Pantheïstisch Pleidooi

04/03/2009

Inleiding

Hoort bij: Pantheïstisch Pleidooi — oliver @ 15:32

“Over een geloofsvisie, die het grote geheel der wereld omvat, beschikken wij nog niet. Een grote, nieuwe synthese is de taak van toekomstige generaties.”
(Gerhard Szcesny Toekomst van het ongeloof.)

De toekomstige generaties zullen niet helemaal van de grond af aan
moeten beginnen. Dit boek bevat de elementen voor deze nieuwe synthese en het verwijst tevens naar die grote gelovigen, die belangrijke en onmisbare bouwstenen voor de opbouw van een nieuwe geloofsvisie hebben geleverd.

Mijn boek is niet geschreven in de stijl van het moderne wetenschappelijke werk met vele citaten en literatuurverwijzingen. Mijn boek is geen studieboek. Het is op de eerste plaats een verkondiging. Misschien zullen de geleerden het wetenschappelijke waarde ontzeggen, het te lyrisch, te emotioneel, te subjektief vinden. Het zij zo. Ik schrijf niet voor hen.
Letterkundigen zullen misschien zeggen, dat mijn werk als literair essay mislukt is, dat het te weinig literatuur is. Ook dat zij zo. Ik heb geen behoefte literatuur te schrijven en ik schrijf niet voor letterkundigen. Ik maak geen aanspraak op de waardigheid van geleerde of literator. Maar ik maak aanspraak op een veel grotere waardigheid, op de allerhoogste waardigheid zelfs, op die van een verkondiger van Gods aanwezigheid en Gods werkelijkheid. Ik schrijf voor de velen, die hunkeren naar een levend woord, voor hen, die vervreemd zijn van het Christendom. Ik schrijf voor de velen, die zich niet of nauwelijks bewust zijn, dat in hen een religieuze hunkering leeft, opdat zij zich daarvan bewust worden. Ik schrijf voor de mens, die zo gaarne zou willen geloven, als hij maar kon. Ik schrijf om duidelijk te maken, dat geloof geen ijle hersenschim is en geenszins in strijd hoeft te zijn met modern wetenschappelijk en wijsgerig inzicht. Maar ik wil zeer beslist niet de hardheid, de bitterheid, de uitzichtloosheid en de verlorenheid van onze tijd met religieus klatergoud vergulden. Niet wetenschappelijk genoeg? Niet literair genoeg? Goed, als het maar levend genoeg is, als het maar helder genoeg klinkt om iets te doen ontwaken, dat diep in de ziel van elk mens aanwezig is. Als het maar een licht doet opglanzen in de zielen van twijfelaars en zoekers, die naar licht uitzien, opdat zij het woord verstaan van de vergeten dichter A. van Collem:

“Staat op, die voor het licht geboren zijt,
En U niet weet en ligt in nederigheid,
Als waart ge korenhalmen ongeteld,
Gebundeld en geschoven op het veld.”


Wat ik wil, is de door wanhoop en geestelijke blindheid veroorzaakte opvatting overwinnen, dat een zinvol bestaan op aarde voor de mens beslist onmogelijk zou zijn. . Het heeft me moeite gekost, het besluit te nemen dit boek te gaan schrijven. Er wordt zoveel geschreven! Er zijn zoveel profeten of mensen, die beweren het te zijn! Waarom schrijven, als het zo moeilijk is de medemens te bereiken? Het is een rampspoed in een zo donkere tijd, als de onze te moeten leven. Is in dit a-religieuze tijdperk het probleem van geestelijk leiderschap niet onoplosbaar? Wat betekent geestelijk leiderschap zonder respons? Waarom spreken, waarom schrijven als er niet wordt geluisterd en er nooit antwoord komt? Een onophoudelijke stroom van overbodige informatie, een hele massa waardeloze, ongecoördineerde kennis maakt de mens weinig ontvankelijk voor het levende woord. Het woord is gedevalueerd. Hoe kan in deze verstikkende, overstelpende woordenstroom mijn roep nog doordringen? Hoe kan ik licht brengen in de duisternis van de menselijke geest, hoe orde in zijn chaotische ervaringen, hoe zin in zijn bestaan? Als ik spreek, horen de mensen mij dan? Als ik schrijf, lezen zij mij dan? Al deze onbeantwoorde vragen hebben mij jarenlang verlamd. Men kan toch niet in de woestijn blijven roepen? Maar tenslotte heb ik dan nu gehoorzaamd aan de opdracht, die diep binnen in mij steeds woordeloos heeft geklonken, zonder verder te vragen naar de zin van mijn inspanning. We leven in een a-religieus tijdperk. Gerhard Szcesny heeft in zijn boek aangetoond, dat het Christelijk wereldbeeld achterhaald is en dat de Christelijke levenshouding het grootste deel van zijn kracht heeft ingeboet. Maar helaas moet gezegd worden, dat niets van gelijke waarde, laat staan van groter waarde, daarvoor in de plaats is gekomen. De mens heeft het kontakt met het Transcendente verloren. Wat dat precies betekent en wat daarvan de noodlottige gevolgen zijn, heb ik in dit boek beschreven. Het enige, dat mij de moeite waard lijkt om over te denken, te spreken, te schrijven, is de vraag:
“Hoe kan de mens het kontakt met het Transcendente herstellen? Kan hij dat? “

De moeilijkheden, waarmee de mens van onze dagen worstelt en die hem onoverkomelijke bergen lijken, zullen blijken molshopen te zijn, als maar dit éne probleem is opgelost. Och, ik zeg hiermee niets nieuws. Het is al gezegd tweeduizend jaar geleden. Zoek eerst het Koninkrijk Gods en al het andere zal U worden toegeworpen. Levend in een land, dat zich Christelijk noemt, heb ik toch maar heel weinig Christenen ontmoet, die dit werkelijk geloofden en ernaar probeerden te leven. De meeste Christenen onderscheiden zich in geen enkel opzicht van de nietChristenen. Ze doen mee aan de dwaze jacht naar aktualiteit en zijn zo vervuld van de dingen dezer wereld, dat ze weinig tijd hebben om zich om het Koninkrijk Gods te bekommeren. Maar het enige, werkelijke aktuele probleem is de relatie van de mens tot God. Vergeleken daarmee is al het andere totaal onbelangrijk. Wanneer een dergelijk inzicht in een mens rijpt, isoleert het hem; het maakt hem tot een buitenstaander. Ik ontdekte, dat ik alleen kwam te staan. Men herkent de echte buitenstaander daaraan, dat hij telkens weer opnieuw probeert geen buitenstaander te zijn. Hij verzet zich ertegen met hand en tand. Maar zijn verzet baat hem niet; hij wordt verlaten. De religieuze mens, die een non-konformist is, die los is van de traditionele godsdienstvormen en afkerig van de talloze pseudo-religieuze groepjes en sekten, moet wel een buitenstaander worden. Waar ik mijn geestelijk tehuis in geen enkele organisatie of groepering vinden kon, ondanks vele mislukte pogingen, moest ik mij tenslotte wel neerleggen bij het feit een buitenstaander te zijn. Maar het is waarlijk geen benijdenswaardige positie. Een mens is een sociaal wezen en religie kan men niet voor zich alleen hebben. Religie is geen privaatzaak. Er is niets, waarvan ik een zo hartgrondige afkeer heb als van ijl, nevelig gezwijmel over religie. Mensen, die zichzelf in een soort schijn-religieuze doezel brengen, waarin ze zich verbeelden dicht bij God te zijn, boezemen me weerzin in. Ik houd van helder denken en van klare onderscheidingen, ook op het gebied van de religie, neen, juist op dit gebied. Ik wil geestdriftig getuigen, maar ik wil ook zakelijk betogen. Waarom zouden gevoelvolle getuigenis en zakelijk, wetenschappelijk verantwoord betoog niet één kunnen zijn? Ze behoeven elkaar niet te hinderen, noch in waarde te doen verminderen. Een betoog zonder emotionele bewogenheid wordt gauw dor en droog, een overtuiging zonder geestdrift krachteloos, zielloos en koud. Emotionele bewogenheid en redelijke overtuiging zijn geen tegenstellingen. Ik wil tegelijkertijd overtuigen en getuigen en daarvoor is helder, analytisch denken en kritisch inzicht onmisbaar. Het is een wezenlijk kenmerk van elke diepe overtuiging, dat hij met een groot en sterk gevoel van zekerheid gepaard gaat. Ik verkondig geen absolute waarheden. Ik verbeeld me niet absolute waarheid te kunnen formuleren. Maar ik verkondig Gods werkelijkheid op mijn eigen wijze. God spreekt tot mij in woordeloze taal. Ik weet, dat ik Zijn stem ben, maar het blijft toch een menselijke stem en dus een onvolmaakt geluid. Alle spreken over God, alle uitingen over het Onuitsprekelijke en Ondoorgrondelijke is tenslotte stuntelig gestamel. Ik ben me daar diep van bewust. Ik doe mijn uiterste best om zo helder mogelijk te zijn, om zo min mogelijk te stuntelen. Toch spreek ik vanuit een diepe zelfverzekerdheid. Men moet begrijpen, dat in de belevingswereld een overtuiging binnen in ons, als we die heel diep ondergaan, volstrekt is in ons gevoel. Maar ons denken dwingt ons dan onze overtuiging te relativeren, de subjektiviteit openlijk te erkennen en ons open te stellen voor kritiek. Nu is het denken geen eenvoudige bezigheid. Feitelijk is het een heel gevaarlijke aktiviteit. Een niet onbelangrijk deel van de mensen denkt eigenlijk nooit. Ze zijn zich dat niet bewust; ze menen, dat ze denken. Het gevaarlijke van het denken is namelijk, dat men zich erdoor desoriënteert. Denken leidt onvermijdelijk tot desoriëntatie. De desoriëntatie is de onontkoombare weg om tot nieuwe oriëntatie te komen. Philosofie begint bij de twijfel, zegt men terecht. Maar desoriëntatie betekent onzekerheid en de nieuwe zekerheid ligt niet klaar te wachten. Daar moet om geworsteld worden. Wie vindt onzekerheid en twijfel prettig? Denken vereist moed. Moed om zekerheden prijs te geven, zonder garantie voor nieuwe. Niet zo heel veel mensen gaan deze weg. Hun denken is eigenlijk niet veel meer dan een wat geordend aanwenden van in hen aanwezige, traditionele gedachte-patronen. Het zijn niet altijd echte slogans -dan is het al heel erg -maar toch wel vrij vast liggende gedachten, opvattingen, terminologieën, instellingen, zienswijzen, alles ingebed in en verbonden met bepaalde, daarbij passende gevoelens. Het vormt hun geestelijk klimaat. Denken echter is niet het hanteren van klaarliggende gedachte patronen.

Denken is aktieve kreativiteit, losbreken uit een vertrouwd geestelijk klimaat. En daarvoor is moed nodig. Men mag niet bevreesd zijn voor desoriëntatie. Men moet zich bewust zijn van weerstanden in de eigen ziel en ze willen overwinnen. Men moet niet blijven in de slavernij bij de zekerheid van de Egyptische vleespotten, maar de woestijn van de twijfel betreden, al duurt het jaren. De weg naar het beloofde land der geestelijke vernieuwing leidt door de woestijn van de twijfel.


“De mens, die zijn inzichten nimmer wijzigt, is als een stilstaand water en broedt reptielen in zijn geest”, zo uit zich William Blake.

Wie een overtuiging verdedigt, valt een tegengestelde overtuiging aan. Dat is niet alleen onvermijdelijk, het is noodzakelijk. Een kamergeleerde kan zich misschien de luxe permitteren een keuze te ontwijken. Hij kan alle standpunten begrijpen en er boven blijven zweven zonder zelf een standpunt in te nemen. Maar leven en handelen noodzaakt tot keuze. Ik heb gekozen en ik wijs een weg en ben er diep van overtuigd, dat het de enige weg is, die voor de mens van de 20ste eeuw begaanbaar is. Niets is dwazer dan geen antwoord te willen geven op essentiële levensvragen. Het betekent de mens van nu in de kou laten staan, want het ongeluk van deze mens is juist, dat hij geen antwoord op de essentiële levensvragen meer weet, nu de traditionele antwoorden hem niet meer bevredigen. Het is voor deze mens, dat ik schrijf. Ik geef hem mijn antwoord niet om het kritiekloos over te nemen, maar om hem te dienen als leiddraad bij het zoeken naar een eigen antwoord. Als hij zich mijn antwoord eigen maakt, is dat toch zijn eigen antwoord.
Ik heb termen God, Transcendentie en religie gebruikt en ik kan me voorstellen, dat men zich afvraagt, wat daarmee nu precies is bedoeld. Nu is het didaktisch stellig niet juist termen te gebruiken, die niet van te voren helder omschreven zijn, zodat de lezer weet, waar hij aan toe is. Maar het was onvermijdelijk deze termen in mijn inleiding te gebruiken, omdat ik me anders niet kon uiten. Ik zou het stellig niet gedaan hebben, als ik in dit boek niet veel aandacht had besteed aan de bespreking van de termen God, Transcendentie, religie, geloof. En daarbij zal van vaagheid, onduidelijkheid of dubbelzinnigheid geen sprake zijn.
Ik heb geen gemakkelijke taak. Het is moeilijk mensen te bereiken, die weinig of geen religieuze ervaringen hebben. Zijn er geen mensen genoeg, die als ze over deze dingen horen, verwonderd vragen:


“Religieuze ervaringen? Wat zijn dat eigenlijk voor ervaringen? “

Ze hebben daar blijkbaar geen notie van. Toch zijn het op de allereerste plaats juist die mensen, die ik zou willen bereiken. Ik wil ze opmerkzaam maken op de diepten in hun eigen ziel en wat daarin leeft. Misschien hebben ze wel religieuze ervaringen, maar herkennen ze die niet als zodanig. Misschien zijn ze als de bourgeois-gentilhomme van Molière, die zijn hele leven proza had gesproken zonder het te weten. Daarom beschrijf ik uitvoerig het religieuze gevoelsleven en daarbij zal blijken, dat religie een algemeen menselijk verschijnsel is en geen uitzonderlijk vermogen of privilege van enkelen.

De bespreking van het Christendom neemt in dit boek een zeer belangrijke plaats in. Dat is vanzelfsprekend, want we leven in een kultuurmilieu, dat doortrokken is van Christelijk denken en voelen. Het standpunt, dat ik inneem, brengt me onvermijdelijk in konflikt, zowel met het traditionele Christendom als met een rationalistisch humanisme en met alle a-religieuze stromingen. Ik kan en wens dat konflikt niet uit de weg te gaan, al weet ik, dat ik weerstanden op zal wekken bij hen, die zich gelovig noemen, zowel als bij hen, die zich ongelovig noemen. De ongelovigen, vooral hen, die zich met moeite van het traditionele Christendom bevrijd hebben en nu nog vol zitten met ressentiment tegen godsdienst en kerk, wik ik er op wijzen, dat zij religie niet gelijk moeten stellen met Christendom. Het Christendom is niet de enige religie en evenmin de hoogste vorm van religie, al menen uiteraard de Christenen van wel. De Christenen wil ik er op wijzen, dat ik een scherp onderscheid maak tussen het leerstellige, traditionele Christendom, dat beter Paulinisme kan heten, en de Jezus-religie. Het gedeelte in dit boek over Jezus van Nazareth verscheen reeds eerder. Ik publiceerde het in 1954 in het tijdschrift voor vergelijkende godsdienstwetenschap Mens en Kosmos. Met enkele wijzingen, geen principiële, heb ik het daaruit overgenomen. Ook het hoofdstuk over de Transcendentie in de spiegel van het antieke China verscheen in hetzelfde tijdschrift, in het jaar 1951. Alvast om enigszins duidelijk te maken, waar ik sta, citeer ik mijzelf uit het artikel Humanisme en Evangelie:
“De Christelijke theologen hebben veel te leren van de mystici en als ze dat niet willen of kunnen, maken zij huns ondanks de afstand tussen het Evangelie en de mens van onze dagen steeds groter. Het is droevig te zien, hoe een verstarde theologie tot een faktor van ontbinding is geworden, tot een rem voor religieuze bewustwording. Want hoe langer hoe meer vervreemdt de mens van nu van het leerstellig Christendom en dat proces is niet te stuiten. Mogen zij zich bezinnen op de levende, onvergankelijke kern van het Evangelie, opdat de mens van nu er weer toegankelijk voor worde. Hij heeft het nodig, want de wereld wacht op de doorbraak van een nieuw, levend geloof.”,

Rousseau, Voltaire, Nietsche zijn de grote verachters en bestormers van het Christendom. Al treed ik in menig opzicht in hun voetsporen, toch verwerp ik daarom geenszins het Evangelie van de Joodse profeet Jezus van Nazareth. Integen,deel, ik wil juist de Jezus-religie verdedigen tegen de kerk en tegen het leerstellig Christendom, dat van het Joodse Evangelie een barbaarse karikatuur heeft gemaakt. Berdjajew hoopt op een nieuwe, scheppende periode van de Christenheid. Hij hoopt tevergeefs. De Christelijke metaphysica en het Personalistisch Godsbegrip zijn tot belemmeringen geworden voor de herleving van de religie. Het theïstisch Godsbegrip past niet meer bij de huidige wetenschappelijke inzichten. Eenheid van wetenschap en religie is slechts mogelijk in het pantheïsme. De religie der toekomstige generaties zal een pantheïstische religie zijn of er zal helemaal geen religie meer zijn. Het Christendom verkeert in ontbinding, maar het zal misschien nog lang duren, aleer het helemaal overwonnen is. Maar een vervanging door een existentialistische levenshouding en wereldbeschouwing zou een Pyrrhus-overwinning zijn. Want ook het existentialisme, dat niet vermag de mens te zien als zinvol ingeschakeld in het Totale Zijn en dat geen religieuze geborgenheid kent, moet overwonnen worden. Ook tegen hen trek ik ten strijde! En daar sta ik dan, heel alleen, en allen zijn tegen mij, de Christenen, de atheïsten, de humanisten, de existentialisten. Maar de grote gelovigen der mensheid zijn met mij. Jezus, de zachtmoedige is met mij, en Lao Tse, het oude kind, en Epikurus, de vreugdevolle, en Eckehart en Silezius en William Blake en de dichters Ruusbroeck en Jan Luyken en andere mystici! Zij zijn het, die mij inspireren; zij troosten mij, als ik wanhopig ben. Wie over religie wil spreken of schrijven, probeert heen te reiken over de grenzen van ruimte en tijd. Opgesloten binnen deze grenzen, wil hij ze doorbreken. De a-religieuze mens heeft daaraan geen behoefte of meent daaraan geen behoefte te hebben. Hij leeft binnen de grenzen van het ruimtelijke en het tijdelijke als een microorganisme in een druppel slootwater. Hij meent, dat zijn druppel de wereld is, de natuur, de schepping, of hoe hij het noemt en houdt zijn druppel voor de hele werkelijkheid en leeft daarin schijnbaar tevreden. De religieuze mens echter kan zo niet leven. De wereld van ruimte en tijd is hem te eng en hij glimlacht meewarig om de brallende homol technicus, die meent de ruimte te kunnen veroveren. Hij krijgt het benauwd binnen alle ruimte; hij zoekt het ruimteloze, het oneindige en het Eeuwige. Hij dorst naar God en hij kan onmogelijk tevreden zijn, aleer hij zijn dorst gelest heeft aan de wateren des eeuwigen Levens. Maar er zijn andere mensen. Zij zeggen:


“Ik heb helemaal geen dorst. Ik heb geen behoefte aan religie. Ik ben blij, dat ik me bevrijd heb uit het keurslijf van de godsdienst, waarin ik ben opgegroeid en ik heb helemaal geen nieuwe religie nodig! “

Kan een mens dan zonder religie leven? De religieuze mens stelt die vraag niet. Leven zonder religie is voor hem helemaal geen leven, maar een vorm van dood. Dit besef en dit gevoel wil ik wakker roepen. Ik wil het inzicht wekken, dat het een noodlottige vergissing is, wanneer men meent zonder religie te kunnen leven. Het is noodlottig zich te willen beperken tot ethiek en humaniteit en de vertik ale binding aan het Eeuwige op te offeren aan de horizontale bindingen tussen de mensen. Maar van de mens uit loopt deze vertikale lijn niet naar de hoogte, niet naar een geprojekteerde God, die daarboven op zijn troon zit, maar naar de diepte in zijn eigen ziel. Daar en daar alleen kan de mens God ontmoeten. En hij heeft die ontmoeting nodig om vollevend, om gezond te kunnen zijn. Want de a-religieuze mens is een zieke. Vanuit een psychologisch inzicht kan gezegd worden, dat het onmogelijk is alle facetten van de persoonlijkheid tot een geïntegreerde eenheid te brengen zonder religie. Alleen in en door religie is een dergelijke integratie mogelijk. Is die religie er niet of verkeert zij in een toestand van ontbinding, dan is desintegratie onvermijdelijk. Niet minder noodlottig is de mening, dat ieder er een religie op zijn eigen houtje op na kan houden, dat religie privaatzaak is. Zonder gemeenschappelijk erkende en doorleefde waarden en normen is geen enkele samenleving mogelijk, zelfs de allerkleinste niet. Waarden en normen zijn nauw met religie verbonden, ja wortelen in de religie.

Het is onjuist zich neer te leggen bij de gebrokenheid in de kultuur, bij het bestaan van elkaar uitsluitende normen en waarden. Als men dat verdraagzaamheid noemt, is deze verdraagzaamheid de ergst denkbare ondeugd. Wie gemeenschap wil, moet gemeenschappelijke normen en waarden willen, want daarzonder is geen gemeenschap mogelijk. Als die gemeenschappelijke normen en waarden er niet zijn, dan is de strijd der overtuigingen de enige weg naar gemeenschap. Wie de strijd ontwijkt of nog erger andere overtuigingen onderdrukt is een vijand van gemeenschap. Onze tijd wordt onder meer gekenmerkt door sterke, kollektivistische tendenzen. Mensen, die veel waarde hechten aan onafhankelijkheid en geestelijke zelfstandigheid, aan individuele zelfbeschikking alles een typisch kenmerk van de rijpe persoonlijkheid -hebben het moeilijk. Zij, die niet willen, dat anderen voor ze uitmaken, hoe ze moeten leven, dat anderen ze voorschrijven, wat goed en wat kwaad is, maar die hun eigen weg gaan, zelf denken, zelf beslissen en deze vrijheid niet prijs wensen te geven, die geen angst hebben voor vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid, deze mensen worden in meerdere of mindere mate geïsoleerd van de grote massa der eenvormigen, die vrij weerloos zijn tegenover de sterke, nivellerende tendenzen. In onze wereld is de persoonlijkheid in een verdediginglipositie gedrongen. Deze droevige realiteit mag niet worden verbloemd, maar moet onbevreesd onder ogen worden gezien. De maatschappij, waarin we leven, wordt steeds minder geschikt voor en laat steeds minder ruimte voor individuele nuanceringen en individuele zelfbeschikking. Wie zich toch als onafhankelijk mens wil handhaven moet op allerhand moeilijkheden voorbereid zijn, want hij zal voortdurend met een genivelleerde omgeving in konflikt komen. De gekollektiveerde mens zelf begrijpt daar niet al te veel van; hij voelt zich niet onvrij. Van allerlei kollektiviteiten, de staat, de kerk, de school, de politieke partij, de pers, de radio, de televisie, de film gaat een onophoudelijke druk uit. Het is een soort, meestal onopzettelijke, maar daarom niet minder effektieve hersenspoeling. Maar weinigen zijn daar op den duur tegen bestand. In de strijd tegen de nivellering, in het verzet tegen massalisering kan men zich alleen handhaven, wanneer de innerlijke houding voldoende is geïntegreerd en zoals gezegd, integratie is zonder religie onmogelijk. De mens, die zich geplaatst weet tegen de achtergrond van de Transcendentie, die besef heeft van de mystieke achtergrond van het leven, voelt en beleeft daarin een onaantastbare geborgenheid. Hij ervaart een rustgevende zekerheid, er stroomt hem psychische energie toe vanuit de diepte, waardoor hij opgewassen is tegen de moeilijkste situaties. Ook al vloeit die bron van kracht maar bij weinigen voldoerrle, toch is hij in alle mensen aanwezig. De weg naar die bron, verborgen in de diepte van elke mensenziel, wil ik wijzen, opdat de persoonlijkheid niet st erve, opdat we opgewassen kunnen zijn tegen de hersenspoeling der moderne, geïntensiveerde massa ..kommunikatie-middelen. Ik wil niet willoos en weerloos meegesleurd worden in een kollektivistische stroom. Ik zie ook geen heil in de strijd van de ene kollektiviteit tegen de andere. In elke kollektiviteit gaan persoonlijkheid en gemeenschap onder. Daarom verzet ik mij ook als het hopeloos zou blijken samen met mijn medemensen als het kan, heel alleen als het moet.

Marcus van Praag

naar Hoofdstuk 1

Reageren?

Reageren?

RSS-feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URL

Helaas, de reactiemogelijkheid voor dit bericht is gesloten.

Powered by WordPress