen zijn niet autonoom, niet onafhankelijk van elkaar; ze staan niet apart. Elk ding hangt op een oneindig aantal wijzen met de ganse Kosmos samen en stijgt op uit de ondoorgrondelijke diep te. Elk ding vertolkt en vertegenwoordigt de Samenhang, het Totale Zijn, God. Het ding lost zich in dit Totale Zijn op; we zien, dat het alleen door en in en uit die Samenhang bestaat en we begrijpen nu volledig deze prachtige woorden: … Gód, … door Wien, uit Wien en tot Wien, alle dingen zijn.
De dingen zijn transparant geworden en het leven doorzichtig, een door- (182) zichtig raadsel, dat is mysterie. Wie deze transparantie van het zijn niet heeft ervaren, die weet niet van mysterie, die kent alleen maar mist. Deze manier van zien, van kennen, van denken is dus wel heel anders dan het logisch opbouwen van systemen, dan het methodisch opbouwen van denkbeeldenblokken tot een star, onbeweeglijk geheel. Hier wordt niet meer met denkbeelden gespeeld en gegoocheld, hier is geen ruimte meer voor speculatie, geen mist, waarop we onze wensdromen kunnen projecteren. Deze zuivere reflexie doet heel wat heilige huisjes explode ren. Er is veel moed voor nodig, maar wie het aan kan, het aandurft, die ziet God. De meditatie loopt uit op de aanschouwing van het Totale Zijn!
Om te kunnen horen, wat stemloos is, moet dit horen meer zijn dan het zintuiglijke luisteren. Ook het horen, waarover Silezius spreekt is een verinnerlijkt gebeuren, dat moet worden geoefend en men “hoort” dan het geruisloze worden, het geschieden, het gebeuren en met verbazing ervaart men dat het Zijn zich oplost in het Worden, het onophoudelijke Worden, de ademhaling Gods. Ik dacht, dat ik bestond en mijn vaste grenzen had. Toen zag ik God en weet nu, ik ben een voorbijgaande glinsterende golf in de eeuwige stroom des Levens, een kortstondige zucht in de eeuwige ademhaling Gods. En het is mij daarbij wel te moede. Kan men dit “horen” leren? Ja, men kan het leren. Tersteegen bad:
“Herr, rede Du allein
Beim tiefsten Stille-sein
Zu mir in Dunkeln. ”
Zoals het “zien” belemmerd wordt door ongekontroleerde, versteende denkbeelden en voorstellingen, zo wordt het “horen” belemmerd door ongekontroleerde, ingeklemde emoties en affekten. Ook nu is een ont lediging noodzakelijk. We moeten ons van onze gevoelens distanciëren en dat is mogelijk door ze bewust te maken. Meestal zijn we gevangen in een doorlopende gevoelsstroom, bewuste en onbewuste in ongeorden de vermenging. Wij beheersen ze niet, maar de emoties beheersen ons; wij zijn hun prooi. Dit nu moet veranderen. Onderdrukking baat niet, want juist door onderdrukking en verdringing ontsnappen ze aan onze kontrole. Maar we moeten ze beheersen d.w.z. er heer over zijn. In de Middeleeuwen waren er mensen, die dit probeerden te bereiken door zich zelf te geeselen of te laten geeselen. Zelfkwelling was daarbij niet de eigenlijke bedoeling; ze deden het niet om pijn te lijden, maar om zich niet door de pijn te laten leiden. Ze wilden onafhankelijk van hun gevoelens worden. Nu is dat niet de weg voor de mens van onze tijd. De mens van nu moet leren zich uit te spreken, zijn gevoelens onder woorden te brengen. Het komt er opaan de aanwezige gevoelens tot voorwerp van meditatie te maken. Het is heel moeilijk, dit geheel alleen te doen. Het beste is een leraar te zoeken, een vriend, een geliefde, in elk geval iemand bij wien we ons vreesloos geheel uit kunnen spreken. In het gesprek over de emotie groeit de distancie en de afstand wordt geleidelijk groter en dan merken we tot onze grote blijdschap, dat de hevige emotiestroom tot rust komt. De gevoelens razen niet meer wild en teugelloos, maar ze zijn stil. Ze zijn nu niet weggedrongen, ze zijn er nog, maar ze zijn geordend. Het is duidelijk, dat eenzelvige, gesloten mensen hier weinig kansen maken. Wie zich niet uitspreken wil of kan, zal God niet horen. Zonder openheid tegenover zichzelf en tegenover de (183) medemens hoort men Gods stem niet, ook niet als men de stilte zoekt. In de stilte hoort men dan het huilen der demonen, het krijten en krijsen der ingeklemde affekten.
En wie dat hoort ontvlucht de stilte. En wie de stilte ontvlucht, ontvlucht God. Want God spreekt slechts tot de mens “beim tiefsten Stille-sein.” Wie in de stilte Gods stem hoort, geeft zich over, laat zich opnemen in Zijn stroom, klemt zich niet meer vast aan zijn Ik, maar geeft het prijs. Hij wordt een deel van het vloeiende en vervloeiende Algebeuren, dat God is. En zo wordt hij één met God, bereikt hij de unio mystics, die Christelijke mystici de Heilige Bruiloft noemen. En tenslotte leidt dit alles dan tot een blijvende, diep-beschroomde, eer biedvolle, verborgen omgang met de dingen, de bloemen, de dieren, de mensen. Die verborgen omgang is altijd heel voorzichtig, aarzelend tastend, vol terughouding, omdat men nu weet: omgang met de werkelijkheden des levens is omgaan met God.
RELIGIEUZE SYMBOLIEK.
De mens heeft de behoefte dat wat in hem leeft tot uitdrukking te bren gen, uiterlijke gestalte te geven. Zijn religieuze gevoelens brengt hij tot uiting in de kultus, de eredienst van het heilige. Kultus is de gestyleerde uitdrukkingsbeweging van alles wat als heilig wordt ervaren. De eredienst is daarom een onmisbare uitdrukkingsvorm van de religie. Een religie zonder eredienst is mij niet bekend en lijkt mij ook niet denkbaar. Maar de vormen zelve wisselen veelvuldig. In de eredienst verricht de mens heilige handelingen, hij hanteert heilige voorwerpen, hij spreekt heilige woorden. De handelingen, de voorwerpen, de woorden hebben een symbolische betekenis. Wat het woord betreft, geldt dit uitsluitend voor de liturgische woorden; het geldt niet voor de preek, die zich hoofd zakelijk richt tot het verstand. De religieuze symbolen geven gestalte aan het Onuitsprekelijke; ze verwijzen naar het Transcendente, dat boven verstandelijk is en zich alleen in symbolen uitdrukken laat. Daarom is het religieuze symbool onmisbaar. Alleen verstokte intellektualisten kunnen in de symbolische denkvormen minderwaardige uitdrukkingsvor men zien. Het symbool verbergt en onthult tegelijkertijd, zo zegt Tuin stra. Het religieuze symbool onthult de verborgenheid Gods, die echter desondanks verborgen blijft voor het verstand. Het werkwoord sym ballein betekent samenballen; het Vormloze en de vorm worden samen gebracht in het religieuze symbool. Daarbij is symbool zelve bijzaak. Hoofdzaak is datgene, wat gesymboliseerd wordt en dat is in de religie het Transcendente of beter de transcendentale situatie, waarin de mens zich bevindt. Wanneer het akcent verlegd wordt naar het symbool zelf, dan ontstaat een vage en zelfs een lege symboliek. In de loop der eeuwen worden kultushandelingen en kultuswoorden gekanoniseerd. De inhoud sterft af, de uiterlijke vorm handhaaft zich. De levende kultus verwordt tot dood ritueel; alles wordt tot sleur en dreun. De mens voelt er dan niets meer bij, behalve verveling en hij beseft nauwelijks meer de beteke nis en de bedoeling der rituele handelingen en gebeden. De diepe aan drang tot het verrichten van heilige handelingen en het prevelen van heilige woorden wordt een domme gewoonte, een saaie godsdienstplicht_ Men doet het fatsoenshalve, zoals men de beleefdheidsvorm: hoe maakt u het? gebruikt, terwijl men dodelijk onverschillig is of zoals een gewoon- (184) te-zoen in een doodgelopen huwelijk. Men behoort immers zijn gods dienstplichten na te komen, evenals zijn maatschappelijke plichten en zijn echtelijke plichten.
Maar daar, waar de mens gemaand moet worden of waar hij zuchtend gehoorzaamt, daar is allang geen religie meer, geen gemeenschap, geen liefde. Men kan lid zijn van een kerkgenootschap en dat om allerlei motieven willen blijven, maar met religie heeft dit lidmaatschap dan helemaal niets meer te maken. Het is wel juist, dat de regelmatige herha ling der mystieke symboliek telkens tot herbeleving leidt, maar in die regelmaat schuilt bij uitstek het gevaar van verstarring. En meestal merkt men dat niet eens. De onbeschaamde achteloosheid, waarmee niet weinig Christenen hun gewoonte-gebed afraffelen, heeft me altijd verbijsterd. De psycholoog Jung is de grote onderzoeker van religieuze symbolen. Hij ziet de mythen als geprojekteerde symbolen der religieuze ervaringen. De mythen zijn heilige verhalen, uitgezonderd dan de verklarende mythen, want deze missen het religieuze aspekt. De gestalten der mythen zijn de arche-typische projekties van het kollektieve onbewuste. De scheppers der mythen begrijpen zelf hun betekenis niet. De mythe-schepper denkt niet. Hij is als de kunstenaar, die uitdrukt wat in hem leeft, maar die men niet moet vragen wat hij heeft bedoeld. De primitieve mens ont trekt zich zoveel mogelijk aan intellektuele processen. Denken is voor hem ondraaglijk vermoeiend. Hij uit zich niet in denkvormen, maar in motorisch ritueel, in magische handelingen. De primitieve zegt geen ge beden op; hij danst. Zijn dansen is bidden. Theologische denksystemen vindt men in hogere vormen van religie. Zij zijn het werk van de priesters, maar de mythe is de oorspronkelijke neerslag van de religieuze ervaring. Zelfs in de latere mysterie-religies werd weinig meegedeeld, werd niets onderwezen, maar werden voorwerpen getoond en vooral handelingen uitgevoerd.
Het is dan ook begrijpelijk, dat de kultus de mensen sterker verbindt dan het leerstellige woord. Men moet het leerstellige woord onderschei den van het liturgische woord. Het leerstellige woord richt zich in hoofd zaak tot het verstand; het is de preek; het is theologie. In het intellektua listisch protestantisme neemt de preek de voornaamste plaats in. Het liturgische woord echter hoort bij de kultus; het heeft symboolwaarde evenals de handelingen. De inhoudsrijke en zeer verzorgde eredienst van de katholieke kerk bindt ongetwijfeld sterker dan een preek dat doen kan. Over de preek wordt nagedacht en nagesproken en het woord kan scheiden. De kultus verbindt de mensen door gemeenschappelijke bele ving. Sinds Gustave Le Bon weten we, dat de emotie van de enkeling in een homogene groep geweldig wordt versterkt. Het spreekt vanzelf, dat alleen die mensen in de religie verbonden zijn, die de religieuze symbolen op dezelfde wijze beleven. Men kan trouwens niet in zijn eentje religieuze symbolen hebben. Het gemeenschappelijk gevoelsleven moet tot uiting kunnen komen in de beleving van hetzelfde symbool op dezelfde wijze. Het gemeenschappelijk zingen kan daarbij een grote rol spelen. Maar de samenzang bezit niet als zodanig bindende kracht. De enkeling, die buiten de groep staat, kan wel meezingen, maar dat bindt hem niet aan de groep als de symbolen van de groep geen waarde voor hem hebben. Het symbool is affektgeladen, maar uitsluitend voor wie er in gelooft, voor wie er door wordt aangeraakt tot in de diepte van zijn ziel. Het gaat dus niet om het puur verstandelijk verstaan van het symbool. Het symbool moet op de totale psyche inwerken, ook op het bewustzijn, (185) maar vooral op het onbewuste. Bij de primitieve mens speelt dat bewust zijn maar een geringe rol. Het kan gemakkelijk tijdelijk in de beleving qndergaan. Bij de moderne mens is dat niet meer mogelijk, althans heel moeilijk. Het gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen van zeer hevige emoties. Maar meestal gaat het bewustzijn niet geheel en al onder in de religieuze beleving. Het bewustzijn houdt zich toch met het symbool bezig en daarom moet het de moderne mens iets zeggen, anders funktio neert het niet meer. Het symbool ontstaat daar, waar het verstand niet of nog niet doordringen kan en drukt iets uit van het verborgene. Maar als het verstand in dat verborgen gebied is doorgedrongen en er begrip is ontstaan, dan heeft het symbool zijn funktie verloren. Het is overbodig geworden. Religieuze symbolen onderscheiden zich van alle andere symbolen doordat ze nooit overbodig worden, niet overbodig kunnen worden. Natuurlijk kunnen ze wel door andere worden vervangen. Het religieuze symbool heeft een ruimteloos en tijdeloos karakter en het is principieel onmogelijk voor de mens in deze transcendentale Werkelijk heid door te dringen.
In de oorspronkelijke, primitieve gemeenschappen speelden de religieu se symbolen een veel grotere rol dan tegenwoordig. Deze gemeenschap pen waren echte gemeenschappen, d.w.z. ze hadden een sacraal karak ter. Toen ze waren ondergegaan, moet ongetwijfeld een enorm verlies aan levensgeluk daarvan het gevolg zijn geweest. Maar toen ontstonden nieuwe sacrale gemeenschappen, ditmaal geheel los van bloed en bodem. Dat waren de mysterie-religies en deze schiepen een nieuwe symboliek. Het Christendom was ook eens zo’n mysterie-religie en schiep als voornaamste symbool het kruis.
Jung ontdekte, dat zeer bepaalde religieuse symbolen soms kunnen op stijgen uit de diepten van het onbewuste. Het zijn archaïsche symbolen, rudimenten van de oerreligie. Zij zijn onpersoonlijk en gelijk voor alle volken en alle tijden. Ook in de psyche van de moderne mens zijn ze aanwezig en aanwezig zijn in de psyche betekent altijd funktioneren. Jung noemt ze Urbilder of archetypen. Zoals alle religieuse symbolen zijn ze sterk affektgeladen.
Zo komt de cirkel dikwijls voor als symbool der volkomenheid. Bekend is de voorstelling van de slang of oerdraak, die zichzelf in de staart bijt. De bol, het ei, het ronde zijn symbolen van het Oerbegin. De wereld ontstaat uit het Oerei. Het ronde heeft een hermaphroditisch karakter; het bevat man en vrouw, hemel en aarde. Het is de Oeruterus, de moeder lijke Oerschoot, waaruit alles geboren wordt en die alles weer verslindt. In de oudste mythen heeft deze Oermoeder dan ook steeds een twee slachtig karakter. Zij is de barende, voedende, verzorgende en schenken de Moeder en tegelijk een donkere, verscheurende, bloeddrinkende, ver slindende, angstwekkende godin. In later tijden kon de mens blijkbaar deze tweeslachtigheid niet meer aanvaarden en werden de scheppende, positieve aspekten gescheiden van de vernietigende, negatieve. Toch hebben de grote, liefderijke moeder-godinnen altijd nog wel iets van hun oorspronkelijk duister aspekt behouden. De mens moet al heel vroeg, zoal niet begrepen, dan toch intuïtief beseft hebben, dat het leven zich vernieuwt door de dood.
De sexuele symboliek speelt in de mythe een grote rol. Dat symbolen van liefde en huwelijk zo vaak gekozen worden, komt niet alleen door dat dit zulke verstaanbare beelden zijn, maar doordat een diepe verwant schap bestaat tussen sexuele en religieuse ervaringen. Moeder, zoon, (186) maagd, kind, later ook de vader worden tot religieuse symbolen. De stier en de slang komen vrij algemeen voor als vruchtbaarheidssymbolen. Als de stier is verdwenen blijven de horens als symbolen van vruchtbaarheid nog over en als ook deze verdwenen zijn, rest ons nog de hoorn des overvloeds, al denken de meesten daarbij stellig niet meer aan de stier. Vrijwel bij alle antieke kultuurvolken komt de slang voor als symbool van de goddelijke aarde. Maar de stier is belangrijker; hij wordt gedood, verscheurd; zijn bloed wordt gedronken, zijn vlees gegeten of ook wel uitgestrooid over de akker. Zijn horens zijn phallussymbolen. Het vuur maken is symbolisch voor de bevruchtende geslachtsdaad. Het holle stuk hout draagt de naam van het vrouwelijk geslachtsorgaan; de stok, die in de holte wordt rondgedraaid draagt de naam van het mannelijk orgaan.
De oudste archeologische gegevens betreffen meestal het begrafenis ritueel. De primitieve mens twijfelde niet aan het verder leven van de ziel na de dood. De doden konden nog veel invloed uitoefenen; ze had den nog veel dingen nodig en de overlevenden brachten offergaven op het graf. Het sterkste motief van dit oeroude begrafenisritueel was onge twijfeld de angst, angst voor de voorouders, geen angst voor de dood. Veel ceremoniën dragen daardoor een overwegend afweer karakter. Freud legde verband tussen dergelijke rituele symboolhandelingen en de dwangneurose. Kenmerkend voor beide is het nauwlettend bezig zijn met allerlei details, waaraan grote waarde wordt gehecht. De geringste afwijking kan gevaarlijk worden. Wanneer het ritueel niet op de juiste wijze wordt verricht of wanneer de dwanghandeling wordt onderdrukt, ontstaat angst. En het is deze, meestal onbewuste, angst, die tevens de basis is van de weerstand tegen de verandering van de liturgie of de in voering van geheel nieuwe symbolen.
Als de verlossingsreligies hun rol gaan spelen, heeft er een akcentver schuiving plaats. Niet afweer, maar reiniging is nu het hoofddoel. De reiniging geschiedt door water, een enkele keer door vuur. Het doopsel is zulk een reinigingsritueel. De afwassing met of de onderdompeling in water is dan symbolisch voor de reiniging van de ziel. Misschien zal in de toekomst een nieuwe akcentverschuiving plaatsvinden, als afweer uit angst en reiniging uit kwellend zonde-besef hun betekenis verloren zullen hebben. De aarde is toch heus niet zo heel groot en het is niet ondenkbaar, dat eens alle mensen van de gehele aarde zich verenigd zulkn voelen in een gelijktijdige viering van het levenswonder. Het volle akcent zal dan vallen op de huldigingsceremonie. En misschien zullen de mensen dan weer echt feest kunnen vieren en zullen nieuwe symbo len uitdrukking geven aan blije, vreugdevolle levensaanvaarding en levensheiliging. Dichters dromen er nog steeds van, wereldhervormers geloven er in en zelfs auteurs van science fiction verhalen schrijven er soms over.
Oorspronkelijk was de expressie van het Onuitsprekelijke stellig niet de voornaamste funktie van het symbool. De oorspronkelijke, sacrale symboolhandelingen hadden voornamelijk ten doel de mens in het be zit te stellen van de kracht van het Transcendente. Veel onbewuste verlangens en wensen werden in de symbolische wereld voldaan. Men voelde zich afhankelijk van medicijnmannen en priesters, want zij alleen kenden de heilige woorden en zij alleen wisten, hoe het ritueel moest worden uitgevoerd om het werkzaam te maken. In de katholieke kerk (187) hebben de priesters het monopolie van de heilige sacramenten. De primi tieve mens trachtte in het bezit te komen van transcendentale kracht door zijn God aan te doen. Hij kleedde zich in de gestalte van zijn God; zo werd hijzelf God en kon deel krijgen aan goddelijke eigenschappen. De heilige maskerdansen der primitieven moeten in dit licht worden ge zien. De uiterlijke bekleding verleent bovenmenselijke eigenschappen. De bekleding maakt de God; mijter en staf maken de bisschop; sterren mantel, kroon en skepter de koning; pruik en toga de rechter; hoge hoed en geklede jas-de heer. De uiterlijke bekleding heeft op de psyche van de primitieve mens een zeer sterke magisch-suggestieve uitwerking, waardoor de mens is, wat hij voorstelt. In het Evangelie is deze primitiviteit overwon nen. Jezus is drager van het Transcendente, maar hij heeft een onaanzien lijke gestalte en geen enkele officiële waardigheid. Het uiterlijke deed er helemaal niets meer toe; het innerlijk alleen was drager van het Transcen dente. Kunstenaars, die dit niet begrepen, gaven Jezus een schone gestalte. Kunstenaars, die dit begrepen, maakten Jezus zelfs opzettelijk lelijk van uiterlijk. Hij die zich de plaatsvervanger van Christus op aarde noemt, is echter tot het primitieve niveau teruggevallen en hij schaamt zich blijk baar niet voor zijn paleis en zijn pralerige pronk.
Een andere, niet minder primitieve methode om God te naderen is het gaan naar heilige plaatsen. Een plaats wordt heilig geacht, omdat daar het Transcendente zich geopenbaard heeft. Daarom gaat de katholiek naar Lourdes, de Islamiet naar Mekka, de Jood naar Jeruzalem, vele Christenen naar Betlehem. Maar de mens zal moeten leren, dat er in het ganse Heelal geen plaats is, die niet heilig is. Hij hoeft dan geen verre reizen meer te maken om God te ontmoeten.
En dan is er nog die wonderlijke weg, die ik niet anders noemen kan, dan het eten van God. Inniger kan men het Eeuwige niet in zich opne men. De methode berust op het geloof, dat door het eten van de drager van het Transcendente men deel krijgt aan zijn goddelijke eigenschappen. Ditzelfde motief speelt een rol bij primitieven, die het bloed van een dappere vijand drinken om dapper te worden als hij. Bij de heilige totem maaltijd wordt het anders onaantastbare totemdier gedood en door alle clanleden gegeten om op die wijze deel te krijgen aan zijn eigenschappen. In de Mithrasdienst wordt de stiergod gedood en zijn bloed wordt ge dronken. De god Dionysos wordt verscheurd en verslonden en zijn aan hangers worden van den God vervuld. De Azteken in het oude Mexico maakten een beeld van deeg en maïs. Het werd gedood met een lans en door allen gegeten. Het is duidelijk dat het Christelijke heilig avondmaal geen andere achtergrond heeft. Hoe taai primitieve opvattingen zijn en hoe diep ze in de psyche verankerd kunnen liggen, blijkt uit het feit, dat ook in onze tijd nog zeer velen geloven in de kracht van het bloed. Ook al zijn de oeroude bloed- en bodem gemeenschappen al eeuwenlang ten gronde gegaan de geheime kracht van het bloed speelt nog steeds zijn rol. Eerst wanneer het Christelijk avondmaal als zuivere herdenkingsmaaltijd gevierd zou worden, kan men zeggen, dat het primitivisme is overwonnen.
Symbolen kunnen vaak op verschillende wijze geduid worden. Het merk waardige daarbij is, dat de uiteenlopende duidingen elkaar toch niet hoe ven te weerspreken. Aan Erich Neumann ontleen ik het volgende.
Een veel voorkomend mythisch motief is de jonkvrouw, die door de held (188) verlost wordt uit de macht van de draak. Hoe moet men deze mythe nu duiden? De geest van de man ( ::; de held= het bewuste Ik) verlost de vrouw uit de macht van het onbewuste ( ::; de draak). Zij kan zichzelf niet verlossen. Zij staat nog te dicht bij de Oergrond en is daardoor in de macht van de draak. De man als geest maakt de vrouw bewust van haar eigen diepte. Daardoor verlost hij haar. Zij ontdekt zichzelve en wordt zich van haar specifieke, vrouwelijke waarde bewust. De maagd wordt vrouw. In de mythe huwt de bevrijde maagd de held. Neumann gaat niet verder in op de betekenis van het huwelijk tussen maagd en held, symbolen voor meisje en man. Maar ik heb behoefte er aan toe te voegen, dat de man nu op zijn beurt verlost moet worden. Het meisje kan zichzelve niet verlossen; de man bevrijdt haar uit de overheersing van het onbewuste. We moeten begrijpen, dat het onbewuste alleen dan als draak, dat is als boos en gevaarlijk verschijnen kan, als het pas ont stane Ik nog te weinig distantie heeft van het onbewuste en tegenover dit onbewuste in een onvermijdelijke sttijdhouding komt te staan. Maar eenmaal volledig tot bewustzijn gekomen, blijft de strijdhouding bestaan en de overwinning van de man in de samenleving leidde tot een volstrek te vijandschap tussen bewustzijn en onbewuste. De man, in de oertijd de eerste, die zich bevrijdde uit de overheersing van het onbewuste door de kracht van zijn geest, is nu geheel en al in de overheersende macht van het bewuste Ik geraakt. En nu is het de beurt van de vrouw om hem daaruit te verlossen, want zelf kan hij dat niet. Gelukt haar dat niet dan zal hij en dus de hele mensheid in de dodelijke greep van een voor niets terugdeinzend, alleenheersend, despotisch Ik ten gronde gaan. De vrouw moet hem terug brengen naar het onbewuste, zodat bewustzijn en onbe wuste zich harmonisch met elkaar kunnen verbinden. Dat is de diepste zin van het huwelijk tussen man en vrouw.
Nu kan de jonkvrouw ook geduid worden als symbool van het onbewuste in de psyche van de man zelve. Jung noemt dit onbewust vrouwelijke in de man zijn anima. De man dringt door in zijn eigen diepte en moet nu zijn anima verlossen door de draak te doden. De draak is weer sym bool van de dreiging in het onbewuste onder te gaan. De man is daar zeer bevreesd voor; hij wil zijn leven alleen vanuit zijn bewuste Ik leiden en loochent zelfs zijn geboorte uit het onbewuste. Maar de man-held over wint deze angst voor de ondergang van het Ik. Daardoor doodt hij de draak en verlost hij de jonkvrouw. Geest en ziel kunnen nu huwen, een harmonische eenheid vormen. Zo kunnen dus verschillende duidingen van eenzelfde symbool, naast elkaar, elkaar aanvullend bestaan. Het symbool bereikt zijn hoogste spanning, wanneer het het paradoxale vermag uit te drukken, de eenheid van zijn en worden, van rust en be weging, van het unieke en het identieke, van het onveranderlijke en het veranderlijke, van leven en dood, van het Vormloze en de vormen, van het Lege en het Volle. In de paradox nadert het symbool het Transcendente zo dicht mogelijk.
Mij lijkt de Grote Moeder, uit Wier onuitputtelijke, donkere schoot alles wordt geboren en tot Wie alles wederkeert, het ideale symbool voor het Transcendente. Als ik in dit boek dan toch zo vaak het woord God heb gebruikt, dan heb ik dit terwille van mijn lezers gedaan, waarvan de meesten de Grote Moeder wel niet zullen kennen, laat staan Haar lief hebben, zoals ik Haar liefheb met mijn gehele ziel. (189)