(TIJD EN EEUWIGHEID vervolg1)
aangeboren aandrift tot eigen ondergang. De sociale aandriften leiden bij dieren vaak tot de ondergang van het individu. Maar de sociale aandrift is juist het tegendeel van de doodsdrift. Bij primitieven en kinderen mer ken we dan ook niets daarvan. Het tegendeel is het geval. Voor de primi tieve mens is voortbestaan iets vanzelfsprekends. De dood is voor hem geen radikale afwezigheid, geen volstrekt niet-zijn, maar een verandering van plaats. Een volledig uitgeblust zijn ligt geheel buiten zijn voorstellings vermogen. De dood wordt beschouwd als een overgang, als een opnieuw geboren worden. In de laatste ijstijd heeft men de doden ordelijk bijgezet, vaak in embryo-houding en voorzien van voedsel en rode oker. De rode oker is symbool van het bloed, drager van de levenskracht. De primitie ve mens kent de angst voor de doden; hij gelooft, dat zij de levenden be nijden en hij vreest hun terugkomst. Maar angst voor de dood kent hij niet. Doodsangst is angst voor de vernietiging, voor de totale ondergang van het Ik. Maar het Ik van de primitieve, evenals het Ik van het kind, is nauwelijks gevormd. Dood zijn is voor het kinderlijk begrip weg zijn, op een andere plaats zijn, zij het dan op een plaats, waarvan men niet terugkeert.
Dr. Westerman Hoistijn, overigens zo scherpzinnig en kritisch, volgt op dit punt trouw de voetsporen van zijn leermeester Freud. Hij baseert de doodsdrift op:
a. vermoeidheid; de ophoping van de chemische afbraakprodukten.
b. de slaap, die hij daarom de broeder van de dood noemt.
c. het oud worden en sterven.
Vooral uit dit laatste punt blijkt, hoe weinig zich ook deze schrijver be kommert om de betekenis van het begrip aandrift. Het afnemen van de vitaliteit, van de psychische energie bij het ouder worden, heeft toch niets te maken met wat we een aandrift noemen. Overigens zijn er heel wat voorbeelden van mensen, wier lichaam ouder wordt en wier physie ke krachten afnemen, terwijl hun geest fris blijft tot aan de dood toe. Blijkbaar is seniele dementie geen onvermijdelijk begeleidingsverschijn sel van het ouder worden.
Wanneer een bloem is uitgebloeid, dan sterft zij. Zo is het met het dier; zo is het met de mens. Het leven op aarde verlengen zal in de toekomst misschien mogelijk blijken. Maar de mens, wiens leven tot vervulling is gekomen, wil sterven. Abraham was oud en der dagen zat, zo verhaalt het Oude Testament. Hij verlangde naar de dood, want hij had de levens beker tot op den bodem leeggedronken. Ook ik zou zo willen sterven, oud en der dagen zat, na een vreugdevol afscheidsfeest van hen, die ik lief heb. En tegen mijn kinderen heb ik gezegd:
“Alsjeblieft geen tranen en geen gejammer! Daar is geen reden
voor. Ik heb geleefd en keer vol vreugde en vrede terug. Ik zie
geen griezelig geraamte met een zeis aan de einder, maar de
donkere Grote Moeder wenkt mij met geopende armen.”
Maar de mens in de bloei van het leven, de nog vitale mens, verzet zich tot het uiterste tegen de dood. En dat is gezond en natuurlijk en hij vertoont geen spoor van doodsdrift. Het is met het dier niet anders. Al leen het dodelijk gewonde dier moet het opgeven en kruipt weg om te sterven. Maar de oude mens, die niet geleefd heeft, die onbevredigd is, (173) wiens wezenlijke behoeften niet vervuld zijn, die kan niet sterven en wil niet sterven.
“De dwaze grijsaard wil niet heen; hij dwingt
En zingt een liedje van verlangen.”
zo dichtte de Genestet.
De bevredigde mens echter wordt niet naar de dood gedreven, wordt niet tegen zijn zin door de dood weggesleept; hij zingt geen liedje van ver langen. Wat zou hij nog kunnen verlangen? Dus geeft hij zich rustig over aan de dood en sterft licht. Maar in het midden des levens verlangt de mens niet naar de dood, zelfs de zelfmoordenaar niet. Want wat aan het bewustzijn als doodsverlangen verschijnt is in werkelijkheid onbewust levensverlangen, uterushunkering, moederverlangen. En al deze verlangens, hoe onderscheiden ook, zijn toch in diepste wezen één met liefdesver langen en Godsverlangen. Doodsverlangen is een verlangen naar leven in geborgenheid. In elk mens trilt dit verlangen, diep en machtig, als tegen hanger van de aandrift tot risico en gevaar.
Uit de schoot der Grote Moeder zijn we voortgekomen; tot haar schoot wensen wij terug te keren, als ons leven is uitgebloeid. Soms ondergaat de mens de geheimzinnige aantrekkingskracht van de oceaan. De oceaan is moederschootsymbool en raakt aan zijn diep verborgen verlangen. Ook de alleen zaligmakende schoot der heilige Moederkerk vervult nog haar funktie. Maar dat zal misschien zolang niet meer duren. Waarheen zal de onvolwassen, kinderlijke mens zich dan moeten wenden? Achter het Ijzeren Gordijn trachten politieke partijen de funktie over te nemen. De kommunistische Partij heeft haar fanatieke dienaren, evenals de Kerk. Zal dat blijvend gelukken of zal de mens eindelijk volwassen worden? Wie niet geleefd heeft, kan niet sterven. De mens van onze dagen kan niet sterven, want hij heeft niet gebloeid, hij heeft niet in het leven gestaan als een bloeiende boom, alle takken uitgelopen. En als zijn uur gekomen is, wil hij niet heen. De dwaze grijsaard dwingt. Hij verlangt naar het voortbestaan van zijn Ik en schept zich een droom, de droom van het eeuwige voortbestaan van het Ik in een zalig hiernamaals. Maar met God en Eeuwigheid heeft deze droom van een onsterfelijk Ik heel weinig te maken.
MEDITATIE, EEN WEG NAAR HET TRANSCENDENTE.
In de loop der eeuwen heeft de mens heel wat uiteenlopende methoden toegepast om nader te komen tot het Transcendente. Een zuiver psy chische methode is de meditatie. De behoefte eraan is voornamelijk af hankelijk van de kulturele situatie. Wanneer een levende religie de kern van een kultuur vormt en alle gebieden van het leven doordringt en zin geeft, is de behoefte aan meditatie gering. In onze onzekere, onrustige en wankele kultuursituatie stijgt de behoefte eraan. Niet weinigen wen den zich naar het Oosten en zoeken hun heil bij Yoga-praktijken en Yoga-methoden. Maar dat is noch nodig noch wenselijk. Er bestaat ook een Westerse meditatie en een Westerse mystiek en die is geenszins min derwaardig aan de Oosterse. Ik ben zelfs sterk geneigd de meditatie en mystiek van het Westen hoger te stellen. Maar in elk geval zijn de Ooster se methoden voor de Westerling ongeschikt. Wie ze gedachteloos nadoet, (174) komt maar al te gemakkelijk tot zelfmisleiding en tot ongezond gezwijmel.
De Godzoeker ontvlucht de drukte en de haast der wereld; hij zoekt de eenzaamheid en de stilte en de bewegingloosheid om in zichzelve te kun nen verzinken. Want daar en daar alleen kan hij God ontmoeten. Als de mystici deze ontmoeting beschrijven, doen ze dat steeds vanuit hun her innering, want de beleving zelve laat uiteraard op het moment zelf geen beschrijving toe. De beschrijvingen zijn dus steeds retrospectief en geven de beleving nooit helemaal zuiver weer. Daarbij is de mysticus ook aan eigen taal en tijd gebonden. Bij het lezen der vele beschrijvingen zocht ik achter de aan taal en tijd gebonden vorm naar de wezenlijke beleving. Dat was soms heel moeilijk, maar loonde de moeite, want op verbluffen de wijze trad de volkomen gelijkheid van de mystieke belevingen aan de dag, geheel onafhankelijk van plaats en tijd. De studie der godsdiensten levert een verbijsterende hoeveelheid van tegenstrijdige en uiteenlopende leerstelsels op, die ieder voor zich de pretentie hebben de ware leer te zijn. Maar wanneer we afdalen in de diepte, waar God en mens elkaar ontmoeten, dan verdwijnen al deze tegenstellingen en verschijnt een verblijdende eenheid, die mensen tot broeders maakt. De leer scheidt, de mystiek verbindt. Onder de mystici, die ik vereer en liefheb, is maar één tijdgenoot – ik wijd in dit boek een hoofdstuk aan hem maar ze zijn allen mijn broeders en ik hoor bij hen, veel meer bij hen dan bij mijn verdoolde tijdgenoten, die mij meestal niet begrijpen en waartussen ik leef als een eenzame.
Alle mystiek, zowel die uit h~t Westen als die uit het Oosten, berust op de wezensverwantschap van God en mens. In de hoogste phase der me ditatie beleeft de mysticus diep zijn eenheid met het Transcendente, de unio mystica, het opgenomen worden van het eigen Ik in het Totale Zijn. In de Vishnoe Poerana, één der vele, heilige geschriften der Hindoes, spreekt de held Prahlada:
“Oneindig ben ik, onveranderlijk, zelf ben ik nu het hoogste Zelf.”
In de psycho-analyse noemt men de unio mystica een regressie-verschijn sel. Op die manier wordt de mysticus tot een neuroticus verklaard. Maar dat is hij geenszins; hij is juist in alle opzichten het tegendeel van de neu roticus. Gebruik makend van de terminologie van Alfred Adler, kan ik zeggen, dat er èn bij de neuroticus èn bij de mysticus sprake is van een terugkeer naar het “Wir”. De neuroticus tracht dit te bereiken door een onbewuste terugval op infantiele situaties. Maar de mysticus hervindt het “Wir” op een hoger, bewust niveau. Hij is daardoor vrij van de kramp achtigheid en de onevenwichtigheid van de neuroticus.
Door meditatie tracht de mysticus te komen tot een “participation mys tyque”, tot een deel hebben aan het “Wir”. De primitieve mens en het kind hebben deze participation mystique van nature. In de Oosterse mystiek overweegt de tendens om de unio mystica te zoeken, dwars te gen de natuur in. Ook in de Christelijke mystiek overweegt deze zelfde tendens. Maar stellig niet bij allen. William BIake o.a. gaat dwars tegen deze natuurvijandigheid in. Maar hij behoort helaas tot de uitzonde ringen. De al of niet bewuste grondhouding van de meeste Oosterse en (175) door dit Oosten beïnvloede Christelijke mystici is de opvatting, dat het de Goddelijke Geest is, die de natuurlijke Chaos tot Kosmos omvormt. Zo wordt dan ook de mens als van nature ongeordend gezien en krijgt hij de opdracht het natuurlijke tot innerlijke Kosmos om te vormen. Maar laat hij het natuurlijke gaan, dan leidt dit, gezien vanuit deze grond houding tot ontbinding en ontaarding. Nu moet ik toegeven, dat de mens, zoals wij hem kennen, zoals hij reilt en zeilt, de mens van nu, ongeordend is en dat hij alleen door bewuste zelfordening tot harmonie kan komen. Maar het Totale Zijn is een harmonisch geordend geheel en geen Chaos en het kind is een geordend deelgeheel van dit Totale Zijn en behoeft dus geen ordening. Deze natuurlijke orde wordt echter door opvoeding en milieu verstoord. De wanorde, de disharmonie ontstaat niet doordat men het natuurlijke laat gaan, maar doordat men het natuurlijke onderdrukt. De bewuste ordening moet daarom rekening houden met de natuurlijke ordenende krachten, die onbewust werken. De rede moet geen meester willen zijn van de natuur, de Zoon moet zijn Moeder niet overheersen, maar moet zich door Zijn Moeder laten leiden. Wanneer we dat niet be seffen, dan leidt het bewuste ingrijpen tot chaos en disharmonie en niet tot innerlijke orde. Aldus spreekt Lao Tse:
“De wereld is een heilig vaatwerk; wie het wil vormen, vernielt
het. ”
En zo is ook het kind een heilig vaatwerk. Als we het willen vormen tegen zijn natuur in, dan vernielen we het. En dat doen we meestal! Het kind heeft een grote fantasie. Gelukkig zijn er niet weinig volwasse nen, die eveneens een grote fantasie hebben. Elk voorwerp kan bij een kind alles betekenen. Van een nuchter, zuiver zakelijk waarnemen is bij een kind geen sprake en de wetenschappelijke onderzoeker moet zich in de zakelijke waarneming oefenen, want het ligt hem niet van nature. En in een noodsituatie wordt ook de volwassene heel dikwijls een kind. C.G. J ung vertelt, dat hij een aardbeving meemaakte. Hij was erg ge schokt, toen hij de grond onder zich voelde bewegen. Zijn verstand zei hem: dit is zakelijke materie en kan hachelijk voor mij worden. Maar in zijn gevoel beleefde hij de aardbeving als de beweging van een gewel dig groot dier. Jung was dus blijkbaar op dit moment in zijn gevoels leven een animist en in een dergelijke situatie zouden wij allen dat ook geweest zijn. Allerlei primitief-magische gewoonten hebben zich trouwens in onze technische en zakelijke tijd gehandhaafd. In het onbe wuste worden de dingen blijkbaar nog steeds als bezielde wezens erva ren. In de dichterlijke fantasie is alles bezield en betrokken op de per soon van de dichter. In de loop der individuele ontwikkeling maakt het verstand de dingen dood. Maar de mystici, de dichters, de kinderen ver zetten zich tegen de verstandelijke verkilling van het leven. De mystici gebruiken de meditatie, de dichters de fantasie als wapen ertegen. Zij willen de dingen niet dood laten gaan. Het kind maakt in zijn fantasie de stoel niet levend, zo leert ons professor Oldewelt, maar handhaaft het levend zijn van de stoel en van de hele omgeving. Deze instelling tegenover de ervaren werkelijkheid verbindt animisme en pantheïsme. Maar er is dit grote verschil, dat de pantheïst de dingen niet personifi eert en de animist wel.
Wie aan meditatie begint in de hoop op uitzonderlijke religieuze ervaring en is op de verkeerde weg. Piekervaringen zijn uitzondering en ontstaan (176) spontaan; het is niet mogelijk ze bewust te voorschijn te roepen en of schoon ik geen ervaring heb met L.S.D. of andere roesmiddelen, lijken ze mij desniettemin verkeerd. Het is onjuist de extase gelijk te stellen met religieuze ervaring. Er waren en zijn vele mensen met een sterk en bewo gen religieus leven, die nooit enige piekervaring hebben gehad. Een mysticus is waarlijk geen mens, die in een permanente religieuze roes toestand verkeert, al zal hij meestal de extase wel kennen. Maar men blijft niet in een roes of extatische toestand. Het behoort tot het wezen van de extase, dat zij voorbijgaat en vrij kortstondig is. Wat is eigenlijk extase?
Onze emoties zijn uitermate beweeglijk; hun intensiteitsgraad wisselt voortdurend. Een hevige emotie noemt men in de psychologie een affekt. Het affekt kan zo hevig zijn, dat de emotie-golf tijdelijk het bewuste Ik overspoelt. Dan ontstaat de extase, het buiten zich zelf zijn d.w.z. zijn bewuste Ik verloren hebben … tijdelijk uiteraard. Zelfs bij krankzinnigen is de overspoeling van het bewustzijn door het onbewuste niet permanent; zij hebben hun heldere ogenblikken. Elke emotie kan tot een extatische toestand leiden. Ik kan woedend zijn en tegelijk nog weten, dat ik woedend ben. Maar mijn woede kan zo in in tensiteit toenemen, dat ik het niet meer weet, dat ik één en al woede ben. Dan beleef ik een woede-extase. Als een mens door angst zijn be zinning verliest, is er sprake van een angst-extase. De religieuze extase is een vreugde-extase. In mijn hele leven heb ik dit slechts driemaal mee gemaakt. Ik heb het niet gezocht; het kwam spontaan en geheel onver wacht en ik verlang helemaal niet naar een herhaling. Ik heb geen be hoefte aan deze hevige, stormachtige bewogenheid, waarbij ik niet meer weet, waar ik ben en mijn Ik volkomen ondergaat. Mystieke vreugde wil ik ervaren zonder dat mijn Ik verdwijnt, bij vol bewustzijn.
En dit nu is het doel van meditatie; geen extatische zwijmel, maar diepe bewogenheid gepaard met grote helderheid van geest; unio mystica, maar met behoud van het Ik. De meditatie moet het Ik niet verloren laten gaan en heeft geen volledige uitblussing ten doel. De meditatie moet het Ik op de juiste plaats brengen, zodat het zich kan voelen als een stralend kosmisch knooppunt. Al te hevige bewogenheid werkt on getwijfeld storend op het bereiken van die grote, innerlijke verstilling en wijdheid en die intense geestelijke helderheid, die het enige doel van de meditatie behoort te zijn.
Ook het gebed kan een vorm van meditatie zijn. Er zijn velerlei soorten gebeden en een gebed kan nog wel iets anders zijn en iets meer dan de hulpkreet van de bedreigde mens. Maar heeft voor de pantheïst het ge bed wel zin? Als God geen Persoon is en het gebed geen gesprek tussen een ik en een Gij, kan men dan nog wel bidden? Als een Christen bidt dan voert hij een gesprek met zijn God. Maar is het gebed voor de panthe ïst als hij bidt – niet hoogstens een gesprek met zichzelf? Nu heeft een gesprek met zichzelf niets met een gebed te maken. De mens kan een gesprek met zichzelf voeren en doet het hopelijk ook vaak. Maar met bidden heeft dit niets van doen. Het gebed is het leggen van het kontakt met het Transcendente, van de mens uit uiteraard. Daarbij is het voor de echtheid en de uitwerking van het gebed volkomen bijkomstig, hoe de voorstelling van het Transcendente eruit ziet. In de Middeleeuwen zal de Christen wel naar de hemel opgekeken hebben, als hij wilde bidden. (177)
Maar zijn er in onze dagen nog Christenen, die hun God boven de wolken zoeken? De Christen van nu buigt het hoofd, vouwt de handen en sluit de ogen, d.w.z. hij keert tot zichzelf in; hij luistert naar en spreekt tot de diepte in hem, ook dan als hij in het geheel niet beseft, dat God diep te is. En als zijn gebed oprecht en ernstig is, ontvangt hij uit die diepte het woordeloze antwoord. Want wie klopt, die zal worden opengedaan. En hij verheft zich uit zijn gebed en gaat heen aan zijn taak, getroost verheugd en gesterkt. Maar biedt de pantheïst dan anders? Kan men dan anders bidden? Maar de Christen zegt Gij tot zijn God! Zeker, maar ook de pantheïst zegt Gij tot God. In het gebed doet hij niet anders en kan hij niet anders doen dan de dichter, die uitroept:
,,0, Natuur, wat zijt Ge schoon!
0, Natuur, wat zijt Ge wreed! ”
Men accepteert dat van de dichter. Dat de natuur geen persoon is, weet de dichter en weet ieder. Maar dat de dichter desondanks in zijn gedicht tot de natuur Gij zegt, begrijpt en aanvaardt ieder. En zoals de dichter in zijn ontroering de natuur verpersoonlijkt om zich te kunnen uiten, zo moet de pantheïst het Transcendente personifiëren om te kunnen bidden. Desondanks weet hij, dat het Transcendente geen Persoon is. Bovendien zijn er ook woordeloze gebeden, die onweerstaanbaar uit de ziel op kunnen wellen. Hoe onbelangrijk is daarbij de Godsvoorstel ling. Als geijkte gebedsformules niet belemmerend zouden werken, dan zouden Christenen en pantheïsten zich best in gebed kunnen verenigen. Helaas zijn er heel veel mensen, die niet meer bidden kunnen en dat is erg. Maar erger nog zijn de velen, die maar al te gemakkelijk bidden, om dat het bidden net zo gewoon voor ze is geworden als tanden poetsen en ze niet meer beseffen, dat bidden zonder de diepste aandacht, ernst en overgave Godslastering is. Ze blijven dan ookverstoken van de heil zame werking van elk waarachtig gebed.
Wanneer ikJoodse en Arabische mystiek tot het Oosten reken, dan is de Westerse mystiek Christelijke mystiek. Karl Barth wijst echter ook deze Christelijke mystiek resoluut af; hij spreekt van een esoterisch atheïsme. Vanuit zijn standpunt zeer begrijpelijk, want alle mystiek is identiteitsmystiek en daarvan is Barth zeer afkerig. Bij de beleving der . identiteit behoeft de upiciteit niet verloren te gaan. De Westerse mystiek heeft nooit – zoals in het Boeddhisme – de totale uitblussing van de persoonlijkheid tot doel gehad; eerder is het tegendeel het geval en moeten de mystieke ervaringen leiden tot de ware ontplooiïng van de persoonlijkheid. De weg tot God is de weg naar ontwikkeling van de persoonlijkheid. Uniciteit en identiteit vormen in de vol ontplooide persoonlijkheid een bi-polaire eenheid.
In het Oosten betekent mystiek vlucht voor het alledaagse leven. In de glorie-tijd van Hellas beïnvloedde deze levensvijandige houding wel denkers als Pythagoras en Empedodes, maar drong niet door in de leven minnende Helleense kultuur. Eerst na de ondergang van Hellas deed het Oosten zich op religieus en wijsgerig gebied krachtig gelden en beïnvloed de Plato en de neo-platonici. De aardsgerichte Joodse religie kon zich tegen het Hellenisme verdedigen, maar de heidense Christenen bezweken voor een belangrijk deel voor de Oosterse invloed. Augustinus is niet denkbaar zonder Plato en de platonici. En Plato is helaas nog steeds de afgod der Christelijke burgers. Wanneer zal dan eindelijk het Platonisme (178) bijgezet worden in het museum der grootse dwalingen?
Maar er zijn Christelijke mystici geweest, die dwars tegen de levensver achting in gingen en William Blake lijkt mij onder hen de grootste en felste. Zij vonden een mystiek, die het leven liefheeft en het alledaagse niet laat in de ontluisterde sfeer van het gewone, maar het opheft in het licht van het Transcendente.
De Yogi ziet in de zinnelijke genieting de gevaarlijkste faktor in het leven. Zijn streven naar onthechting ontaardt daardoor in levensver achting en wereldverzaking. De Yogi bewandelt een pathologische dwaal weg; het is verkeerd hem daarop te willen volgen. Maar onthechting is noodzakelijk. Maar deze onthechting betekent niet, dat we van de dingen niet zouden genieten, integendeel de onthechting heeft ten doel het ge not te intensiveren en te veredelen. En dat wordt niet bereikt, als we de dingen bezitten willen. De dingen zijn er niet om ze gierig voor ons zelf te houden; ze zijn een geschenk Gods; ze zijn er om in vreugde, overgave, dankbaarheid en eerbied gebruikt te worden. Op wat we niet gebruiken, hebben we geen enkel recht. Daarom moeten we de dingen liefhebben, maar het bezit verachten. Dat is onthechting en deze onthechting is een weg naar een vreugdevolle omgang met de dingen en met de medemens. Wie deze onthechting bereikt heeft, ervaart deze omgang als een omgang met God. De onthechting is geen trance-toestand, geen zwoele zwijmel, maar juist het tegendeel daarvan, een grote innerlijke helderheid. En plotseling krijgen alle dingen glans, waar men zich ook bevindt. Van de Engelsman Underhill citeer ik hier de volgende mededeling:
” … the London streets are paths of loveliness; the very omni
busses look like coloured archangels, their laps filled fuU of
little trustful souis.”
Er waren en zijn begenadigde enkelingen, die deze kostbare ervaring ge heel spontaan ontvangen. Maar dat wil geenszins zeggen, dat de velen er van verstoken zouden moeten blijven. De meditatie is een weg, een me thode om zich voor deze en dergelijke ervaringen ontvankelijk te maken. Maar het is zinloos om eraan te beginnen, wanneer men niet bereid is zijn gehele persoonlijkheid daarvoor in te zetten. Meditatie is geen sport, geen tijdpassering, geen hobby! Meditatie is bereidheid om zich aan God over te geven, de wil om het Koninkrijk Gods te zoeken en’ niets anders! Wie waarlijk God zoekt, vindt hem altijd, want God is om en in hem of haar. Maar het is raadzaam voor de beginneling een leraar te zoeken, want er zijn vele dwaalwegen. De meest funeste dwaalweg is de opvatting, dat men het gewone, dagelijkse leven zou moeten ontvluchten.
Een paar aanwijzingen voor het begin wil ik hier gaarne geven. Ik herhaal nogmaals, het komt aan op helderheid van geest; de meditatie moet ge richt zijn op het bereiken van een zo diep mogelijke koncentratie op een bepaald objekt. Welk objekt men kiest is niet belangrijk. De uiterlijke om standigheden moeten zo gunstig mogelijk zijn. Zorg voor een rustige om geving; zelf gebruikte ik altijd de zondagmorgen ervoor, omdat het dan in de stad heel rustig is, zelfs in het centrum van Amsterdam, waar ik woon. Men mag niet moe zijn; slaap dus goed uit en vermijd elke haastige beweging; gebruik een licht ontbijt, want men mag geen honger en geen dorst hebben. Tijdens de oefening mag men niet eten of drinken. De (179) kamer mag niet te warm zijn, maar ook niet koud, niet te licht, maar ook niet donker. De bedoeling is zoveel mogelijk uiterlijke, zintuiglijke indrukken uit te sluiten. Geluiden van buiten moeten niet in het vertrek kunnen doordringen. Hecht geen overdreven waarde aan de lichaams houding; het enige waar op gelet moet worden is een gemakkelijke, ont spannen houding. Zelf zit ik steeds heel gewoon in een stoel, maar wel recht op; want een ontspannen houding betekent niet hetzelfde als een slappe houding. Probeer toch geen Yogi na te doen; de Westerling is niet gewend op zijn hurken te zitten. Verspil dus uw energie niet met het in oefenen van houdingen, die u helemaal niet nodig hebt. Ik ontken de invloed van de lichaamshouding en de lichaamstoestand op de psyche niet; juist daarom leg ik de nadruk op een ontspannen houding. Ook de ademhaling is belangrijk, maar speciale oefeningen hebt u niet nodig. Adem. rustig en diep, maar in geen geval geforceerd. Ofschoon een inci dentele meditatie volstrekt niet waardeloos hoeft te zijn, bereikt u zon der regelmatige training toch niet veel. Wie het accent van de training echter verlegt naar lichaamshoudingen en ademhalingstechnieken zal het wezenlijke doel van de meditatie niet bereiken. In de Soetras ( = aphorismen ) van Patanjali, een soort handboek voor het beoefenen van Raja-Yoga, wordt het doel van de meditatie juist aangegeven: het ontkomen aan de grenzen van ruimte en tijd; het ondergaan, het be leven van Gods aanwezigheid. De intensiteit van die beleving moet door de meditatieve training zo hoog mogelijk worden opgevoerd. Maar als u na de oefening weer aan uw gewone, dagelijkse bezigheden gaat en het gevoel van Gods aanwezigheid heeft u daarbij geheel verlaten, dan is al uw inspanning tevergeefs geweest. U kunt en moogt geen twee levens leiden: dicht bij God tijdens de meditatie en ver van God in het gewone leven. Er mag tussen de korte meditatie-tijd en de rest van uw dagelijks leven geen principiële scheiding bestaan, slechts een verschil in intensiteit der mystieke beleving. Niets vreest de echte mysticus zo zeer als het niet meer voelen van Gods aanwezigheid bij welk gedrag dan ook, op welk tijdstip dan ook. Want de voornaamste functie van de mystiek is de bevrijding van de mens van de banden en beperktheid van een geïsoleerd individueel bestaan. Daarom stuurt de meditatie aan op het ontdekken van de kosmische samenhang, zodat men zich daar mee verbonden voelt en er in opgenomen.
Men moet niet menen, dat de zorg voor gunstige uiterlijke omstandig heden voldoende is; de innerlijke toestand is zo mogelijk nog belang rijker. Voor de meditatie moeten we in de juiste stemming zijn. De juiste stemming is een klare, open ontvankelijkheid en de meest volstrek te eerbied tegenover de ondoorgrondelijkheid der dingen. Een onbedor ven kind heeft deze houding van nature. Volwassenen moeten deze ver loren gegane instelling weer in zichzelf aankweken. Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Op de eerste plaats moeten we bereid zijn onze meest vertrouwde en geliefde opvattingen en voorstellingen, onze ver trouwde levensbeschouwing bloot te stellen aan de meest meedogenloze kritiek. Ik mag een levensbeschouwing hebben en heb die ook. Maar de levensbeschouwing mag mij niet hebben, d.w.z. ik mag er niet in vast gegroeid zijn; ik mag de kans, dat mijn levensbeschouwing wordt stuk gebroken niet ontvluchten uit vrees voor de woestijn der ontlediging. Wanneer u dat niet aankunt, wanneer u uw waarheden onaantastbaar maakt, ongeacht op welke wijze, dan hoeft u helemaal niet aan medita tie te beginnen. Zi j zal u geen baat brengen. De leerling moet over de (180) volgende vier eigenschappen beschikken, alvorens hij kan beginnen:
1. Hij moet een volstrekt vertrouwen hebben; er mag zelfs geen geheime skepsis zijn.
2. Hij moet de natuurlijke traagheid, eigen aan elk mens, kunnen overwinnen. Daarvoor heeft hij moed nodig.
3. Hij moet vervuld zijn van de diepste eerbied voor het objekt.
4. Hij moet beschikken over een groot geduld en veel volharding.